Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201301496/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2011 heeft de staatssecretaris de aan SOOB verleende subsidie voor het project 2007ESFN20 lager vastgesteld op € 3.101.412,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301496/1/A2.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen (hierna: SOOB), gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2013 in zaak nr. 12/3417 in het geding tussen:

SOOB

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2011 heeft de staatssecretaris de aan SOOB verleende subsidie voor het project 2007ESFN20 lager vastgesteld op € 3.101.412,00.

Bij besluit van gelijke datum heeft de staatssecretaris de aan SOOB verleende subsidie voor het project 2007ESFN623 lager vastgesteld op € 2.270.675,00.

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft de staatssecretaris het door SOOB tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door SOOB daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 mei 2012 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft SOOB hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 maart 2013 heeft de staatssecretaris, ter uitvoering van de uitspraak van 10 januari 2013, opnieuw op het door SOOB tegen de besluiten van 23 december 2011 gemaakte bezwaar beslist en dit gegrond verklaard, de subsidie voor project 2007ESFN20 lager vastgesteld op € 3.138.169,00 en voor project 2007ESFN623 lager vastgesteld op € 2.289.131,00.

SOOB heeft hierop een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2013, waar SOOB, vertegenwoordigd door mr. R. van den Berg Jeths, advocaat te Eindhoven, vergezeld van D.F. Visker, subsidieadviseur bij PNO consultants, en drs. A.A. Alfrink, directiesecretaris bij Vakopleiding Transport & Logistiek VTL Nederland B.V. (hierna: VTL), en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.A. van der Oord en F.T. Frederiks, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De subsidie is verstrekt uit het Europees Sociaal Fonds (hierna ook: ESF), een van de structuurfondsen van de Europese Unie. Krachtens artikel 161 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans, na wijziging, artikel 177 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is Verordening nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening nr. 1260/1999 (PB 2006 L 210; hierna: Verordening nr. 1083/2006) vastgesteld, waarin de hoofdlijnen van het structuurfondsenbeleid zijn neergelegd. Krachtens artikel 148 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans, na wijziging, artikel 164 van het VWEU is Verordening nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening nr. 1784/1999 vastgesteld (PB 2006 L 210). Voorts is Verordening nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van Verordening nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (PB 2006 L 371), vastgesteld. Onder verwijzing naar vorenvermelde verordeningen heeft de staatssecretaris de Subsidieregeling ESF 2007-2013 (oud) (Stcrt. 2006, nr. 249; hierna: de Regeling (oud)) vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies kunnen, onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van de staatssecretaris ter zake van de verstrekking van subsidie regels worden gesteld.

De Regeling (oud) is vastgesteld krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies. Deze regeling is met ingang van 1 september 2009 herzien (Stcrt. 2009, nr. 12998) en heeft sindsdien de citeertitel "Subsidieregeling ESF 2007-2013 (herzien)" (hierna: de Regeling (herzien)). Beide regelingen worden hierna ook tezamen aangeduid als: de Regeling.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling (oud) verleent de staatssecretaris met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van Verordening nr. 1083/2006 subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van verbetering van de arbeidsmarktpositie van werkenden als bedoeld onder Actie D van het Operationeel Programma.

Ingevolge artikel 2.4.1 heeft een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, tot doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van laaggekwalificeerde werkenden te vergroten.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, bedraagt de subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel d, 40% van de voor subsidie in aanmerking te nemen kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Regeling (herzien) blijven beschikkingen afgegeven onder de Regeling (oud) van kracht en worden deze aangemerkt als beschikkingen die zijn afgegeven onder de Regeling (herzien).

Ingevolge artikel 8, achtste lid, geschiedt, indien de subsidieaanvrager voor de financiering van het te subsidiëren project middelen van een derde inzet, deze inzet op basis van een schriftelijke overeenkomst met, dan wel een schriftelijke toezegging van die derde. In de schriftelijke overeenkomst, dan wel schriftelijke toezegging wordt de bijdrage die door de derde wordt verschaft vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaronder deze ter beschikking wordt gesteld.

Ingevolge artikel 12, derde lid, wordt, indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 8, achtste lid, jegens een derde ter zake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in het eerste lid aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 60% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 60% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, de subsidie verlaagd met dit meerdere.

