Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201211829/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2012, kenmerk GRIFBW/12-00750, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1032

Uitspraak

201211829/1/R3.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Cromvoirt, gemeente Vught,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Residence De Leuvert B.V., gevestigd te Cromvoirt, gemeente Vught,

3. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark Mastbosch B.V. en Cromvoirt Recreatie B.V., beide gevestigd te Sint-Oedenrode,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Chaletpark De Vondst B.V., gevestigd te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], wonend onderscheidenlijk gevestigd te Cromvoirt, gemeente Vught,

en

de raad van de gemeente Vught,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2012, kenmerk GRIFBW/12-00750, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [belanghebbende], Residence De Leuvert, Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie, Chaletpark De Vondst en [appellanten sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, [belanghebbende], vertegenwoordigd door W. Krijger, Residence De Leuvert, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie vertegenwoordigd door H.W.A.M. van Acht, Chaletpark De Vondst, vertegenwoordigd door P. van Kuijen, beiden bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, en de raad, vertegenwoordigd door C.C.P. van Steen, A.J.M. van den Wildenberg en mr. A.M.W. Schellekens, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [belanghebbende] afgesplitst van deze procedure. De behandeling van dit beroep zal onder zaak nr. 201211829/3/R3 worden voortgezet.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Kampen- of hoevenlandschap" voor het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Cromvoirt heeft vastgesteld, voor zover daarmee alleen een bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat feitelijk een bedrijfswoning en een burgerwoning aanwezig zijn. Een deel van het bouwvlak is dan ook als tuin aan te merken en kan niet door het agrarische bedrijf worden gebruikt. Volgens [appellant sub 1] is de huidige situatie voorgesteld door het gemeentebestuur. [appellant sub 1] stelt dat het gemeentebestuur in gesprekken te kennen heeft gegeven medewerking te willen verlenen aan twee zelfstandige woningen op het perceel. Verder kon de raad uit de verleende bouw-, milieu en sloopvergunning en uit het Kadaster, waar de perceelgrenzen in 2005 opnieuw zijn vastgelegd, afleiden dat op het perceel een bedrijfswoning en een burgerwoning aanwezig waren. Voorts hebben beide woningen een eigen huisnummer en betalen beide bewoners gemeentelijke belastingen.

Subsidiair zet [appellant sub 1] uiteen dat de feitelijke situatie gedurende de bestemmingsplanprocedure is gewijzigd in die zin dat hij niet meer bedrijfsmatig dieren houdt. Dit betekent dat de milieuvergunning ingetrokken zou kunnen worden en dat aan het gehele perceel een woonbestemming kan worden toegekend. [appellant sub 1] wijst in dat verband op de Gebiedsvisie buitengebied Vught (2012) waarin de mogelijkheid wordt geboden om cultuurhistorische panden te splitsen. [appellant sub 1] is eerder op deze mogelijkheid gewezen en begrijpt niet waarom deze door hem gewenste wijziging niet in dit plan meegenomen kan worden.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in hoofdzaak een conserverend plan is, waarbij de bestaande legale situatie als uitgangspunt is genomen. Nu het perceel in het voorheen geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming had en er bij het gemeentebestuur geen planologische procedures of vergunningen bekend zijn voor het wijzigen naar een woonbestemming dan wel voor woningsplitsing, heeft de raad wederom een agrarische bestemming aan dit perceel toekend. De afspraken waar [appellant sub 1] op wijst en de beëindigde agrarische bedrijfsactiviteiten zijn omstandigheden die niet in de zienswijze zijn genoemd en derhalve buiten beschouwing zijn gelaten.

