Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201301100/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:CA2696, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college EVT ontheffing en vergunning verleend voor het innemen van ligplaats met het auto- en personenschip Spathoek op plek 3 in de haven van Terschelling en daaraan een aantal voorschriften verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301100/1/A3.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EVT B.V. (hierna: EVT), gevestigd te Terschelling,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Terschellinger Stoomboot Maatschappij B.V. (hierna: TSM), gevestigd te Terschelling,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 december 2012 in de zaken nrs. 11/3157 en 11/3218 in het geding tussen:

1. EVT en

2. TSM

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college EVT ontheffing en vergunning verleend voor het innemen van ligplaats met het auto- en personenschip Spathoek op plek 3 in de haven van Terschelling en daaraan een aantal voorschriften verbonden.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 18 november 2011, heeft het college de door EVT en TSM daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard, onder aanpassing van verscheidene voorschriften.

Bij uitspraak van 20 december 2012 heeft de rechtbank het door TSM daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, dat van EVT niet-ontvankelijk voor zover dat was gericht tegen voorschrift 20 en voor het overige gegrond, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het voorschrift in stand is gelaten dat het innemen van ligplaats niet is toegestaan gedurende een uur voor aankomst tot een half uur na vertrek van een schip (hierna: de venstertijden) van een andere medegebruiker van de aanleginrichting dan TSM (vrachtvervoer) of van een ander vrachtschip van TSM dan de Noord-Nederland (gedeelte voorschrift 4) en voor zover daarbij het voorschrift in stand is gelaten dat van de vergunning en ontheffing geen gebruik kan worden gemaakt wanneer dit gevaar of hinder veroorzaakt voor andere gebruikers van openbaar water, bruggen, aanleginrichtingen en haventerreinen dan wel een normale bedrijfsvoering van derden belemmert (voorschrift 8), en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van EVT met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben EVT en TSM hoger beroep ingesteld.

EVT, TSM en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2014, waar EVT, vertegenwoordigd door A.H. Haantjes, TSM, vertegenwoordigd door mr. J.M. Neefe, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door P. de Bos, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de Havenverordening Terschelling 2006 kan het college vergunningen en ontheffingen verlenen en daaraan beperkingen en voorschriften verbinden. De beperkingen en voorschriften mogen slechts strekken tot bescherming van de belangen in verband waarmede de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, is het verboden met een schip, waaronder begrepen een woonschip, ligplaats in te nemen of zich met het schip op een ligplaats te bevinden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet, indien ligplaats wordt ingenomen met een schip, niet zijnde een woonschip, met vergunning van het college.

2. De rechtbank heeft een gedeelte van voorschrift 4 vernietigd, omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom de venstertijden, voor zover die geen betrekking hebben op het vrachtschip Noord-Nederland van TSM, gelijk moeten zijn aan de venstertijden die zijn bepaald in het openbare-dienstcontract dat tussen de Staat (staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat), de gemeente Terschelling en TSM op 19 december 2007 is gesloten (hierna: ODC) en waarbij in dat voorschrift is aangesloten. De venstertijden zijn niet van toepassing op andere medegebruikers van plek 3. Verder heeft EVT gemotiveerd aangevoerd dat een periode van een uur voor aankomst tot een half uur na vertrek van een schip niet nodig is voor het in- en ontschepen van een schip dat enkel tien tot vijftien vrachtauto’s vervoert, hetgeen het college niet dan wel onvoldoende heeft weerlegd. Voorschrift 8 is in strijd met het gelijkheidsbeginsel aan de vergunning verbonden, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van TSM

3. TSM heeft ter zitting haar hogerberoepsgrond, dat de rechtbank heeft miskend dat het college had moeten weigeren EVT vergunning te verlenen voor het innemen van ligplaats, omdat EVT van een eerder aan haar verleende vergunning geen gebruik heeft gemaakt en daarvoor geen gegronde reden had, ingetrokken.

4. TSM betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voorschrift 8 niet aan de vergunning mocht verbinden. De rechtbank heeft miskend dat weliswaar gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, maar ongelijke gevallen ongelijk mogen worden behandeld. EVT leeft de venstertijden geregeld niet na. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst TSM naar het vonnis in kort geding van de rechtbank Leeuwarden van 25 juli 2012 in zaak nr. 121005/KG ZA 12-196 en de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011 in zaak nr. 201102328/1/H3. EVT kan daarom niet gelijk worden gesteld met een willekeurige andere medegebruiker, aldus TSM.

4.1. TSM heeft met het vonnis in kort geding van de rechtbank Leeuwarden aannemelijk gemaakt dat EVT meermalen de venstertijden heeft overtreden, hetgeen aanleiding was EVT een dwangsom op te leggen. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling in zaak nr. 201102328/1/H3 dat EVT passagiers heeft laten op- en afstappen van het schip Stortemelk, zonder dat EVT over de daartoe benodigde vergunning beschikte.

