Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201301566/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuideropgaande 2011" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1103

Uitspraak

201301566/1/R4.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen,

2. [appellant sub 2], wonend te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen,

3. [appellante sub 3], wonend te Elim, gemeente Hoogeveen,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), allen wonend te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen,

5. [appellant sub 5], wonend te Hollandscheveld, en anderen,

6. [appellant sub 6], wonend te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen ,

7. [appellante sub 7], wonend te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen, en anderen,

8. [appellant sub 8], wonend te Zorgvlied, gemeente Westerveld,

9. [appellant sub 9], wonend te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hoogeveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuideropgaande 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6], [appellante sub 7] en anderen, [appellant sub 8] en [appellant sub 9] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. W.J. Oomkes, advocaat te Vlaardingen, [appellante sub 3], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [appellant sub 4 A], [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5], [appellant sub 5 A] en [appellant sub 2], [appellant sub 6], bijgestaan door [gemachtigden], [appellante sub 7] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5 A], bijgestaan door [gemachtigden], [appellant sub 9], bijgestaan door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.D.V. Molenaar en drs. J.H. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

Het beroep van [appellant sub 5] en anderen

1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], niet-ontvankelijk is, omdat zij geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben. Daarbij stelt de raad dat [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] op een te grote afstand wonen van het perceel aan de Barsweg te Hollandscheveld ten aanzien waarvan het plan voorziet in de door hen bestreden bouw van woningen.

1.1. [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] wonen op een afstand van ongeveer 310 respectievelijk 450 m van het door hen bestreden plandeel. Vanuit hun woning hebben zij geen zicht op het betrokken plandeel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover dat is ingediend door [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 4]

2. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 4], voor zover dat is ingediend door [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 C], niet-ontvankelijk is, omdat zij geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben.

2.1. Het beroep van [appellant sub 4] is ingesteld door [appellanten sub 4]. [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 C] wonen beiden op een afstand van ongeveer 3,5 km van het perceel [locatie 3] te Hollandscheveld, waarvoor het door hen bestreden plandeel met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" is vastgesteld. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 4] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 C] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 C] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 4], voor zover dat is ingediend door [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 C], is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellante sub 7] en anderen

3. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante sub 7] en anderen geen zienswijzen hebben ingediend met betrekking tot de bij het plan voor het perceel ten noorden van Zuideropgaande 91a opgenomen bestemming. Volgens de raad is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

3.1. Het beroep van [appellante sub 7] en anderen, voor zover gericht tegen de bestemming voor het perceel ten noorden van het perceel Zuideropgaande 91a steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellante sub 7] en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellante sub 3]

4. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 4 april 2012 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 15 mei 2012. [appellante sub 3] heeft binnen deze termijn geen zienswijze tegen het ontwerp naar voren gebracht.

Zoals is overwogen in 3.1 kan ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

4.1. [appellante sub 3] richt zich in de eerste plaats tegen artikel 16, lid 16.2, onder 16.2.3, onder h, van de planregels waarin is bepaald dat de bouwhoogte van een bijgebouw niet hoger mag zijn dan 8 m. Het plan is op dit punt niet gewijzigd vastgesteld.

[appellante sub 3] richt zich voorts tegen artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder a, en artikel 16, lid 16.5, aanhef en onder c, van de planregels waarin de mogelijkheid van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf bij de bestemming "Wonen" en het gebruik van bijgebouwen ten behoeve daarvan is opgenomen. Het plan is, voor zover hier van belang, slechts wat betreft het begrip aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit gewijzigd vastgesteld, in die zin dat aan de begripsbepaling het woord "e-commerce" is toegevoegd. Aan deze wijziging kan evenwel voor de ontvankelijkheid van het beroep van [appellante sub 3] geen betekenis worden toegekend, nu niet gebleken is dat [appellante sub 3] door deze wijziging in een nadeliger positie is komen te verkeren. Hierin kan dan ook in zoverre geen grond zijn gelegen voor het oordeel dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

[appellante sub 3] richt zich verder tegen artikel 16, lid 16.2, onder 16.2.3, onder a, van de planregels dat betrekking heeft op de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij de bestemming "Wonen". Voorts richt zij zich tegen artikel 16, lid 16.9, onder 16.9.1, onder a, van de planregels waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de bestemming "Wonen" onder bepaalde voorwaarden te wijzigen in de bestemming "Bedrijf". Het plan is wat betreft voornoemde artikelen weliswaar gewijzigd vastgesteld, maar [appellante sub 3] wordt hierdoor niet geraakt, zodat zij niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Hierin kan evenmin grond zijn gelegen voor het oordeel dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellante sub 3] gestelde omstandigheid dat zij wegens ziekte en omstandigheden van persoonlijke aard niet in de gelegenheid was in de periode waarin zienswijzen konden worden ingediend dit daadwerkelijk te doen. Uit de omstandigheid dat zij en haar man - naar zij stelt - in 2012 onder behandeling stonden van een psycholoog, volgt niet dat zij niet in staat was - desnoods door middel van een zaakwaarnemer - een zienswijze in te dienen. Het beroep van [appellante sub 3] is niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

Algemeen

5. [appellante sub 7] en anderen hebben ter zitting hun beroep, voor zover dat betrekking heeft op artikel 4, lid 4.4, onder a, van de planregels, ingetrokken.