Ingevolge artikel 13, derde lid, per 1 oktober 2010 vernummerd naar het vierde lid, dient, om voor subsidie in aanmerking te komen, voor opdrachten met een financieel belang van hoger of gelijk aan € 15.000,00 de marktconformiteit aangetoond te worden. Voor opdrachten tot € 50.000,00 kan worden volstaan met een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000,00 dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.

Ingevolge het vijfde lid geldt voor subsidieaanvragen die zijn ingediend voor 1 oktober 2010, artikel 13 van de Regeling (herzien), zoals dit luidde op 30 september 2010, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a.

Ingevolge 4:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Ingevolge het tweede lid worden, indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, de verplichtingen opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening.

Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft de staatssecretaris aan SOOB ten behoeve van project 2007ESFN20, Opleidingen Beroepsgoederenvervoer 2007-2008, subsidie verleend ten bedrage van maximaal € 8.348.994,00, gebaseerd op een totaal aan projectkosten van € 23.747.775,00. Bij besluit van 30 januari 2008 heeft de staatssecretaris aan SOOB ten behoeve van project 2007ESFN623, Opleidingen Beroepsgoederenvervoer 2008-2009, een subsidie verleend ten bedrage van maximaal € 5.333.756, gebaseerd op een totaal aan projectkosten van € 13.334.390,00. Beide projecten zijn verleend in het kader van Actie D van de Regeling en hebben tot doel verbetering van de arbeidsmarktpositie van werkenden in de sector beroepsgoederenvervoer door middel van het aanbieden van scholing, opleidingen en EVC-trajecten (trajecten die leiden tot erkenning van verworven competenties).

Nadat de door SOOB gevoerde aanbestedingsprocedure voor het lesmateriaal en het lesgeld door de staatssecretaris was afgekeurd, heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens geworden dat het niet mogelijk was om op basis van werkelijke kosten af te rekenen. SOOB is vervolgens in de gelegenheid gesteld een benchmark van vergelijkbare aanbiedingen van marktpartijen over te leggen, teneinde de marktconformiteit van de gedeclareerde kosten te onderbouwen.

Naar aanleiding van de door SOOB ingediende einddeclaraties voor beide projecten heeft een controlebezoek door medewerkers van het ministerie plaatsgevonden. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in de definitieve rapporten van bevindingen, beide gedateerd 1 juni 2011.

Bij de na bezwaar gehandhaafde besluiten van 23 december 2011 heeft de staatssecretaris de subsidies voor de projecten 2007ESFN20 en 2007ESFN623 lager vastgesteld, omdat hij drie door SOOB opgevoerde kostenposten niet dan wel slechts voor een lager bedrag subsidiabel heeft geacht. Het betreft: (1) kosten voor lesgeld en lesmateriaal, (2) indirecte kosten, in rekening gebracht door Gilde BT, en (3) examenkosten. Daarnaast heeft de staatssecretaris een correctie aangebracht in verband met de cofinanciering.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de door SOOB gedeclareerde examenkosten niet subsidiabel heeft geacht. In dit oordeel heeft de staatssecretaris berust en bij besluit van 7 maart 2013 heeft hij deze kosten alsnog subsidiabel geacht.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de staatssecretaris de hierboven als (1) en (2) vermelde kostenposten bij de vaststelling van de subsidies terecht buiten beschouwing heeft gelaten en terecht een correctie in verband met de cofinanciering heeft aangebracht. Hiertegen is het hoger beroep van SOOB gericht. De staatssecretaris heeft de kosten voor lesgeld en lesmateriaal, tot een lager bedrag, en de indirecte kosten, in rekening gebracht door Gilde BT, niet subsidiabel geacht, omdat volgens hem de marktconformiteit van deze kosten door SOOB niet is aangetoond. Over de correctie in verband met de cofinanciering is in de rapporten van bevindingen vermeld dat uit de verkoopfacturen van VTL aan werkgevers en werknemers blijkt dat SOOB in een aantal gevallen geen ESF-bijdrage aan de uitvoerder heeft verstrekt of een bijdrage van minder dan 40% van de in aanmerking te nemen kosten. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat in zoverre geen subsidie wordt verstrekt, nu de financiering uit het ESF restfinanciering betreft in die zin, dat kosten die door derden gefinancierd worden niet dienen te worden betrokken bij de subsidiabele kosten.