Voorschrift 8 ziet evenwel niet op de situatie dat EVT de andere voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden niet naleeft, maar op de situatie dat EVT gebruik maakt van de vergunning overeenkomstig de voorschriften en dat gevaar of hinder oplevert dan wel de bedrijfsvoering van derden belemmert. Het betreft daarmee een andere situatie dan die waar TSM op doelt. TSM heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk voorschrift aan de vergunning van andere vergunninghouders is verbonden, zodat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door voorschrift 8 aan de vergunning te verbinden.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van EVT

5. In voorschrift 2 is bepaald dat het aanleggen, waaronder wordt verstaan het laden en lossen van passagiers, motorvoertuigen, fietsen en dergelijke, alleen mag geschieden op de aanleginrichtingen die in rood zijn aangegeven op de kaart die bij de vergunning is gevoegd en de aan- en afvoer van motorvoertuigen, rijwielen en dergelijke alleen mag geschieden over de strook die op die kaart is gearceerd en is aangegeven met de nummers 7, 8 en 9. EVT betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid dat voorschrift aan de vergunning heeft kunnen verbinden. De rechtbank heeft miskend dat het college zich daarbij heeft laten leiden door de overeenkomst tussen TSM en de Staat, waarbij TSM de stroken 1 tot en met 6 heeft gehuurd. Die huurovereenkomst is met het eerdervermelde vonnis van de rechtbank Leeuwarden ongedaan gemaakt. EVT heeft alle stroken nodig om binnen de gegeven tijd te laden en te lossen. Daarbij is van belang dat de stroken alle een andere functie hebben en niet slechts bepalend is hoeveel auto’s op het terrein passen, zoals de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank heeft daarnaast volgens EVT ten onrechte waarde gehecht aan de stelling van het college, dat de stroken 1 tot en met 6 gebruikt kunnen worden voor het schip Friesland van TSM, nu passagiers daarvan vaak al geruime tijd voor de afvaart op het haventerrein aanwezig zijn omdat zij hun verblijfsaccommodatie hebben moeten verlaten. Er zit zoveel tijd tussen het vertrek van de Friesland en het vertrek van de Spathoek, dat de passagiers die vroeg voor de Friesland komen al weg zijn ruim voordat EVT van het terrein gebruik maakt, aldus EVT.

5.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen, was het college voor het verbinden van voorschrift 2 aan de vergunning niet gebonden aan de privaatrechtelijke toestemming die de Staat aan EVT heeft verleend in de vorm van een huurovereenkomst voor de stroken 1 tot en met 6. Uit het vonnis van de rechtbank Leeuwarden waarnaar EVT verwijst, volgt niet dat de huurovereenkomst tussen TSM en de Staat ongedaan is gemaakt, maar dat de Staat dient te gehengen en gedogen dat EVT buiten de venstertijden (mede)gebruik maakt van die stroken.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college voorschrift 2 aan de vergunning mocht verbinden wegens het beschermen van het belang van het doelmatig gebruik van de haven. Het voorschrift heeft tot doel het verkeer van de Spathoek te scheiden van het verkeer van de Friesland. Hierbij mocht het college van belang achten dat passagiers die met de Friesland varen ruim voor de vertrektijd in de haven aankomen en, indien zij met de auto komen, die moeten opstellen. Ook mocht het college van belang achten dat de Spathoek, zoals EVT ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd, minder dan 55 auto’s kan vervoeren en er in de praktijk 35 vervoert samen met twee vrachtwagens, terwijl de Friesland 120 auto’s vervoert. Voorts mocht het college van belang achten dat de plek zodanig is ingericht, dat voertuigen rechtstreeks op en afrijden van een daar aangemeerd schip en passagiers aan de zijkant eruit stappen. Dat EVT de Spathoek anders gebruikt en passagiers niet laat op- en afstappen aan de zijkant van het schip, maar aan dezelfde kant als waar de voertuigen erop en eraf rijden en daarom meer stroken dan de stroken 7, 8 en 9 nodig heeft om de verkeersstromen in goede banen te leiden, zoals EVT ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, mocht het college daarom van minder belang achten dan het belang van het doelmatig gebruik van de haven.

Het betoog faalt.