2.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Kampen- of hoevenlandschap" en de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening;

b. een grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van het kleinschalige cultuurlandschap;

c. in stand houden en bewaren van de samenhang van het Nationaal Landschap Het Groene Woud;

c. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden;

e. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur;

f. op de gronden die gekoppeld zijn door middel van een relatieteken, is één agrarisch bedrijf toegestaan;

g. wonen in een bedrijfswoning;

h. extensief recreatief medegebruik;

i. een tuin binnen een zone van 50 meter van de bedrijfswoning of aangrenzend aan de bestemming "Wonen - 2" of "Wonen - 3";

j. agrarisch natuurbeheer;

ter plaatse van de functieaanduiding

m. "intensieve veehouderij", een intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 44, lid 44.4, onder a, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemmingen te wijzigen om binnen aaneengesloten bebouwing van een bestaande woning, een tweede woning toe te staan, mits:

het een pand betreft, welke aangewezen is als monument of beeldbepalend pand;

er dient een legale (bedrijfs)woning aanwezig te zijn. Deze woning wordt bestemd als "Wonen";

de splitsing is mede gericht op het behoud of herstel van de bebouwing;

indien op het perceel is aangegeven dat maximaal 2 woningen zijn toegestaan, is een extra woning niet toegestaan;

de inhoud van het bestaande gebouw mag niet worden vergroot;

de inhoud van beide woningen na splitsing elk ten minste 350 m³ bedraagt;

voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt tot een oppervlakte van maximaal 100 m² resteert per woning;

de woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat;

de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast;

er geen nadelige gevolgen optreden voor ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;

de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn;

de aanwezige cultuurhistorische waarden behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden;

de ontwikkeling is in overeenstemming met artikel 2.1 en 2.2 (zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap) van de Verordening Ruimte Noord-Brabant, zoals opgenomen in de bijlagen.

2.3. Blijkens de verbeelding staat het plan op genoemd perceel één agrarische bedrijfswoning toe. Een tweede bedrijfswoning dan wel een burgerwoning worden niet bij recht mogelijk gemaakt. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" had het perceel ook een agrarische bestemming. Niet in geschil is dat ingevolge dat plan op het perceel één bedrijfswoning was toegestaan en geen burgerwoning.

2.4. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat er twee woningen op zijn perceel aanwezig zijn, is van een planologische procedure of een vergunning voor een tweede (burger)woning niet gebleken. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat met de bouwvergunning is beoogd de bedrijfswoning te splitsen, overweegt de Afdeling dat noch de aanvraag, die volgens het beroepschrift betrekking had op zogeheten inwoning, noch de verleende bouwvergunning op een tweede zelfstandige (burger)woning ziet. Evenmin kan uit de sloop- en milieuvergunning, waar [appellant sub 1] op wijst, worden afgeleid dat planologische toestemming is verleend voor een tweede zelfstandige woning. Verder hoefde de raad de gegevens inzake de gemeentelijke belastingen, de twee toegekende huisnummers en de registratie van nieuwe perceelsgrenzen in het Kadaster niet te betrekken bij de vaststelling van dit plan nu aan deze gegevens planologisch geen betekenis toekomt.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de feitelijke tweede (burger)woning geen bestaande legale situatie betreft die overeenkomstig de uitgangspunten van het in hoofdzaak conserverende plan als zodanig moet worden bestemd. Ter zitting heeft de raad daaraan toegevoegd dat een burgerwoning op een agrarisch bedrijfsperceel op milieutechnische bezwaren stuit.

Over het betoog dat het gemeentebestuur de huidige situatie heeft voorgesteld en te kennen heeft gegeven mee te willen werken, wordt overwogen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad een dergelijk voorstel is gedaan of dat verwachtingen zijn gewekt dat het plan in zowel een bedrijfswoning als een burgerwoning zou voorzien.

