Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201300847/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2012 heeft het college besloten het gemeentebestuur een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het projectbesluit van het gemeentebestuur van 23 oktober 2012 dat voorziet in de realisatie van een dierenpension op het perceel [locatie].

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1034

Uitspraak

201300847/1/R3.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], wonend onderscheidenlijk gevestigd te Vught,

2. het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het gemeentebestuur),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2012 heeft het college besloten het gemeentebestuur een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het projectbesluit van het gemeentebestuur van 23 oktober 2012 dat voorziet in de realisatie van een dierenpension op het perceel [locatie].

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het gemeentebestuur heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2013, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Schellekens, C.C.P. van Steen en A.J.M. van den Wildenberg, allen werkzaam bij de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, gehoord.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellanten sub 1] betogen dat [belanghebbende A] en anderen ondanks hun verzoek daartoe niet in de gelegenheid dienen te worden gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Zij voeren aan dat de afstand tussen de woningen van [belanghebbende A] en anderen en het in het projectbesluit voorziene dierenpension op het perceel [locatie] zo groot is dat zij geen rechtstreeks belang hebben bij het bestreden besluit.

2.1. Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. [belanghebbende A] en anderen vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het geluid van blaffende honden van het in het projectbesluit beoogde dierenpension waarop de reactieve aanwijzing betrekking heeft. Vast staat dat zij vanuit hun woningen deels zicht hebben op het perceel [locatie]. Daarnaast moet de ruimtelijke uitstraling van het in het projectbesluit beoogde dierenpension, vanwege het omliggende open landschap en het voorziene gebruik van het perceel, van dusdanige omvang worden geacht dat niet valt uit te sluiten dat [belanghebbende A] en anderen daarvan hinder kunnen ondervinden. Gelet hierop dienen zij als partij aan het geding te worden toegelaten.

3. Het college heeft aan de aanwijzing ten grondslag gelegd dat het projectbesluit voorziet in de vestiging van een dierenpension in de groenblauwe mantel als bedoeld in de Verordening ruimte 2012 (hierna: de Verordening). Het college stelt zich op het standpunt dat een dierenpension valt in categorie 3.2 als bedoeld in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure) en dat de vestiging van een dergelijk bedrijf in de groenblauwe mantel in strijd is met artikel 11.6, eerste lid, onder c, van de Verordening.

4. Het gemeentebestuur betoogt dat het college het projectbesluit had dienen te toetsen aan het ten tijde van de bouwaanvragen van [appellanten sub 1] geldende provinciale beleid als opgenomen in de provinciale Paraplunota ruimtelijke ordening en de daarmee samenhangende Beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling en dat de aanvragen aan dit beleid voldoen.

4.1. De Afdeling overweegt dat bij het nemen van het projectbesluit het recht moet worden toegepast zoals dat geldt ten tijde van dit besluit. Nu de Verordening ten tijde van het nemen van het projectbesluit van kracht was kan het betoog niet slagen. Overigens heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat het ten tijde van de bouwaanvragen geldende provinciale beleid het beoogde dierenpension niet zonder meer toestond.

5. [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur voeren aan dat het beoogde dierenpension dient ter vervanging van de eerder op het perceel geëxploiteerde varkenshouderij en dat het dierenpension zal worden uitgeoefend als nevenactiviteit bij de bestaande melkrundveehouderij op dit perceel. Zij stellen dat met het verdwijnen van de varkenshouderij de milieukundige situatie ter plaatse verbetert en een positieve bijdrage wordt geleverd aan de landschaps- en natuurwaarden. Het gemeentebestuur betoogt dat het college het bestreden besluit onzorgvuldig heeft genomen, omdat hierin ten onrechte hoofdstuk 8 van de Verordening als uitgangspunt is genomen. Daarnaast betoogt het gemeentebestuur dat de aanwijzing niet afdoende is gemotiveerd omdat het college volgens hem onvoldoende is ingegaan op de door het gemeentebestuur gegeven reactie naar aanleiding van de zienswijze van het college met betrekking tot het ontwerpbesluit. [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur betwisten voorts het standpunt van het college dat het plan in strijd met artikel 11.6 van de Verordening voorziet in de nieuwvestiging van een bedrijf in categorie 3.2. Hiertoe voeren het gemeentebestuur en [appellanten sub 1] aan dat met de bestaande melkrundveehouderij al een bedrijf in categorie 3.2 aanwezig is en dat de voorheen aanwezige varkenshouderij in categorie 4.1 viel. Verder voeren zij aan dat gelet op de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van het beoogde dierenpension en de hiervoor verleende milieuvergunning er geen milieuhygiënische bezwaren hiertegen bestaan. Tenslotte voeren [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur aan dat de bestaande melkrundveehouderij niet rendabel zal zijn zonder het dierenpension als nevenactiviteit.

5.1. Ingevolge artikel 1.1, onder 54, van de Verordening wordt een milieucategorie gedefinieerd als een milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, Den Haag 2009.

Ingevolge artikel 1.1, onder 72, wordt een ruimtelijke ontwikkeling gedefinieerd als bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 1.1, onder 80, wordt een VAB-vestiging gedefinieerd als de vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits:

a. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2;

[…];

c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

[…].

5.2. Dat in het bestreden besluit ten onrechte mede naar hoofdstuk 8 van de Verordening wordt verwezen, laat onverlet dat de aanwijzing is gegeven wegens strijd met artikel 11.6 van de Verordening. Verder is het college in het bestreden besluit ingegaan op de reactie van het gemeentebestuur in de nota van zienswijzen dat het projectbesluit niet in strijd is met artikel 11.6. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook niet onzorgvuldig voorbereid of onvoldoende gemotiveerd.

5.3. Het projectbesluit voorziet met de vestiging van een dierenpension in niet-agrarische bedrijfsactiviteiten binnen het bestaande bouwvlak op het perceel [locatie] in de groenblauwe mantel. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening is de VAB-vestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling in milieucategorie 3 of hoger niet toegestaan in de groenblauwe mantel. Een dierenpension wordt in de VNG-brochure aangemerkt als een bedrijf in categorie 3.2. [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur hebben met hun standpunt dat het dierenpension volgens de ruimtelijke onderbouwing na het treffen van maatregelen voldoet aan normen uit de wet geluidhinder en in milieuhygienisch opzicht aanvaardbaar is, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het dierenpension een activiteit is die vergelijkbaar is met activiteiten uit categorie 1 of 2 van de VNG-brochure. Het argument van het gemeentebestuur en [appellanten sub 1] dat feitelijk geen sprake zal zijn van de vestiging van een bedrijf in categorie 3.2, nu ter plaatse al een melkrundveehouderij in deze categorie is gevestigd en eerder op dit perceel een varkenshouderij in categorie 4.1 is gesaneerd, gaat er aan voorbij dat volgens het projectbesluit een niet agrarische ontwikkeling wordt toegevoegd die ingevolge de Verordening niet is toegestaan in de groenblauwe mantel.

De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur aldus dat, gelet op het gegeven dat de varkenshouderij op het perceel is beëindigd en de exploitatie van een dierenpension noodzakelijk is met het oog op een rendabele bedrijfsvoering, het college in dit geval had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing. Het college heeft in redelijkheid aan het belang van het tegengaan van niet-agrarische activiteiten die volgens de Verordening niet thuishoren in de groenblauwe mantel een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellanten sub 1] bij exploitatie van een dierenpension bij het agrarische bedrijf.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

429-656.