6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 9]

7. [appellant sub 9] betoogt dat aan het perceel op de hoek [locatie 1] met de bestemming "Agrarisch" ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hij voert aan dat hem is toegezegd dat het perceel voor woningbouw in aanmerking zou komen. Dit volgt volgens hem ook uit de Structuurvisie Bouwmogelijkheden Zuideropgaande (hierna: de structuurvisie), die de raad op 27 mei 2004 heeft vastgesteld, en het beslisdocument Nieuw-Moscou van 4 februari 2010 (hierna: het beslisdocument). [appellant sub 9] voert voorts aan dat het afronden van de lintbebouwing ter plaatse voor de hand ligt.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het perceel ten westen van Jan Wintersdijkje 4 één bouwmogelijkheid is opgenomen in de structuurvisie. Volgens de raad is de woning reeds gebouwd en komt het perceel derhalve niet meer in aanmerking voor de bouw van een extra woning.

7.2. Aan het perceel op de hoek [locatie 1] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het plan maakt de door [appellant sub 9] gewenste woning op dit perceel niet mogelijk. Het perceel grenst aan de oostzijde aan het perceel [locatie 2]. Aan laatstgenoemd perceel is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend.

7.3. In de structuurvisie, waarbij de raad in het plan aansluiting heeft gezocht, staat dat het toenemende belang van de woonfunctie en het afgenomen belang van de agrarische functie van onder meer het bebouwingslint aan het Zuideropgaande aanleiding is om het woonklimaat aldaar te versterken, onder meer door de bouw van nieuwe woningen. Uitgangspunt voor toevoeging van nieuwe woningen is dat deze gebouwd worden langs het Zuideropgaande en niet achter bestaande woningen of op percelen die niet aan de weg grenzen. Bij de invulling van de bouwmogelijkheden wordt het huidige karakter van de lintbebouwing gehanteerd. Daar waar het lint al dichter is bebouwd, het noordelijke deel, is een bouwmogelijkheid op een kavelbreedte van ongeveer 40 m toelaatbaar. Voor het zuidelijke deel van het Zuideropgaande geldt dat de openheid moet worden gewaarborgd en is een bouwmogelijkheid op een kavelbreedte van 80 m toelaatbaar. Op de bij de structuurvisie behorende kaart zijn de nieuwe bouwmogelijkheden aangewezen, alsmede de doorzichten waar geen bebouwing is toegestaan.

Vervolgens is in 2006 het uitvoeringsprogramma voor de structuurvisie vastgesteld, waar het project Woningbouw Dorpen deel van uitmaakt. Voor het Zuideropgaande is daarbij eerst gekeken naar de mogelijkheden van inbreiding van het bebouwingslint. Vervolgens is gekeken naar uitbreidingen van het bebouwingslint die passend zijn bij het karakter van het gebied. Het resultaat is opgenomen in het beslisdocument waarin 24 potentiële bouwlocaties zijn aangewezen.

Met het plan wordt beoogd aansluiting te zoeken bij het beslisdocument. Het plan voorziet echter in 22 woningen, omdat van de 24 aangewezen bouwlocaties in het beslisdocument reeds één woning op het perceel, thans genummerd [locatie 2] is gerealiseerd en aan de noordzijde van de Cartensdijk een dubbele woning in plaats van een vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt.

7.4. In de structuurvisie zijn de percelen op de hoek [locatie 1] aangewezen als locatie voor nieuwbouw. Uit de bijbehorende kaart blijkt dat ter plaatse één vrijstaande woning mag worden gebouwd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het aantal te bouwen woningen in de woonvisie en het beslisdocument betrekking heeft op nog niet gerealiseerde bebouwing. Weliswaar was voor het betreffende perceel al een bouwvergunning verleend, maar op het moment dat het beslisdocument werd vastgesteld, was het betreffende perceel vrij van bebouwing. Inmiddels is de aangewezen bouwmogelijkheid gerealiseerd op het perceel dat thans is genummerd [locatie 2], zodat er volgens de raad geen aanleiding was om in het plan ter plaatse van het perceel op de hoek [locatie 1] nog een extra bouwmogelijkheid op te nemen. Deze stelling heeft [appellant sub 9] niet, dan wel onvoldoende weersproken. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat het afronden van de lintbebouwing ter plaatse voor de hand ligt, overweegt de Afdeling dat dit niet met zich brengt dat het plan reeds daarom had moeten voorzien in een woonbestemming voor het perceel. In de structuurvisie is een gemotiveerde keuze gemaakt voor maximaal 24 woningen in de woonkern langs het Zuideropgaande en in het beslisdocument is een gemotiveerde keuze gemaakt voor de situering daarvan. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze keuze berust op een ondeugdelijke afweging. Voorts is het plan, anders dan [appellant sub 9] stelt, overeenkomstig de door [appellant sub 9] vermeende toezegging vastgesteld, nu aan het perceel thans genummerd [locatie 2] een woonbestemming is toegekend.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen woonbestemming hoeven toekennen aan het perceel op de hoek [locatie 1].

