Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
201211520/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2012, kenmerk C2094822/3293484, heeft het college besloten de raad van de gemeente Vught een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 20 september 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2011" (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1030

Uitspraak

201211520/1/R3.

Datum uitspraak: 26 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De raad van de gemeente Vught,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend onderscheidenlijk gevestigd te Vught,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2012, kenmerk C2094822/3293484, heeft het college besloten de raad van de gemeente Vught een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 20 september 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2011" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben de raad en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door C.C.P. van Steen, A.J.M. van den Wildenberg en mr. A.M.W. Schellekens, allen werkzaam bij de gemeente, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.C. Toenbreker, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting [belanghebbende] en anderen, bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellanten sub 2] betogen dat [belanghebbende] en anderen ondanks hun verzoek daartoe niet in de gelegenheid dienen te worden gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Zij voeren aan dat de afstand tussen de woningen van [belanghebbende] en anderen en het in het bestemmingsplan voorziene dierenpension op het perceel [locatie], waarop het bestreden besluit mede betrekking heeft, zo groot is dat zij geen rechtstreeks belang hebben bij dat besluit.

2.1. Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. [belanghebbende] en anderen vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het geluid van blaffende honden van het in het bestemmingsplan beoogde dierenpension waarop de reactieve aanwijzing mede betrekking heeft. Vast staat dat zij vanuit hun woningen deels zicht hebben op het perceel [locatie]. Daarnaast moet de ruimtelijke uitstraling van het in het bestemmingsplan beoogde dierenpension, vanwege het omliggende open landschap en het voorziene gebruik van het perceel, van dusdanige omvang worden geacht dat niet valt uit te sluiten dat [belanghebbende] en anderen daarvan hinder kunnen ondervinden. Gelet hierop dienen zij, voor zover het bestreden besluit betrekking heeft op het plandeel voor het perceel [locatie], als partij aan het geding te worden toegelaten.

3. Bij besluit van 22 oktober 2013 heeft het college de aanwijzingen met betrekking tot artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.8, en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.6, van de planregels en de bestemming "Recreatie-IJzeren Man" ingetrokken. Ter zitting heeft de raad zijn beroep, voor zover gericht tegen deze aanwijzingen, ingetrokken.

Dierenpension in de groenblauwe mantel en ecologische hoofdstructuur

4. Bij het bestreden besluit heeft het college aanwijzingen gegeven met betrekking tot artikel 4, lid 4.1, onder q, sub 8, en artikel 5, lid 5.1, onder m, sub 8, van de planregels. Deze bepalingen treden niet in werking voor zover de bijbehorende bestemmingen samenvallen met de groenblauwe mantel, onderscheidenlijk de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS), zoals aangegeven in de Verordening ruimte 2012 (hierna: de Verordening).

4.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder q, sub 8, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Agrarisch-Kampen- of hoevenlandschap" aangewezen gronden bestemd voor nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing in de vorm van een dierenpension tot maximaal 400 m2 vloeroppervlakte.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder m, sub 8, zijn de op de verbeelding voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden bestemd voor nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing in de vorm van een dierenpension tot maximaal 400 m2 vloeroppervlakte.

4.2. Het college heeft aan de aanwijzingen ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening niet-agrarische ontwikkelingen in categorie 3 of hoger binnen de groenblauwe mantel of de EHS niet zijn toegestaan. Uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van 2009 van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: VNG-brochure) blijkt dat een dierenpension hoort in categorie 3.2, aldus het college.

4.3. De raad voert aan dat artikel 11.6 van de Verordening niet van toepassing is nu de vestiging van een dierenpension bij een bestaand agrarisch bedrijf geen VAB-vestiging is als gedefinieerd in de Verordening. In dit verband betoogt de raad dat een dierenpension als nevenactiviteit in de bestaande bebouwing bij een agrarisch bedrijf rechtstreeks wordt toegestaan door de planregels, zodat een omgevingsvergunning voor bouw- en gebruiksactiviteiten niet noodzakelijk is. Nu volgens de Verordening een VAB-vestiging een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, is artikel 11.6 van de Verordening volgens de raad niet van toepassing. Daarnaast betreft het volgens hem ook geen uitbreiding van een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in artikel 11.6, maar een uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf.