2.5. Voor zover [appellant sub 1] met verwijzing naar de mogelijkheden in de Gebiedsvisie stelt dat het gehele perceel na woningsplitsing een woonbestemming had moeten krijgen, overweegt de Afdeling dat een dergelijke bestemming voor het gehele perceel niet in de zienswijze is gevraagd, zodat van de raad niet kan worden verlangd daarmee bij de vaststelling van het plan rekening te houden. Dat er volgens [appellant sub 1] sprake is van een overgangssituatie waarbij de bedrijfsactiviteiten in de loop der jaren langzaam worden afgebouwd doet daar niet aan af. In het plan is in artikel 44, lid 44.4, van de planregels voor het in beroep gedane verzoek een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat voor de toekenning van een woonbestemming aan de hand van onderzoek een nadere afweging moet worden gemaakt in verband met de agrarische bedrijvigheid in de omgeving.

2.6. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen kiezen voor een agrarische bestemming met één bedrijfswoning op het perceel.

2.7. Het beroep is ongegrond.

De beroepen van Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst, Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie

3. Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst, Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie exploiteren op verschillende plaatsen in het plangebied een recreatieterrein. Zij voeren aan dat in de planregeling voor de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" de exploitatiemogelijkheden en het aantal mogelijke recreatieverblijven op hun terreinen aanzienlijk worden beperkt ten opzichte van het vorige plan, nu in het voorliggende plan een afstand van 10 m tussen recreatieverblijven onderling en een afstand van 2 m tussen recreatieverblijven en de grens van het bouwperceel in acht dient te worden genomen. Hierbij stellen zij dat de bestaande bebouwing in het plan weliswaar als zodanig is bestemd, maar dat de mogelijkheden om bestaande recreatieverblijven te verbouwen en uit te breiden aanzienlijk worden beperkt door de genoemde afstandseisen. De raad zou de afstand van 10 m in het plan hebben opgenomen met het oog op een kwaliteitsverbetering op recreatieterreinen en de brandveiligheid, maar volgens Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst en Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie heeft de raad dit onvoldoende onderbouwd. Hierbij stellen zij dat bij recreanten die voor kortere tijd op een terrein verblijven behoefte bestaat aan kleinere recreatieverblijven, die op een kortere afstand van elkaar staan. Daarnaast is volgens hen onduidelijk hoe de raad met het oog op de brandveiligheid de minimale afstand van 10 m heeft vastgesteld. Voorts voert Residence De Leuvert aan dat zij eerder met het gemeentebestuur afspraken heeft gemaakt over de bouw van 120 nieuwe chalets van 60 m2 en 80 chalets van 80 m2 op haar terrein, maar dat deze door de genoemde afstandseisen niet gerealiseerd kunnen worden.

Verder betogen Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst, Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie dat onduidelijk is hoe de bepaling in de planregels omtrent een minimale afstand van 2 m tussen een recreatieverblijf en de grens van een bouwperceel moet worden uitgelegd, omdat er volgens hen geen afzonderlijke bouwpercelen zijn.

Over de maximaal toegestane bouwhoogte van de recreatieverblijven voeren zij aan dat de keuze van de raad om deze vast te stellen op 3,5 m onvoldoende onderbouwd is en recreatieverblijven met die hoogte niet kunnen voldoen aan de huidige eisen. Zij voeren aan dat een verhoging van de bouwhoogte tot 5 m maar een beperkte ruimtelijke impact zal hebben. Daarnaast kunnen met een maximaal toegestane bouwhoogte van 3,5 m volgens Residence De Leuvert de afspraken tussen haar en het gemeentebestuur niet ten uitvoer worden gebracht.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan overwegend conserverend van aard is en dat het aantal recreatieverblijven en de maximaal toegestane oppervlakte hiervan zijn vergroot. Verder was het volgens hem noodzakelijk om met het oog op een kwaliteitsverbetering van recreatieterreinen in het plan een minimale afstand van 10 m tussen recreatieverblijven op te nemen. Daarbij merkt de raad op dat deze afstand kan worden verkleind tot 5 m, mits de ruimtelijke kwaliteit hierdoor niet wordt verstoord. Voorts wijst hij erop dat bestaande legale recreatieverblijven in het plan als zodanig zijn toegestaan.