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4], voor zover ingediend door [appellant sub 4 B]

9. [appellant sub 4 B] betoogt dat aan het gedeelte van het perceel [locatie 3] met de bestemming "Tuin" ten onrechte niet de mogelijkheid is opgenomen een twee-onder-één-kap-woning te bouwen. Hij voert aan dat een woning ter plaatse de inbreiding van het lint zal stimuleren. Daarnaast wijst hij er op dat er in het verleden al een woning heeft gestaan. Voorts zijn er recentelijk elders in het lint aan het Zuideropgaande woningen gebouwd op percelen die minder breed zijn dan 80 m.

9.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar het beleid in de structuurvisie op het standpunt dat het gedeelte van het perceel met de bestemming "Tuin" niet in aanmerking komt voor een bouwmogelijkheid, omdat op het perceel reeds een woning aanwezig is.

9.2. Het perceel [locatie 3] ligt op het zuidelijke deel van het bebouwingslint. Aan het perceel is gedeeltelijk de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend. Aan het andere gedeelte van het perceel is de bestemming "Tuinen" toegekend. Het perceel heeft een breedte van ongeveer 80 m.

Zoals overwogen in 6.3 volgt uit het beleid dat voor het zuidelijke deel van het Zuideropgaande de openheid moet worden gewaarborgd en dat daarom één bouwmogelijkheid op een breedte van 80 m toelaatbaar is. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Nu op het perceel reeds een woning aanwezig is, hoefde de raad in redelijkheid geen aanleiding te zien om op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Tuinen" de bouw van een twee-onder-één-kap-woning mogelijk te maken. Dat woningbouw ter plaatse de inbreiding van het lint zal stimuleren, zoals [appellant sub 4 B] stelt, doet er, wat daarvan ook zij, niet aan af dat het beleid er op is gericht om op het zuidelijke gedeelte van het Zuideropgaande de openheid te waarborgen. De raad heeft daarin geen aanleiding hoeven te zien om van zijn beleid af te wijken. De omstandigheid dat op het betreffende gedeelte van het perceel ooit eerder een woning heeft gestaan brengt niet met zich dat aan het perceel een woonbestemming had moeten worden toegekend nu ook voorheen de mogelijkheid tot heroprichting van die woning niet planologisch mogelijk was gemaakt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat aan beide zijden van de kruising een uitzondering is gemaakt op het beleid, omdat het daar gaat om woningen rond een kruispunt. In hetgeen [appellant sub 4 B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 4 B] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4], voor zover ingediend door [appellant sub 4 B], ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

11. [appellant sub 6] betoogt dat de raad ten onrechte niet het gehele perceel aan de zuidoostzijde van de kruising Zuideropgaande/Barsweg voor woningbouw heeft bestemd. Weliswaar zijn op grond van het beslisdocument aan de kant van het Zuideropgaande twee woningen gebouwd, maar dat laat onverlet dat ook het overige deel van het perceel in het beslisdocument was aangewezen als nieuwe bouwlocatie. Dit in tegenstelling tot de plaats waar die bouwlocatie bij het plan naar toe is verplaatst. Hij voert aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat extra woningbouw op het perceel wordt belemmerd door een milieucirkel van een veehouderij. Volgens [appellant sub 6] betreft het een voormalige veehouderij waaraan een woonbestemming is toegekend. Bovendien zijn er in het verleden wel andere woningen gebouwd binnen de door de raad gestelde milieucirkel. [appellant sub 6] stelt voorts dat de raad argumenten aanvoert die eerder geen rol hebben gespeeld, zoals de aansluiting op een bosgebied en de waterhuishouding.

11.1. Aan het betreffende perceelsgedeelte is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Anders dan [appellant sub 6] stelt, heeft de raad bij het bestreden besluit het (voormalige) agrarische karakter van het aanliggende perceel niet als argument genoemd, zodat de Afdeling voorbij gaat aan hetgeen hij dienaangaande heeft aangevoerd. Op de bij de structuurvisie behorende kaart is het gehele perceel ten zuidoosten van de kruising Zuideropgaande/Barsweg aangewezen als nieuwe bouwlocatie. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de voorkeur voor extra woningbouw naast de reeds bestaande woningen aan het Zuideropgaande uiteindelijk is uitgegaan naar een locatie ten noorden van de Barsweg. Vanwege een daar reeds aanwezige bossage zal de openheid van het landschap op die plaats niet worden aangetast. Daarnaast is uit het milieuonderzoek gebleken dat de grond op de locatie aan de noordzijde van de Barsweg droger is en daarmee meer geschikt voor woningbouw. De in het beslisdocument aangewezen nieuwe bouwlocatie ten zuidoosten van de kruising Zuideropgaande/Barsweg is volgens de raad in de besluitvorming uitdrukkelijk meegewogen, maar niet gekozen. De Afdeling is van oordeel dat de omstandigheid dat het perceel is aangewezen als nieuwe bouwmogelijkheid, er niet aan af doet dat de raad in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan bij de keuze van een bestemming een eigen afweging dient te maken van alle belangen die daarbij zijn betrokken. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen. Dat de raad bij deze afweging heeft betrokken dat de locatie aan de noordzijde van de Barsweg meer geschikt is vanwege landschappelijke en milieutechnische factoren, acht de Afdeling niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen woonbestemming toegekend aan het perceel aan de Barsweg met de bestemming "Agrarisch".

12. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 1]

13. [appellanten sub 1], die wonen op het perceel [locatie 4], betogen dat het plan ten onrechte de bouw van een woning mogelijk maakt op het perceel tegenover hun woning. Zij voeren aan dat hun vrije uitzicht hierdoor zal worden ontnomen en hun woning in waarde zal dalen. Daarnaast wordt volgens hen de bebouwingsdichtheid van de omgeving aangetast door de bouw van een extra woning.

13.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar het beleid in de structuurvisie op het standpunt dat de voorziene woning ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar is. Voor het gebied waar het betreffende perceel in ligt, is daarbij uitgegaan van één bouwmogelijkheid op een kavelbreedte van 40 m.

13.2. Het betreffende perceel ligt tussen de woningen op de percelen [locatie 5] en [locatie 6], tegenover de woning van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] op het noordelijke deel van het Zuideropgaande. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het plan maakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid een woning mogelijk op het perceel.

Zoals volgt uit het beleid, is het bebouwingslint langs het noordelijke deel van het Zuideropgaande reeds dichter bebouwd, zodat wordt uitgegaan van één bouwmogelijkheid op een kavelbreedte van ongeveer 40 m. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Dat de bebouwingsdichtheid door de bouw van een extra woning op een onaanvaardbare wijze wordt aangetast, hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt.

13.3. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat hun vrije uitzicht wordt aangetast en zij als gevolg hiervan vrezen voor waardevermindering van hun woning, overweegt de Afdeling dat geen recht op vrij uitzicht bestaat. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

14. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 5] en anderen, voor zover zij ontvankelijk zijn (hierna: [appellant sub 5] en anderen), alsmede van [appellant sub 2] en [appellant sub 8]

15. De beroepen van [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 8] zijn met name gericht tegen de woonbestemming die bij het plan is voorzien voor het perceel, gelegen aan de noordzijde van de Barsweg en achter de percelen Zuideropgaande 133 en 135. Het plan beoogt op dat perceel een zestal starterswoningen mogelijk te maken.

16. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] en anderen dat het gemeentebestuur onjuist en onvolledig met omwonenden heeft gecommuniceerd, wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Deze procedure vangt aan met de terinzagelegging van het ontwerpplan. Dat de voorbereiding van het plan niet op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden, is niet gebleken. Voor zover het betoog van [appellant sub 5] en anderen ziet op de periode die voorafgaat aan de terinzagelegging van het ontwerpplan, heeft dit gelet op het voorgaande geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het plan.

16.1. [appellant sub 8] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt dat het plan op oneigenlijke gronden tot stand is gekomen en dat er sprake is van corruptie en vriendjes[appellant sub 4]itiek. Dit betoog is niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1 A] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld dan wel dat het plan op oneigenlijke gronden tot stand is gekomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 8] geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit.

17. [appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de voorziene aaneengebouwde woningen niet passend zijn in het landelijk gebied en de historisch karakteristieke omgeving. Ten onrechte beschouwt de raad het lint langs het Zuideropgaande als dorp, terwijl voor de bijbehorende voorzieningen geen plaats wordt ingeruimd. Volgens hen is de zuidelijker gelegen locatie bij het kruispunt Carstendijk/Zuideropgaande meer geschikt als woningbouwlocatie, omdat daar eerder een aanzet is gemaakt voor uitbreiding. [appellant sub 5] en anderen betogen voorts dat het plan op dit punt in strijd is met de structuurvisie, omdat op een kavelbreedte van 80 m slechts één woning toelaatbaar is. Het plan is ook in strijd met de Provinciale omgevingsvisie (hierna: de omgevingsvisie). Daarnaast ontbreekt in het plan een toelichting dat woningbouw ter plaatse op basis van de SER-ladder gerechtvaardigd is, zoals voorgeschreven in artikel 3.15 van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (hierna: de verordening).

17.1. De raad stelt dat bij de kruising Zuideropgaande/Barsweg al eerder nieuwe bebouwing werd opgericht, zodat de voorziene woningbouw nabij dat kruispunt een logische keuze is en past bij het karakter van het gebied. In de structuurvisie wordt volgens de raad al uitgegaan van dichtere bebouwing rond het kruispunt Zuideropgaande/Barsweg. De raad stelt voorts dat het betreffende gedeelte van de Barsweg in de omgevingsvisie weliswaar is aangeduid als landbouwgebied, maar dat dit niet betekent dat ter plaatse geen woningen mogen worden gebouwd. De omgevingsverordening biedt ruimte voor woningbouw.