Kosten voor lesgeld en lesmateriaal

3. SOOB betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar artikel 13, vierde lid, van de Regeling (herzien) heeft geoordeeld, dat SOOB er niet in is geslaagd de marktconformiteit van de kosten voor lesgeld en lesmateriaal aan te tonen op de in de regelgeving voorgeschreven wijze. Volgens SOOB is de rechtbank door aldus te oordelen ten onrechte tot de conclusie gekomen dat zij, nu de staatsecretaris deze kosten op basis van het tarief van de aanbieder met de laagste prijs voor subsidie in aanmerking heeft gebracht, niet tekort is gedaan. SOOB voert daartoe aan dat ten tijde van de subsidieverlening voor de projecten 2007ESFN20 en 2007ESFN623 de Regeling (oud) gold en in deze regeling geen aanbestedingsverplichting bij opdrachten met een bepaalde omvang was opgenomen. Dat nadien, met ingang van 1 september 2009, in de Regeling (herzien) een dergelijke verplichting wel is opgenomen, mag haar niet worden tegengeworpen, aldus SOOB.

Volgens SOOB heeft de rechtbank miskend dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat het redelijk is om af te rekenen op basis van de laagste aangeboden prijs per opleiding uit de benchmark. Zij stelt in dit verband dat de groepsgrootte die door de in de benchmark opgenomen aanbieders wordt gehanteerd, verschilt en dat voor de laagste aangeboden prijs per opleiding de projecten niet de gewenste landelijke dekking hadden kunnen krijgen.

3.1. Een subsidieverplichting als bedoeld in artikel 4:38 van de Awb dient voor de subsidieontvanger kenbaar te zijn. De subsidieverstrekker komt, indien de subsidieontvanger de voor hem kenbare subsidieverplichting niet naleeft, ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb de bevoegdheid toe de subsidie lager vast te stellen dan bij de verlening. Vergelijk de uitspraak van 18 april 2007 in zaak nr. 200607070/1.

Uit artikel 4:46, eerste lid, van de Awb volgt dat bij een subsidievaststelling moet worden beoordeeld in hoeverre de uit de subsidieverlening voortvloeiende voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen moet worden omgezet in een onvoorwaardelijke aanspraak.

3.2. Gelet op het onder 3 weergegeven betoog ziet de Afdeling zich eerst voor de vraag gesteld of SOOB op grond van de Unierechtelijke voorschriften voor aanbesteding verplicht was tot een openbare aanbesteding voor het plaatsen van haar opdrachten.

Ten tijde van de subsidieverlening voor de projecten 2007ESFN20 en 2007ESFN623 gold het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Stb. 2005, 408; hierna: Bao), dat een implementatie is van Richtlijn nr. 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004 L 134). SOOB is geen publiekrechtelijke instelling, als bedoeld in artikel 1, onder q, van het Bao, nu - kort gezegd - haar activiteiten niet in hoofdzaak door de overheid worden gefinancierd, het beheer niet is onderworpen aan toezicht door de overheid of een andere aanbestedende dienst en evenmin het bestuur van SOOB door de overheid of een andere aanbestedende dienst is aangewezen. Reeds hierom is SOOB niet aan te merken als een aanbestedende dienst in de zin van artikel 1, onder r, van het Bao en rustte op haar niet zonder meer een verplichting tot aanbesteding.

3.2.1. Ten tijde van de subsidieverlening voor beide projecten gold de Regeling (oud). Hierin is geen aanbestedingsverplichting opgenomen. Uit de nota van toelichting bij artikel 23, eerste lid, van de Regeling (herzien) volgt dat deze bepaling verlichting van de administratieve lasten voor de aanvrager tot doel heeft. Toepassing van artikel 13, derde lid, in verbinding met artikel 23, eerste lid, van de Regeling (herzien) leidt in het geval van SOOB ertoe dat haar een verplichting wordt tegengeworpen, die ten tijde van de subsidieverlening nog niet gold en dus voor haar niet kenbaar was. De staatssecretaris heeft SOOB derhalve ten onrechte tegengeworpen, dat zij deze kosten niet heeft verantwoord door het voeren van een aanbestedingsprocedure. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de marktconformiteit van de voor subsidie in aanmerking komende kosten verifieerbaar moet zijn.