Verder stelt de raad dat de vestiging van een dierenpension als nevenactiviteit geen ontwikkeling is die leidt tot een bedrijf in categorie 3 of hoger. Het bestaande agrarische bedrijf valt immers al in categorie 3 of 4.

Voorts stelt de raad dat de aanwijzingen, voor zover deze zijn gegeven voor bestemmingen die samenvallen met de EHS, onterecht zijn omdat de betreffende planregels zien op nevenactiviteiten in de bestaande bebouwing binnen een agrarisch bouwvlak en binnen het plangebied geen enkel agrarisch bouwvlak samenvalt met de EHS.

4.4. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat zich geen agrarische bouwvlakken bevinden op gronden binnen de EHS. Nu de betreffende planregels in zoverre geen betekenis hebben is er geen aanleiding de daarop betrekking hebbende reactieve aanwijzing te vernietigen teneinde deze planregels in zoverre alsnog in werking te laten treden. Het betoog faalt in zoverre.

4.5. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 54, van de Verordening wordt onder een milieucategorie verstaan een milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, Den Haag 2009.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 72, wordt onder een ruimtelijke ontwikkeling verstaan bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 80, wordt onder een VAB-vestiging verstaan een vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits:

a. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2 ;

[…];

c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

[…].

4.6. Zoals de Afdeling reeds heeft geoordeeld in de uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201112843/1/R3 in overweging 15.7 volgt uit de begripsomschrijving van ‘ruimtelijke ontwikkeling’ in artikel 1.1, aanhef en onder 71, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011, thans artikel 1.1, aanhef en onder 72, van de Verordening dat provinciale staten met deze omschrijving niet het oog hebben gehad op bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor volgens het nieuwe plan een omgevingsvergunning als in de begripsbepaling bedoeld vereist is, maar op bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten die onder de vigeur van het vorige plan niet zonder een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten 3e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zouden kunnen worden gerealiseerd. Niet in geschil is dat het gebruik van de gronden binnen agrarische bouwvlakken voor een dierenpension onder het voorheen geldende planologische regime niet was toegestaan en onder het voorliggende plan wel. Derhalve moet worden geoordeeld dat het plan wat betreft de vestiging van een dierenpension binnen een agrarisch bouwvlak een ruimtelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 1.1, onder 72, en tevens een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1, onder 80, van de Verordening mogelijk maakt waarop artikel 11.6 van de Verordening van toepassing is.

Het argument van de raad dat met de vestiging van een dierenpension als ondergeschikte nevenactiviteit feitelijk geen sprake zal zijn van de vestiging van een bedrijf in categorie 3.2, nu ter plaatse al een agrarisch bedrijf is gevestigd dat wat betreft de gevolgen voor het milieu en de omgeving valt in categorie 3 of 4, gaat eraan voorbij dat een niet-agrarische ontwikkeling niet-agrarische planologische gebruiksactiviteiten betreft als hiervoor omschreven en met het dierenpension, ook al is dat een nevenactiviteit, een niet-agrarische ontwikkeling wordt toegevoegd die ingevolge de Verordening niet is toegestaan in de groenblauwe mantel.

Het betoog van de raad faalt.

4.7. Met betrekking tot het beroep van [appellanten sub 2] tegen voornoemde aanwijzingen, dat beperkt is tot het perceel [locatie], overweegt de Afdeling dat hetgeen zij aanvoeren identiek is aan hun beroepsgronden tegen het besluit van het college van 27 november 2012 waarin het een reactieve aanwijzing heeft gegeven met betrekking tot het projectbesluit van de raad van 23 oktober 2012 voor de realisatie van een dierenpension op het perceel [locatie]. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201300847/1/R3 heeft de Afdeling het beroep van [appellanten sub 2] tegen dat besluit ongegrond verklaard. De Afdeling ziet in deze procedure geen aanleiding voor een ander oordeel over de aangevoerde beroepsgronden.

4.8. Gelet op het vorengaande is het beroep van de raad in zoverre en het beroep van [appellanten sub 2] geheel ongegrond.

Schuilgelegenheden buiten het bestaande bouwblok

5. Bij het bestreden besluit heeft het college aanwijzingen gegeven met betrekking tot artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.9, en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.7, van de planregels.