17.2. Aan het betreffende perceel zijn de bestemming "Wonen", de functieaanduidingen "specifieke vorm van waarde - natuur en landschap" en "wro-zone-wijzigingsgebied 4" en de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwklasse 6" met een bouwvlak toegekend.

17.3. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een en ander met dien verstande dat op het bouwperceel ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van waarde - natuur en landschap" een inpassingsplan wordt overgelegd waarbij het behoud en herstel van de landschapswaarden naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond.

17.4. Ingevolge artikel 3.1, onder ii, van de verordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt onder SER-ladder verstaan: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte langs de volgende stappen:

1. gebruik de ruimte die al beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering beschikbaar gemaakt kan worden;

2. maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen;

3. indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik buiten bestaand stedelijk gebied aan de orde. Daarbij dienen de verschillende relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van de locatie van de ruimte behoevende functie en door investeringen in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte moet worden verzekerd dat het meerdere ruimtegebruik de kwaliteit van natuur en landschap respecteert en waar mogelijk versterkt.

Ingevolge artikel 3.15, eerste lid, kan een ruimtelijk plan slechts in ruimte vragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woon- werklocaties en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de SER-ladder is gerechtvaardigd.

17.5. Uit de plantoelichting blijkt dat bij de locatiekeuze voor woningbouw in de structuurvisie en het project Woningbouw Dorpen eerst is gekeken naar de mogelijkheden van inbreiding in het bebouwingslint. Bij onvoldoende ruimte daarvoor is gezocht naar uitbreiding die past bij het karakter van het gebied. Met betrekking tot het gebied rond de Barsweg is in de structuurvisie uitgegaan van een grotere bebouwingsdichtheid. De toekomstige bebouwing moet passen in de agrarische omgeving; een goede landschappelijke inpassing is om die reden een vereiste, aldus de plantoelichting. Dat in het plan een toelichting ontbreekt dat woningbouw aan de noordzijde van de Barsweg op basis van de SER-ladder gerechtvaardigd is, is, gelet op het voorgaande, niet gebleken.

17.6. De raad heeft toegelicht dat voor het zuidelijke deel van het lint aan het Zuideropgaande geldt dat op een kavelbreedte van 80 m één woning toelaatbaar is, maar dat dit uitgangspunt op deze situatie niet van toepassing is, omdat de voorziene woningen achter het lint zullen worden gebouwd. Voorts heeft hij toegelicht dat met de extra ruimte voor wonen wordt aangesloten bij bestaand bebouwd gebied en dat deze wordt vervlochten met de omringende omgeving, zoals in de structuurvisie staat. Anders dan op landbouwgrond was volgens de raad niet mogelijk, nu er in de omgeving alleen landbouwgrond over is. In hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de structuurvisie en de omgevingsvisie.

17.7. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat woningbouw ter plaatse aanvaardbaar is, gelet op de landschappelijke waarde van het gebied en de historisch karakteristieke omgeving. Daarbij is van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij rekening heeft gehouden met de landschappelijke waarde van het gebied door te kiezen voor een locatie direct grenzend aan bestaand bebouwd gebied. Voorts is in de plantoelichting aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing van de voorziene woningen.

17.8. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 5] en anderen dat de zuidelijker gelegen locatie bij het kruispunt Carstendijk/Zuideropgaande meer geschikt is voor woningbouw, wordt overwogen dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van de alternatieven dienen in de afweging te worden meegenomen. Gelet op hetgeen de raad heeft uiteengezet over de locatiekeuze ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het voorgestelde alternatief heeft kunnen afwijzen.

18. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte niet de gezamenlijke invloed van de negatieve effecten op zijn perceel, zoals het verlies van uitzicht en privacy en een toename van het verkeer, als gevolg van de voorziene woningen heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan. Hierbij is volgens hem van belang dat de voorziene woningen op een afstand van minder dan 80 m tot zijn woning Zuideropgaande 135 worden mogelijk gemaakt. Daarnaast verdwijnen de in het beleid genoemde doorzichten.

[appellant sub 8] voert aan dat zijn uitzicht zal worden ontnomen en zijn woning in waarde zal dalen. Daarnaast wordt door de voorziene aaneengebouwde woningen de landschappelijke waarde van het omliggende gebied aangetast.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het uitzicht vanuit de achterzijde van de woning van [appellant sub 2] en het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 8] weliswaar zal veranderen, maar dat dit geen aanleiding is om af te zien van de voorgenomen woningbouw. Voorts zal het toevoegen van zes woningen geen onaanvaardbare toename van geluidoverlast vanwege een toename van verkeer met zich brengen. Volgens de raad is het plan op dit punt ruimtelijk aanvaardbaar.

18.2. Tussen het perceel aan de noordzijde van de Barsweg en de woning van [appellant sub 8] staat de woning op het perceel Zuideropgaande 135 van C [appellant sub 2]. De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de voorziene woningen bedraagt ongeveer 60 m.