3.3.1. Teneinde de markconformiteit van de gedeclareerde kosten inzichtelijk te maken, heeft SOOB een benchmark overgelegd. Deze benchmark bestaat uit vergelijking van prijzen van 71 aanbieders van rijopleidingen uit 2005. Bij de vaststelling van de voor subsidie in aanmerking komende kosten heeft de staatsecretaris geen acht geslagen op het door SOOB naar voren gebrachte onderscheid in kwaliteit van de opleidingen in de benchmark, de verschillen in groepsgroottes die door de aanbieders worden gehanteerd, alsmede de gewenste landelijke dekking van de projecten. Het uitgangspunt van de staatssecretaris dat de marktconformiteit in dit geval moet worden bepaald aan de hand van het tarief van de aanbieder met de laagste prijs uit de benchmark, voor elke afzonderlijke opleiding, is, gelet op het door SOOB naar voren gebrachte - en door de staatssecretaris niet weersproken - onderscheid in kwaliteit van de aanbieders, niet redelijk te achten. Voor dit uitgangspunt is voorts geen steun te vinden in de Regeling (oud) of Verordening nr. 1083/2006. Gelet op hetgeen SOOB voorafgaand aan de vaststelling van de subsidie heeft gesteld over het kwalitatief vergelijkbaar zijn van de tarieven van de aanbieders in de benchmark, mocht de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet zonder meer uitgaan van de laagste tarieven in de benchmark.

Het betoog slaagt.

Indirecte kosten, in rekening gebracht door Gilde BT

4. SOOB betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de kosten van Gilde BT ten onrechte niet voor subsidie in aanmerking heeft gebracht. SOOB voert aan dat zij de marktconformiteit van deze kosten heeft aangetoond.

4.1. De kosten van Gilde BT betreffen de kosten voor het opzetten, onderhouden en administreren van gegevens in een webportal. Deze kosten maakten deel uit van de eerdervermelde afgekeurde aanbestedingsprocedure.

4.2. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt mogen stellen dat SOOB met de door haar verstrekte benchmark voor kosten van een webportal er niet in is geslaagd de marktconformiteit van de kosten van Gilde BT aan te tonen. De in de benchmark gehanteerde tarieven zijn niet vergelijkbaar en de offertes van Gilde BT en SOG FB bevatten administratiekosten die niet met elkaar te vergelijken zijn. Dat er, naar SOOB stelt, destijds maar één andere aanbieder voor webportals in de markt was, te weten SOB FB, doet daar niet aan af.

Het betoog faalt.

5. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris met de weigering geen subsidie voor deze kosten toe te kennen het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, faalt ook. Wat betreft de door SOOB vermelde gevallen, waarin bij projecten van andere aanvragers de kosten van Gilde BT wel subsidiabel zijn geacht, heeft de staatssecretaris aangevoerd dat in die gevallen de aanbestedingsprocedure niet was afgekeurd en de marktconformiteit van de kosten niet in geschil was. Het gaat derhalve niet om gelijke of gelijk te stellen gevallen, waarin de staatssecretaris kosten van Gilde BT heeft geaccepteerd aan de hand van een benchmark.

6. SOOB betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte haar beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen. Dat SOOB door de staatssecretaris in de gelegenheid is gesteld de marktconformiteit van deze kosten te onderbouwen, betekent niet dat de staatsecretaris heeft toegezegd dat de kosten subsidiabel zijn te achten in de zin van de Regeling. Van een toezegging van de zijde van de staatssecretaris op dit punt is niet gebleken.

Cofinanciering

7. SOOB betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met betrekking tot de financiering door derden - de cofinanciering - op individueel deelnemersniveau moet worden bekeken of een lager percentage dan 40 aan ESF-bijdrage is gebruikt. SOOB stelt dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat de ESF-regelgeving uitgaat van projecten en van projectfinanciering. Ter toelichting wijst SOOB op de definitieve rapportage van Rijksauditdienst van het ministerie van Financiën van 12 december 2011 naar aanleiding van de controle van project 2007ESFN20.

7.1. Het standpunt van de staatssecretaris houdt in dat op het niveau van de individuele deelnemer aan het project, aan de hand van de factuur, moet worden bezien, of meer dan 60% van de subsidiabele kosten van de opleiding is betaald door een derde. Is voor die deelnemer geen of minder dan 40% aan ESF-bijdrage verstrekt, dan komt SOOB in zoverre niet in aanmerking voor subsidie, zodat de subsidie voor de projecten 2007ESFN20 en 2007ESFN623 dienovereenkomstig lager moet worden vastgesteld, aldus de staatssecretaris. De rechtbank heeft steun voor haar oordeel gevonden in de artikelen 8, achtste lid, en 12, derde lid, van de Regeling (herzien).

