Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201300969/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6261, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de korpsbeheerder het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300969/1/A3.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 december 2012 in zaak

nr. 12/750 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Utrecht, thans: de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de korpsbeheerder het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 6 februari 2013 heeft [appellant] de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. R.H. Bossen, advocaat te Haren, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 365, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verstrekt de voorzitter desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal van de terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken.

Ingevolge het vijfde lid zijn onder het vonnis begrepen de documenten die aan de uitspraak zijn gehecht. Van andere tot het strafdossier behorende documenten wordt geen afschrift of uittreksel verstrekt.

2. Bij brief van 3 oktober 2011 heeft [appellant] de korpsbeheerder verzocht hem op grond van de Wob afschriften te verstrekken van alle documenten die betrekking hebben op de mishandeling, die op zaterdag 17 september 2011 om 20:38 uur heeft plaatsgevonden aan de Kamperbinnenpoort te Amersfoort (hierna: de mishandeling).

Bij het besluit van 23 januari 2012 heeft de korpsbeheerder zijn besluit van 31 oktober 2011, tot afwijzing van het verzoek van [appellant], gehandhaafd. De korpsbeheerder heeft daarbij artikel 365 Sv van toepassing geacht, dat volgens hem een bijzondere uitputtende openbaarmakingsregeling bevat die derogeert aan de Wob. Hierbij heeft hij in aanmerking genomen dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar vaststond dat één of meer verdachten van de mishandeling zouden worden gedagvaard en dat alleen de zittingsdatum nog onbekend was.

3. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de door de korpschef vertrouwelijk overgelegde documenten.

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de korpsbeheerder terecht artikel 365 Sv van toepassing heeft geacht. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank daarmee de reikwijdte van die bepaling te ver heeft opgerekt. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat artikel 365 Sv eveneens van toepassing is, indien de officier van justitie wel een vervolgingsbeslissing heeft genomen, maar de dagvaarding feitelijk nog niet aan verdachte is toegezonden. Een dergelijke uitleg van de reikwijdte van artikel 365 Sv is bovendien strijdig met de Wob en het uitgangspunt van andere rechtbanken, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 december 2011 (zaak nr. 201101743/1/H3; www.raadvanstate.nl) bevat artikel 365 Sv een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking, die aan de Wob derogeert. Het artikel geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt. De strekking van artikel 365 Sv reikt evenwel niet zo ver, dat deze bepaling tevens ziet op stukken die niet aan de strafrechter zijn voorgelegd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de korpsbeheerder zich in dit geval op het standpunt mocht stellen dat de door [appellant] verzochte documenten onderdeel uitmaken van een strafdossier dat aan de strafrechter is voorgelegd. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de korpsbeheerder te kennen heeft gegeven dat ten tijde van het verzoek reeds een verdachte voor de mishandeling was voorgeleid aan de rechter-commissaris, dat het dossier aan het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) was doorgezonden, dat één of meer verdachten van de mishandeling zouden worden gedagvaard en dat alleen de zittingsdatum nog onbekend was. Ter zitting bij de Afdeling heeft de korpschef toegelicht dat een strafdossier wordt aangelegd op het moment dat het OM bij een zaak betrokken raakt. Vervolgens wordt het proces-verbaal, of worden de processen-verbaal, naar het parket gebracht en, afhankelijk van de beoordeling door de officier van justitie, aan de strafrechter voorgelegd, hetgeen hier ten tijde van het verzoek reeds was gebeurd. Dat de dagvaarding nog niet aan verdachten was verzonden, alleen omdat de zittingsdatum nog onbekend was, leidt niet tot het oordeel dat tot die tijd de Wob op de verzochte documenten van toepassing was, nu dat afbreuk zou doen aan de goede werking van artikel 365 Sv. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de korpsbeheerder in dit geval terecht artikel 365 Sv heeft toegepast en derhalve openbaarmaking van de verzochte documenten heeft geweigerd. Dit oordeel is, anders dan [appellant] betoogt, niet in strijd met de door hem in zijn hogerberoepschrift aangehaalde overweging van de rechtbank Arnhem. Die overweging had niet betrekking op een vergelijkbare situatie, nu in die zaak niet duidelijk was of bepaalde documenten aan de strafrechter zouden worden voorgelegd. Die situatie doet zich hier niet voor.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

280-730.