De Afdeling overweegt dat geen recht op vrij uitzicht bestaat. Het uitzicht van [appellant sub 8] en [appellant sub 2] zal weliswaar in beperkte mate worden aangetast, maar in hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze aantasting zodanig is dat ter plaatse een onaanvaardbare situatie ontstaat. Wat betreft het betoog dat de doorzichten verdwijnen, is van belang dat ten behoeve van het behoud van die doorzichten, zichtlijnen zijn opgenomen in het beslisdocument. Anders dan [appellant sub 2] stelt, zijn ter plaatse van het perceel geen zichtlijnen opgenomen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de bouw van de woningen ter plaatse vanuit een oogpunt van privacy of verkeershinder een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat met zich brengt. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 8] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat het zicht vanuit diens woning op de bij het plan mogelijk gemaakte woningen grotendeels wordt weggenomen door tussenliggende bebouwing. De raad heeft een gemotiveerde keuze gemaakt om te voorzien in zes aaneengebouwde woningen.

Dat de landschappelijke waarde van het omliggende gebied door de voorziene woningen zal worden aangetast, heeft [appellant sub 8] voorts niet aannemelijk gemaakt. Hierbij is van belang dat de raad heeft toegelicht dat rekening is gehouden met de landschappelijke waarde van het gebied bij het bepalen van de locatie voor de voorziene woningen en dat in de plantoelichting aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing ervan.

19. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 8] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 7] en anderen, voor zover ontvankelijk

20. [appellante sub 7] en anderen betogen dat artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.2, onder b en sub 1 en 2, van de planregels ten onrechte is vastgesteld. Zij voeren aan dat de daarin opgenomen uitbreidingsmogelijkheden tot maximaal 10% van de oppervlakte van de bestaande bebouwing tot maximaal 100 m² onvoldoende is voor hun bedrijven op de percelen Zuideropgaande 41, 118, [locatie 7], 145 en het perceel tussen Zuideropgaande 110 en 112 om levensvatbaar te blijven. Zij stellen daarvoor minimaal 50% aan uitbreidingsruimte ten opzichte van het bestaande bouwvlak nodig te hebben. Volgens hen is de bestaande bedrijvigheid door de toegekende bedrijfsbestemmingen in feite onder het overgangsrecht gebracht. Daarnaast zijn de bouwmogelijkheden ingrijpend beperkt, terwijl het uitgangspunt van de raad is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bouwmogelijkheden van het voorheen geldende plan. Dat bedrijven met een uitbreidingswens naar een bedrijventerrein verplaatst zouden moeten worden, zoals de raad stelt, is volgens [appellante sub 7] en anderen niet mogelijk, omdat er niet of nauwelijks kavels in de gemeente Hoogeveen aanwezig zijn waar de combinatie wonen en werken mogelijk is.

[appellante sub 7] en anderen betogen voorts dat de bij de bestemming "Maatschappelijk" voorziene mogelijkheid om af te wijken ten behoeve van gebruik van een dienstwoning voor reguliere bewoning ten onrechte niet ook is opgenomen voor bedrijfswoningen.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de bouwmogelijkheden van bedrijven is aangesloten bij de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende plan. Als uitgangspunt is gehanteerd dat bestaande bedrijven hun rechten behouden en dat voor grote bedrijven voldoende ruimte beschikbaar is op de bedrijventerreinen. Uit de inventarisatie is volgens de raad gebleken dat nagenoeg alle bedrijven in het plangebied niet meer over uitbreidingsmogelijkheden beschikken. Om een goede bedrijfsvoering niet te belemmeren, is de mogelijkheid opgenomen om de bestaande bebouwing met 10% uit te breiden.

20.2. Aan de percelen Zuideropgaande 41, 118, [locatie 7], 145 en het perceel tussen Zuideropgaande 110 en 112 is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 17, van de planregels wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, ten behoeve van de bedrijfsbestemming van het gebouw of het terrein.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het opslaan en demonteren van autowrakken, handel in auto's, banden en auto-onderdelen en reparatie- en servicebedrijf ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bandenbedrijf";

b. productie van (kleinschalige) betonwaren, handel in sierbestrating, erfverharding, grind, zand, tuindecoratie en betonplaten ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel in betonwaren en erfverharding";

c. hovenier, tuininrichting en handel in tuinartikelen ter plaatse van de specifieke functieaanduiding "hovenier";

d. bedrijven, behorende tot categorie 1 en 2 genoemd in de "Staat van bedrijfsactiviteiten";

e. e-commerce;

met daarbij behorende:

f. gebouwen;

g. bijgebouwen;

h. bedrijfswoningen, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;

(…).

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.2, gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bijbehorende bijgebouwen de volgende bepalingen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de oppervlakte van de bestaande gebouwen is toegestaan en mag met maximaal 10% worden vergroot, met dien verstande dat:

1. de vergroting van de oppervlakte niet meer dan 100 m² bedraagt;

2. zorg wordt gedragen voor landschappelijke inpassing als bedoeld in paragraaf 4.1.6.5 van de toelichting;

(…).

Ingevolge het bepaalde in 4.4, onder a, kan het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, sub a en b, en toestaan dat een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen buiten het bouwvlak niet meer dan 10 m² bedraagt.