5.1. Ingevolge de artikelen 4, lid 4.7, onder 4.7.9, en 5, lid 5.7, onder 5.7.7, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om binnen de bestemming "Agrarisch met waarden-Kampen- of hoevenlandschap" onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden-Polder" uitsluitend ten behoeve van hobbymatige activiteiten een bouwvlak voor de bouw van schuilgelegenheden voor dieren toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. het bouwvlak wordt door middel van een relatieteken gekoppeld aan een bestemmingsvlak "Wonen-2" of "Wonen-3" en krijgt dezelfde bestemming met de nadere specifieke aanduiding "schuilgelegenheid";

b. het bouwvlak wordt gesitueerd binnen een afstand van maximaal 100 meter van het daaraan gekoppelde bestemmingsvlak;

c. de oppervlakte van het bouwvlak bedraagt maximaal 30 m²;

[…];

i. per bestemmingsvlak is slechts één schuilgelegenheid toegestaan;

j. de omvang van het perceel, zijnde een perceel grasland, waarop de schuilgelegenheid wordt geplaatst, bedraagt minimaal 1 hectare;

k. de schuilstal mag uitsluitend worden benut voor het laten schuilen c.q. huisvesten van zogenaamde boerderijdieren, zoals rundvee, paarden, pony's, geiten en schapen;

l. in of op het perceel, waarop de schuilgelegenheid is geplaatst, mag geen opslag van hooi, stro of andere materialen plaatsvinden;

m. indien sprake is van de verplaatsing van een legale schuilgelegenheid, dient vooraf zekerheid te worden geboden over de sloop van de oorspronkelijke schuilgelegenheid, en dient door de eigenaar van de ondergrond van de oorspronkelijke schuilgelegenheid afstand te worden gedaan van zijn recht op behoud van de schuilgelegenheid;

n. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;

o. de ontwikkeling is in overeenstemming met artikel 2.1 en 2.2 (zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap) van de Verordening Ruimte Noord-Brabant, zoals opgenomen in de bijlagen.

5.2. Het college heeft aan de aanwijzingen ten grondslag gelegd dat deze bepalingen kunnen leiden tot onnodig nieuw ruimtebeslag en verspreid liggende bebouwing in het buitengebied. Volgens het bestreden besluit zijn deze bepalingen in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit zoals opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening. Bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen moet gebruik worden gemaakt van de bestaande bebouwing. Bovendien is volgens het verweerschrift onduidelijk waarom de schuilgelegenheid niet aansluitend aan het bestaande bouwblok kan worden gerealiseerd. Daarnaast acht het college het feit dat deze regeling in beginsel geldt voor alle woonbestemmingen in het buitengebied van minimaal 1 ha in strijd met het principe van een zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik.

5.3. De raad voert aan dat aan de bouw van een schuilgelegenheid een aantal voorwaarden is verbonden. Een van deze voorwaarden is dat de ontwikkeling in overeenstemming moet zijn met artikel 2.1 en 2.2 van de Verordening. Dit betekent dat getoetst moet worden of de schuilgelegenheid niet in het bestaande bouwvlak kan worden neergezet en dat een positieve bijdrage aan de landschappelijke en ecologische kwaliteit van de omgeving dient plaats te vinden. Verder stelt de raad dat de schuilgelegenheid binnen 100 m van het bestemmingsvlak dient te worden gesitueerd zodat een verspreiding van bebouwing wordt voorkomen. Ten slotte merkt hij op dat de oppervlakte van een schuilgelegenheid is beperkt tot maximaal 30 m2.

5.4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening, draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording.