7.2. De Regeling voorziet in de verlening van projectsubsidies. Uit artikel 3.8, eerste lid, van de Regeling (oud) volgt dat de subsidie ten behoeve van projecten als de onderhavige 40% van de subsidiabele projectkosten bedraagt, doch ten hoogste het in de verleningsbesluiten vermelde maximumbedrag.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de door haar aangehaalde bepalingen, die ontleend zijn aan de Regeling (herzien), dat ingeval de financiering door derden bij projecten in het kader van Actie D meer bedraagt dan 60% van de subsidiabele projectkosten, de subsidie met het meerdere wordt verlaagd. In dat geval is evenzeer sprake van restfinanciering. Door de staatsecretaris is de beoordelingsmaatstaf gehanteerd dat het percentage van de subsidiabele kosten dat door derden wordt gefinancierd per factuur en dus op het niveau van de individuele deelnemer aan een opleiding moet worden bezien. Deze maatstaf behelst een beperking van de subsidiabele kosten. Voor deze beperking biedt de Regeling geen grondslag. Daar komt bij dat de Rijksauditdienst van het ministerie van Financiën in zijn bovenvermelde rapportage naar aanleiding van de controle van project 2007ESFN20 heeft geconcludeerd dat ESF alleen dat deel van de kosten financiert waarvoor geen privaatrechtelijke of publiekrechtelijke financiering bestaat, dat de ESF-financiering niet hoger is dan 40% van de subsidiabele kosten en dat de ESF-financiering niet meer bedraagt dan het in het verleningsbesluit vermelde subsidiebedrag. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de staatssecretaris in verband met de cofinanciering een onjuiste correctie op de einddeclaraties van SOOB heeft aangebracht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Conclusie en slotoverwegingen

8. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen is overwogen onder 3.2.1, 3.3.1 en 7.2, gegrond.

8.1. De staatssecretaris heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 7 maart 2013 een nieuw besluit genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 in verbinding met artikel 6:19 van de Awb, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. In dit besluit heeft de staatssecretaris, rekening houdend met het oordeel van de rechtbank over de examenkosten, de subsidies voor de projecten opnieuw vastgesteld. Gelet op het onder 3.2.1, 3.3.1 en 7.2 overwogene, berust het besluit van 7 maart 2013 op een ondeugdelijke grondslag. De Afdeling zal om die reden het beroep daartegen gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

8.2. De Afdeling ziet geen aanleiding het geschil definitief te beslechten. De Afdeling heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien, nu in de stukken geen volledig inzicht is gegeven in de precieze wijze van berekening van de bedragen waarop de subsidies zijn vastgesteld. Verder dienen partijen wat de marktconformiteit van de kosten voor lesgeld en lesmateriaal betreft mogelijk met elkaar in overleg te treden. Gelet daarop acht de Afdeling toepassing van een zogeheten bestuurlijke lus niet opportuun.

8.3. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij dit besluit moet de uitspraak van de Afdeling wat de mate waarin de kosten voor lesgeld en lesmateriaal subsidiabel zijn en de onjuist toegepaste correctie in verband met de cofinanciering betreft in acht worden genomen. Wat de indirecte kosten, in rekening gebracht door Gilde BT, en de examenkosten betreft dient hij dit besluit verder te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, nu de overwegingen van de rechtbank over die kosten tevergeefs dan wel niet door SOOB zijn aangevochten.

8.4. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de staatssecretaris te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Proceskosten

9. De Afdeling zal de staatssecretaris op na te melden wijze veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van SOOB in hoger beroep. De rechtbank heeft de staatssecretaris reeds veroordeeld in de proceskosten van SOOB in verband met de behandeling van het beroep.

Op het verzoek van SOOB om vergoeding van de door haar gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar dient de staatssecretaris bij het nieuwe besluit op bezwaar te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 7 maart 2013 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kenmerk WBJA/JA-BBS/2.2013.0424.001, gegrond;

III. vernietigt dat besluit;

IV. bepaalt dat tegen het door staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Koster

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

710.