Ingevolge het bepaalde in 4.5, aanhef en onder a, sub 2, wordt tot een strijdig gebruik met deze bestemming in ieder geval gerekend: detailhandelsbedrijven, met uitzondering van detailhandel als genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bandenbedrijf", "specifieke vorm van bedrijf - handel in betonwaren en erfverharding", ter plaatse van de specifieke functieaanduiding "hovenier" en ten behoeve van e-commerce.

20.3. In de plantoelichting staat dat ten aanzien van bedrijfsactiviteiten het uitgangspunt wordt gehanteerd dat sterk milieuhinderlijke dan wel grootschalige bedrijven slechts worden toegestaan op een industrieterrein. Voor het Zuideropgaande is het beleid erop gericht om de aanwezige bedrijvigheid te beperken tot bedrijven die op basis van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) zijn ingedeeld in categorie 1 en 2. De aanwezige bedrijven die behoren tot een zwaardere categorie worden specifiek bestemd.

20.4. Aan het perceel Zuideropgaande 41 is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "hovenier" toegekend. In het voorheen geldende plan "Landelijk gebied" had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met bebouwing met bijbehorend erf (B)". Vast staat dat de huidige activiteiten van het hoveniersbedrijf en de handel in tuinartikelen op basis van het voorheen geldende plan niet mogelijk waren. Wel is een vrijstelling en een bouwvergunning verleend voor een toonzaal voor tuinmeubelen. Ter zitting is vast komen te staan dat de vergunde, aanwezige bebouwing van 812 m² als zodanig is bestemd. Gelet op het voorgaande is het hoveniersbedrijf en de handel in tuinartikelen eerst in dit plan als zodanig bestemd. De Afdeling acht de keuze van de raad om de bestaande, legale bebouwing als zodanig te bestemmen, niet onredelijk. Daarbij heeft de raad, afwegende de betrokken belangen, in redelijkheid kunnen volstaan met een uitbreidingsmogelijkheid van 10%. Het betoog faalt in zoverre.

20.5. Het perceel tussen Zuideropgaande 110 en 112 heeft de bestemming "Bedrijf" en, overeenkomstig het thans bestaande gebruik, de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - handel in betonwaren en erfverharding". In de voorheen voor het perceel geldende plannen "Bestemmingsplan in hoofdzaken" en "Landelijk gebied" had het perceel een agrarische bestemming, op basis waarvan de huidige bedrijfsactiviteiten niet mogelijk waren. Het perceel heeft thans een bouwvlak van ongeveer 100 m² dat overeenkomt met een aanwezige overkapping. Ter zitting hebben [appellante sub 7] en anderen zich op het standpunt gesteld dat zij het bouwvlak te klein vinden, omdat 10% aan uitbreidingsmogelijkheden betekent dat slechts een uitbreiding van 10 m² mogelijk is. Zij hebben echter niet aannemelijk kunnen maken meer uitbreidingsruimte nodig te hebben. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen volstaan met een uitbreidingsmogelijkheid van 10%. Het betoog faalt in zoverre.

20.6. Het perceel Zuideropgaande 118, dat in gebruik is ten behoeve van een autobedrijf, heeft de bestemming "Bedrijf" met daarbinnen een bouwvlak. In het voorheen geldende plan "Landelijk Gebied" had het perceel de bestemming "Verzorgend bedrijf, klasse b, met bijbehorend erf (vvb)", op basis waarvan de huidige bedrijfsactiviteiten niet waren toegestaan. Wel zijn bouwvergunningen verleend ten behoeve van het autobedrijf. Deze bebouwing en het gebruik daarvan zijn in het plan als zodanig bestemd. Voor het oordeel dat de bij het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheid van 10% te weinig is, omdat er nog veel ruimte over is op het perceel, bestaat geen aanleiding. [appellante sub 7] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de toekomstige bedrijfsvoering hierdoor ernstig wordt geschaad. Het betoog faalt in zoverre.

20.7. Over het betoog dat de woning op het perceel Zuideropgaande 145 ten onrechte als bedrijfswoning is bestemd, is vast komen te staan dat deze eveneens overeenkomstig het bestaande, feitelijke gebruik is bestemd, nu de woning door twee personen wordt bewoond, waarvan één de woning bewoont ten behoeve van de bedrijfsbestemming. Dat de andere persoon die de woning bewoont er niet woont ten behoeve van de bedrijfsbestemming, maakt niet dat de raad de woning niet in redelijkheid heeft kunnen bestemmen als bedrijfswoning.

Over het betoog dat de afwijkingsmogelijkheid voor gebruik van dienstwoningen ten behoeve van gebruik voor bewoning anders dan als dienstwoning ook voor bedrijfswoningen zou moeten gelden, heeft de raad toegelicht dat het niet wenselijk is om een dergelijke afwijkingsbevoegdheid ook voor bedrijfswoningen mogelijk te maken, omdat de woning hiermee kan worden afgesplitst van het bedrijf en als gevolg daarvan de bedrijfsvoering zou kunnen worden belemmerd. Dit risico doet zich bij de bestemming "Maatschappelijk" minder voor, aldus de raad. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat de raad, afwegende de betrokken belangen, niet in redelijkheid de keuze heeft kunnen maken om anders dan bij de bestemming "Maatschappelijk" slechts een gebruik als dienstwoning toe te laten. Het betoog faalt in zoverre.