Ingevolge het tweede lid, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bedoeld in het eerste lid in ieder geval in dat:

a. ingeval van vestiging van een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

b. uitbreiding van het op grond van het per 1 maart 2011 geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

5.5. Artikel 4.7, lid 4.7, onder 4.7.9, en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.7, van de planregels voorzien niet bij recht, maar via een wijzigingsbevoegdheid in de bouw van een schuilgelegenheid. Bij de vaststelling van een wijzigingsplan dienen de concrete plannen voor een schuilgelegenheid te worden beoordeeld aan de hand van artikel 2.1 van de Verordening en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, hetgeen, zo heeft de raad ter zitting bevestigd, met zich brengt dat van de wijzigingsbevoegdheid geen gebruik kan worden gemaakt indien de schuilgelegenheid in of aansluitend aan het bestaande bouwvlak kan worden gerealiseerd. Verder dient de omvang van het perceel waarop de schuilgelegenheid wordt geplaatst tenminste 1 ha te bedragen en is de oppervlakte van een schuilgelegenheid beperkt tot maximaal 30 m2. Voorts dienen schuilgelegenheden binnen 100 m van het bijbehorende bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen-2" en "Wonen-3" te worden gesitueerd, waarmee de verspreiding van bebouwing in het buitengebied wordt beperkt. Mede in aanmerking genomen dat het uitgangspunt van de Verordening is dat het aan gemeentebesturen is om in concrete gevallen vorm te geven aan de in artikel 2.1, tweede lid, van de Verordening opgenomen algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit, kan het college niet worden gevolgd in het standpunt dat de in artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.9, en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.7, van de planregels opgenomen voorwaarden en beperkingen onvoldoende waarborgen bieden voor een zorgvuldig ruimtegebruik. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de genoemde bepalingen uit de planregels niet in strijd zijn met artikel 2.1 van de Verordening brengt dit mee dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat provinciale belangen door deze bepalingen onvoldoende worden gewaarborgd en het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot deze bepalingen noodzakelijk maken.

5.6. In hetgeen de raad heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit ,voor zover dat ziet op de aanwijzingen met betrekking tot artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.9, en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.7, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels

6. Bij het bestreden besluit heeft het college een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels, voor zover het betreft agrarische bouwblokken met de functieaanduiding "intensieve veehouderij" in het extensiveringsgebied.

6.1. Ingevolge artikel 43, lid 43.1, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels voorgeschreven maatvoering met maximaal 10%.

6.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 43, lid 43.1, aanhef en onder a, ten grondslag gelegd dat deze bepaling onder andere de uitbreiding van de bebouwing van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied mogelijk maakt, terwijl een uitbreiding van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied in strijd is met artikel 9.2 van de Verordening.

6.3. De raad voert aan dat voornoemde bepaling niet kan worden gebruikt om de oppervlakte van een intensieve veehouderij uit te breiden, omdat het begrip "maatvoering" in deze bepaling geen betrekking heeft op de oppervlakte aan bebouwing. De raad betoogt dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing van een intensieve veehouderij staat aangegeven op de verbeelding en dat het college van burgemeester en wethouders krachtens artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels slechts kan afwijken van de in de planregels aangegeven maatvoering.

6.4. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.2, sub f, van de planregels bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij binnen de bestemming "Agrarisch met waarden-Kampen- of hoevenlandschap" niet meer dan is aangeduid op de verbeelding. Artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels heeft slechts betrekking op de in planregels genoemde maatvoering, zoals de maximum hoogte. Daarnaast vormt lid 43.1, sub a, een algemene en beperkte mogelijkheid om voor een concreet perceel een nadere afweging te maken en een ontheffing te verlenen van de ingevolge de planregels opgenomen maten binnen de geldende bestemming. Deze bepaling leent zich gelet op de systematiek van de planregels niet voor een vergroting van de oppervlakte aan bebouwing van een intensieve veehouderij omdat deze zich dan zou uitstrekken over een andere bestemming en derhalve zou leiden tot een bestemmingswijziging. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de genoemde bepaling voorziet in een vergroting van de oppervlakte van een intensieve veehouderij en het plan om die reden in strijd is met artikel 9.2 van de Verordening. Het betoog slaagt.

6.5. In hetgeen de raad heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanwijzing met betrekking tot artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Slotoverwegingen

7. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.9, en artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.7, en artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

8. Ten aanzien van de raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellanten sub 2] geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de raad van de gemeente Vught gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 29 oktober 2012, kenmerk C2094822/3293484, voor zover hierbij aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.9, artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.7, en artikel 43, lid 43.1, sub a, van de planregels;

III. verklaart het beroep van de raad voor het overige en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] ongegrond;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de raad van de gemeente Vught het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014

429-656.