Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201303634/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college geweigerd aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting aan de [locatie] te Deurne.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet belastingen op milieugrondslag
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2014/450 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2014/248

Uitspraak

201303634/1/A4.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Deurne,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college geweigerd aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting aan de [locatie] te Deurne.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2014, waar [appellante] en [vennoot], vennoten, bijgestaan door mr. A.A.P.M. Theunen en mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaten te Deurne onderscheidenlijk Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2. Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.

Artikel 8.10, derde lid, bepaalt dat de vergunning onder meer kan worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

3. Het college heeft de gevraagde revisievergunning met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat - hetgeen [appellante] niet heeft bestreden - de aangevraagde activiteiten aan de westzijde en zuidzijde van het terrein van de inrichting strijd opleveren met het bestemmingsplan "Buitengebied". Het college heeft zich, mede op basis van hetgeen het college van burgemeester en wethouders van Deurne hierover naar voren heeft gebracht, op het standpunt gesteld dat deze strijdigheid niet kan worden opgeheven. De activiteiten op het voorterrein leveren geen strijd op met het bestemmingsplan. Het college heeft het verlenen van de revisievergunning voor alleen die activiteiten echter niet mogelijk geacht omdat volgens hem daardoor de grondslag van de aanvraag zou worden verlaten.

4. [appellante] betoogt dat het college de revisievergunning niet met toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer heeft kunnen weigeren, gelet op de rechten die zij aan de op 4 juni 1997 voor de inrichting verleende milieuvergunning kan ontlenen. Daartoe wijst [appellante] op de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 in zaak nr. 200904423/1/M2.

4.1. Het college van burgemeester en wethouders van Deurne heeft bij besluit van 4 juni 1997 krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting. In dit besluit staat dat vergunning is verleend voor een "op- en overslagbedrijf van materialen c.q. recyclebare afvalstoffen enkel van de groene lijst". Uit de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.2.2, 3.3.1 en 3.3.2 blijkt dat de vergunde activiteiten onder meer bestaan uit het accepteren en bewerken van ferro- en non-ferrometalen (schroot).

De thans gevraagde revisievergunning heeft mede betrekking op deze activiteiten. Nu voor deze activiteiten eerder vergunning is verleend, gelden ten aanzien daarvan bestaande rechten.

4.2. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 7 april 2010 overwogen dat artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer niet de mogelijkheid geeft om van artikel 8.4, derde lid, van die wet af te wijken. Dit betekent dat een gevraagde revisievergunning niet met toepassing van artikel 8.10, derde lid, wegens strijd met het bestemmingsplan kan worden geweigerd, voor zover ten aanzien van de activiteiten waarop die vergunning betrekking heeft bestaande rechten gelden. Het college heeft dit bij het nemen van het bestreden besluit miskend.

De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 8 maart 2013, kenmerk 3369357;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.063,54 (zegge: duizenddrieënzestig euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

462-732.