20.8. Met betrekking tot de planregeling voor het perceel Zuideropgaande 145 is van belang dat op het perceel een scooterbedrijf is gevestigd. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de handel en reparatie van scooters. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij heeft beoogd de bestaande, feitelijke situatie als zodanig te bestemmen met een uitbreidingsmogelijkheid van 10%. Anders dan [appellante sub 7] en anderen stellen, maakt de bestemming "Bedrijf" die aan het perceel is toegekend meer mogelijk dan een aan-huis-verbonden bedrijf bij de bestemming "Wonen". Dienaangaande heeft de raad toegelicht dat bij de bestemming "Bedrijf" op basis van de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten handel en reparatie is toegestaan. Bij een aan-huis-verbonden bedrijf bij de woonbestemming is meer dan beperkte handel op basis van artikel 16, lid 16.5, onder c, sub 4, van de planregels in strijd met de bestemming. Echter, in de bij de planregels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten wordt onder SBI-2008 47 slechts reparatie genoemd. Nu, gelet hierop, anders dan de raad heeft beoogd, de handel in scooters niet als zodanig bestemd, is het besluit naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met de te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld. het betoog slaagt in zoverre.

20.9. In hetgeen [appellante sub 7] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Zuideropgaande 145, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

20.10. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

21. [appellante sub 7] en anderen hebben verder bezwaren tegen de omstandigheid dat de woning op het perceel [locatie 7] niet als bedrijfswoning is bestemd. Verder hebben [appellante sub 7] en anderen met betrekking tot de planregeling voor dit perceel bezwaar tegen de volgens hen in het plan vervatte beperking van de uitbreidingsmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende plan "Landelijk gebied".

21.1. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 7] en anderen hebben aangevoerd over de woning op het perceel [locatie 7] geen aanleiding voor het oordeel dat de woning als bedrijfswoning had moeten worden bestemd. Ter zitting is vast komen te staan dat de woning zonder vergunning is opgericht en derhalve illegaal tot stand is gekomen. Nu op het perceel Zuideropgaande 118a al een bij het bedrijf behorende bedrijfswoning aanwezig is, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan nog een bedrijfswoning. Het betoog faalt in zoverre.

Aan het perceel [locatie 7], dat in gebruik is ten behoeve van evenementenverzorging en daarmee verband houdende verhuur, is bij het plan de bestemming "Bedrijf" toegekend. Niet in geschil is dat de bestaande, legale situatie als zodanig is bestemd.

Aan het perceel was in het voorheen geldende plan de bestemming "Opslagterrein, klasse c" toegekend. Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de voorschriften van dat plan zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor opslagdoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, met dien verstande dat de oppervlakte van de bebouwing niet meer zal bedragen dan voor de gronden, aangeduid met klasse b of c: het op de plankaart aangegeven percentage van het bebouwingsoppervlak. Aan het perceel is op de plankaart een percentage van 60 toegekend.

De raad heeft betoogd dat voor het perceel is aangesloten bii de voorheen geldende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. Gelet op de ter plaatse aanwezige bebouwing was bij een bebouwingspercentage van 60 een uitbreiding mogelijk die ruimschoots groter is dan de uitbreidingsmogelijkheden waarin het plan voorziet. De enkele ter zitting opgeworpen stelling dat onder het voorheen geldende plan ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde, moesten worden meegerekend binnen het bebouwingspercentage, geeft geen verklaring voor het verschil in de bebouwingsmogelijkheden ter plaatse. Nu de raad niet heeft gemotiveerd waarom hij deze beperktere bouwmogelijkheden voor het perceel [locatie 7] heeft opgenomen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Het betoog slaagt in zoverre.

21.2. In hetgeen [appellante sub 7] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 7], is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

21.3. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

22. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 7] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de beroepen van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 5] en anderen, voor zover dat is ingediend door [appellant sub 5 A] en [appellant sub 5 B], het beroep van [appellanten sub 4], voor zover dat is ingediend door [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 C], het beroep van [appellante sub 7] en anderen, voor zover dat is gericht tegen de bij het plan opgenomen bestemming voor het perceel ten noorden van Zuideropgaande 91a, en het beroep van [appellante sub 3] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 7] en anderen, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hoogeveen van 29 november 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuideropgaande 2011", voor zover het betreft de vaststelling van:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 7];

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Zuideropgaande 145;

IV. draagt de raad van de gemeente Hoogeveen op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen voor zover het betreft de planonderdelen onder III;

V. verklaart de beroepen van [appellanten sub 4] alsmede [appellant sub 5] en anderen, voor zover ontvankelijk, de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] geheel en het beroep van [appellante sub 7] en anderen, voor zover het ontvankelijk, voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Hoogeveen tot vergoeding van bij [appellante sub 7] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1026,88 (duizendzesentwintig euro en achtentachtig cent), waarvan € 974,00 (hierna: negenhonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Hoogeveen aan [appellante sub 7] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdenachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

45-662.