3.2. De verschillende recreatieterreinen in het plan hebben de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie".

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, zijn de op de verbeelding voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een bedrijfsmatig geëxploiteerd terrein met recreatieverblijven met bijbehorende centrale horecavoorzieningen;

[...].

Ingevolge lid 19.2, onder 19.2.1, sub a, wordt bestaande bebouwing welke in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan afwijkend is van een of meer bouwregels, geacht aan het plan te voldoen. In dit geval mag de bestaande bebouwing worden gehandhaafd, maar niet worden vergroot of verhoogd;

Ingevolge lid 19.2, onder 19.2.5, gelden voor recreatieverblijven de volgende regels:

a. het aantal plaatsgebonden recreatieverblijven en niet-plaatsgebonden recreatieverblijven bedraagt niet meer dan is aangeduid op de verbeelding;

b. in aanvulling op het bepaalde in sub a gelden voor plaatsgebonden recreatieverblijven de volgende regels:

1. de oppervlakte van een plaatsgebonden recreatieverblijf bedraagt maximaal 80 m2;

2. de inhoud van een plaatsgebonden recreatieverblijf bedraagt maximaal 250 m3 exlusief onderkeldering;

3. de bouwhoogte van een plaatsgebonden recreatieverblijf bedraagt maximaal 3,5 m.

4. een plaatsgebonden recreatieverblijf dient op minimaal 2 m vanaf de perceelsgrens te worden opgericht, waarbij de onderlinge afstand tussen de recreatieverblijven 10 m moet bedragen;

[...].

Ingevolge lid 19.4 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de in artikel 19, lid 19.2, onder 19.2.5, sub b, onder 4 en 8, genoemde afstanden mits dit niet leidt tot een verstoring van de ruimtelijke kwaliteit en de onderlinge afstand tussen recreatieverblijven ten minste 5 meter bedraagt.

3.3. Over het betoog van Residence De Leuvert dat met de afstandseisen en de in het plan opgenomen maximaal toegestane bouwhoogte afspraken over nieuw te bouwen chalets niet kunnen worden nagekomen overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die afspraken zijn gemaakt met het gemeentebestuur.

3.4. Niet in geschil is dat onder het vorige plan met betrekking tot de recreatieverblijven geen minimale afstanden hoefden te worden aangehouden. De raad heeft volgens het bestreden besluit in de planregels een minimale afstand van 2 m tussen recreatieverblijven en de perceelsgrens en een minimale afstand van 10 m tussen recreatieverblijven onderling opgenomen met het oog op een ruimtelijke kwaliteitsverbetering op recreatieterreinen en om de bestaande verrommeling op recreatieterreinen tegen te gaan. De raad heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe deze afstandseisen zullen leiden tot een kwaliteitsverbetering. Hierbij overweegt de Afdeling dat de bestaande bebouwing op recreatieterreinen als zodanig gehandhaafd mag blijven, zodat de afstandseisen niet zullen leiden tot een wijziging van de situering van de bestaande recreatieverblijven. Bovendien worden Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst en Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie beperkt in hun exploitatiemogelijkheden nu op grond van de planregels weliswaar de bestaande recreatieverblijven als zodanig zijn bestemd, maar deze recreatieverblijven niet kunnen worden uitgebreid indien niet wordt voldaan aan de afstandseisen. Verder volgt uit de Nota beoordeling van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen dat een afstand van 10 m tussen recreatieverblijven onderling in acht dient te worden genomen met het oog op de brandveiligheid, maar de noodzaak hiertoe is niet nader gemotiveerd en ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat aan dit standpunt geen advies van de brandweer ten grondslag ligt.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad het besluit om in de planregels de genoemde afstandseisen van 10 m tussen recreatieverblijven en 2 m van de perceelgrens op te nemen met het oog op een goede ruimtelijke ordening niet afdoende gemotiveerd. Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeft het overige deel van het betoog over de afstandseisen geen bespreking meer.