6. EVT betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid als voorschrift aan de vergunning kon verbinden dat deze van kracht is totdat de uitoefening van de veerdienst tussen Harlingen en Terschelling onherroepelijk in concessie is uitgegeven. Een eventuele concessie zal niet het vrachtvervoer omvatten, terwijl zij met gebruikmaking van de vergunning wel vracht vervoert. Het college was ervan op de hoogte dat EVT voornemens was met de Spathoek naast passagiers tevens vracht te vervoeren en ook daarom een vergunning heeft aangevraagd. Die vergunning staat daaraan ook niet in de weg. Daarnaast is in de vergunning die aan TSM is verleend voor het vervoeren van vracht met de Noord-Nederland niet het voorschrift opgenomen dat die van kracht is tot de veerdienst tussen Harlingen en Terschelling onherroepelijk in concessie is uitgegeven. Niet valt in te zien dat de vergunning voor de Spathoek niet in ieder geval van kracht zou kunnen blijven voor zover het vrachtvervoer betreft.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college voormeld voorschrift in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden. Wanneer de concessie onherroepelijk is, ontstaat een nieuwe situatie, ook indien deze dan aan EVT is verleend. Daarbij zal het college opnieuw moeten beoordelen of ligplaatsvergunning kan worden verleend en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunning tevens is verleend voor vrachtvervoer. Uit de aanvraag voor de vergunning die EVT heeft ingediend, volgt niet dat deze tevens is aangevraagd voor vrachtvervoer. In de begeleidende brief bij de aanvraag van 4 februari 2011 is vermeld dat de vergunning wordt aangevraagd voor varen in de medegebruiksregeling. Die regeling ziet op personenvervoer. Daarnaast is in de vergunning vermeld dat deze is verleend voor personenvervoer.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gezien om het voorschrift, dat de vergunning van kracht is totdat de uitoefening van de veerdienst tussen Harlingen en Terschelling onherroepelijk in concessie is uitgegeven, te vernietigen voor zover dat voorschrift ziet op vrachtvervoer. De rechtbank heeft daarom evenzeer terecht geen grond gezien voor het oordeel, dat het voorschrift in strijd met het gelijkheidsbeginsel aan de vergunning is verbonden.

Het betoog faalt.

7. EVT betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid aan de vergunning het voorschrift kon verbinden, dat het innemen van ligplaats niet is toegestaan van een uur voor aankomst tot een half uur na vertrek van de Noord-Nederland. Zij heeft nimmer rekening hoeven houden met venstertijden voor dat schip. Rijkswaterstaat gaat volgens EVT bij het opstellen van het vaarrooster ook niet van venstertijden uit. EVT verwijst ter ondersteuning van haar betoog naar de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat aan TSM van 20 december 2007.

Indien de Afdeling van oordeel is dat voor de Noord-Nederland wel venstertijden behoren te gelden, dan had gelet op voormelde brief bij het vaststellen van die tijden rekening moeten worden gehouden met optimalisatie van venstertijden. Voor het schip Midsland van TSM zijn kortere venstertijden tot stand gekomen, waarbij in plaats van een uur van tevoren een venstertijd van 45 minuten van tevoren geldt. De Midsland is groter dan de Noord-Nederland en vervoert behalve vrachtwagens, passagiers en personenauto’s, aldus EVT.

7.1. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van het ODC volgt dat het ODC betrekking heeft op een bootdienst voor personenvervoer, waarbij tevens goederen worden vervoerd. TSM heeft zich daarbij verplicht een dienstregeling te onderhouden. Uit de brief van de minister van 20 december 2007 volgt dat de destijds bestaande dienstregeling met de Noord-Nederland, waarmee alleen vracht werd vervoerd, mocht worden voortgezet.

In de huurovereenkomst tussen EVT en de Staat wordt verwezen naar het ODC en voormelde brief. In artikel 6, tweede lid, van die overeenkomst is bepaald dat de bootdienst van TSM in overeenstemming met het ODC en die brief niet in fysieke zin in gevaar mag worden gebracht of gehinderd en de uitvoering van het ODC niet mag worden belemmerd. In het derde lid is bepaald dat in de periode van een uur voor de aankomsttijd tot een half uur na de vertrektijd volgens de dienstregeling van TSM, de toegangsweg niet door EVT mag worden gebruikt. EVT mag in zoverre op grond van privaatrecht geen gebruik maken van het haventerrein voor zover dat eigendom is van de Staat, ook wat de dienstregeling van de Noord-Nederland betreft. Zoals de rechtbank heeft overwogen, sluit het voorschrift aan bij voormelde privaatrechtelijke beperking. EVT wordt met het voorschrift niet onevenredig in haar belangen geschaad.

Dat voor de Midsland kortere venstertijden zijn afgesproken, terwijl dat een groter schip is dan de Noord-Nederland, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft met het voorschrift aangesloten bij de venstertijden van de Noord-Nederland zoals die volgen uit het ODC en de brief van de minister van 20 december 2007, waaraan EVT zich volgens de huurovereenkomst tussen haar en de Staat dient te houden.

Het betoog faalt.

8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Reuveny

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

622.