3.5. Met betrekking tot de maximaal toegestane bouwhoogte is niet in geschil dat hiermee is aangesloten bij de bouwhoogte van bestaande recreatieverblijven en de maximaal toegestane bouwhoogte uit het vorige plan. Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst en Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bestaande recreatieverblijven met een bouwhoogte van maximaal 3,5 m in praktische zin niet geëxploiteerd zouden kunnen worden en niet aan de eisen van deze tijd zouden voldoen. Daarnaast is niet gebleken dat zij ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan concrete plannen hebben ingediend voor de bouw van recreatieverblijven met een grotere bouwhoogte. De raad heeft de maximale bouwhoogte beperkt om te voorkomen dat recreatieverblijven de uitstraling van een reguliere woning krijgen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Gelet op het vorengaande heeft de raad de maximaal toegestane bouwhoogte in redelijkheid kunnen vaststellen op 3,5 m.

Het betoog faalt.

3.6. In hetgeen Residence De Leuvert, Chaletpark De Vondst, Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 19, lid 19.2, onder 19.2.5, sub b, onder 4, en lid 19.4, voor zover het betreft het zinsdeel "4 en", van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

[appellanten sub 5]

4. Het beroep van [appellanten sub 5] heeft betrekking op het perceel [locatie 3]. [appellanten sub 5] voeren aan dat de raad ten onrechte niet de bestaande legale situatie op het perceel, als omschreven in de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009 in zaak nr. 200803347/1 als zodanig heeft bestemd in het plan. Zij stellen dat aan het perceel de bestemming "Wonen" is toegekend, terwijl zij hier in de bestaande situatie ook een autoreparatiebedrijf exploiteren met maximaal vijf auto’s per week. De raad had daarom de bestemming "Bedrijf" moeten toekennen aan dit perceel, aldus [appellanten sub 5].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de legale bestaande activiteiten op het perceel in het plan als zodanig zijn bestemd.

4.2. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Wonen-2" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-autoreparatie" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, onder a en e, zijn de op de verbeelding voor "Wonen-2" aangewezen gronden onder andere bestemd voor wonen en ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-autoreparatie" voor de reparatie van maximaal 5 auto’s per week.

4.3. Ingevolge het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1997" rustten op het perceel de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde - Alw -" en "Woondoeleinden - W -". Verder staat, gelet op de uitspraak van 14 januari 2009, vast dat de reparatieactiviteiten aan auto’s onder het vorige plan waren toegestaan op grond van het overgangsrecht, mits deze beperkt bleven tot maximaal vijf auto’s per week. Met voornoemde functieaanduiding heeft de raad deze reparatieactiviteiten in het plan als zodanig bestemd. De door [appellanten sub 5] gewenste algemene bedrijfsbestemming voorziet ook in andere bedrijfsactiviteiten. Daarvoor bestaat geen aanleiding.

Het betoog faalt.

4.4. Het beroep van [appellanten sub 5] is ongegrond.

Slotoverwegingen

5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

6. De raad dient ten aanzien van Residence De Leuvert,

Chaletpark De Vondst en Recreatiepark Mastbosch en Cromvoirt Recreatie op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellanten sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Residence De Leuvert B.V., de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark Mastbosch B.V. en Cromvoirt Recreatie B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Chaletpark De Vondst B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Vught van 20 september 2012, kenmerk GRIFBW/12-00750, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" voor zover het betreft artikel 19, lid 19.2, onder 19.2.5, sub b, onder 4, en artikel 19, lid 19.4, voor zover het betreft het zinsdeel "4 en", van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Vught op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] en [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Vught tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Residence De Leuvert B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Vught tot vergoeding van bij de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark Mastbosch B.V. en Cromvoirt Recreatie B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Vught tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Chaletpark De Vondst B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Vught aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Residence De Leuvert B.V.;

b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Recreatiepark Mastbosch B.V. en Cromvoirt Recreatie B.V., met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Chaletpark De Vondst B.V.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

429-656.