Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201309926/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2013, nr. 22, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309926/2/R1.

Datum uitspraak: 11 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te De Waal, gemeente Texel,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,

3. de vereniging Vereniging van Eigenaren De Luwe Hoek, gevestigd te Den Burg, gemeente Texel,

4. [verzoeker sub 4A] en [verzoekster sub 4B], wonend te De Waal, gemeente Texel (hierna tezamen: [verzoeker sub 4]),

5. [verzoeker sub 5], wonend te Den Hoorn, gemeente Texel, en anderen,

6. [verzoeker sub 6], wonend te De Cocksdorp, gemeente Texel,

en

de raad van de gemeente Texel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2013, nr. 22, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], De Luwe Hoek, [verzoeker sub 4], [verzoeker sub 5] en anderen en [verzoeker sub 6] beroep ingesteld. Zij hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 28 januari 2014, waar [verzoeker sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], [verzoeker sub 2], bijgestaan door mr. A. Franken van Bloemendaal, advocaat te Amsterdam, De Luwe Hoek, vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, [verzoeker sub 4], vertegenwoordigd door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, [verzoeker sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, [verzoeker sub 6], vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte en mr. E.H.D. Lindenbergh, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en anderen, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. T.J.H. Verstappen, advocaat te Nijmegen, [belanghebbende B], en [belanghebbende C], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Schiphol-Rijk, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het gehele grondgebied van Texel met uitzondering van de kernen Den Burg, De Waal, Den Hoorn, Oudeschild, Oosterend, De Koog, De Cocksdorp, ’t Horntje, Oost-, Midden- en Zuid-Eierland.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

3. [verzoeker sub 1] richt zich tegen de in het plan voorziene mogelijkheden om binnen de agrarische bestemmingen een biovergistingsinstallatie op te richten. [verzoeker sub 1] beoogt met zijn verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. [verzoeker sub 1] betoogt dat de oprichting van een biovergistingsinstallatie tot negatieve gevolgen voor zijn bedrijfsvoering zal leiden. [verzoeker sub 1] voert hiertoe aan dat de kosten van ruwvoer zullen stijgen, omdat het ruwvoer afkomstig van Texel voor een deel zal worden gebruikt in de biovergistingsinstallatie. Voorts zal volgens [verzoeker sub 1] de oprichting van een biovergistingsinstallatie tot negatieve gevolgen voor de natuur en het landschap op Texel leiden.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [verzoeker sub 1] geen belanghebbende is bij de door hem bestreden plandelen. De raad voert hiertoe aan dat vrijwel overal op Texel een biovergistingsinstallatie kan worden opgericht, waardoor zijn belang zich niet onderscheidt van dat van andere veehouders op Texel.

3.2. Het perceel van [verzoeker sub 1] aan de [locatie 1] heeft de bestemming "Agrarisch - Oude Land". De gronden rondom zijn perceel hebben eveneens deze bestemming.

3.3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder ac, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Oude land" aangewezen gronden bestemd voor plaatsing en exploitatie van een biovergistingsinstallatie ter plaatse van de aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - biovergistingsinstallatie", met een capaciteit kleiner dan 100 ton/per dag.

Ingevolge lid 5.7, aanhef en onder l, kan het plan worden gewijzigd in die zin dat een aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - biovergistingsinstallatie" wordt opgenomen.

3.4. Vast staat dat op de verbeelding bij het plan niet de aanduiding "Specifieke vorm van agrarisch - biovergistingsinstallatie" is opgenomen. Dit betekent dat het plan bij recht geen biovergistingsinstallatie mogelijk maakt. Ingevolge artikel 5, lid 5.7, aanhef en onder l, van de planregels kan een biovergistingsinstallatie bij wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt. Dit is mogelijk op onder meer het perceel van [verzoeker sub 1] en de percelen in de omgeving hiervan. Anders dan de raad betoogt, bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen van [verzoeker sub 1] in zoverre niet rechtstreeks bij het besluit tot vaststelling van in ieder geval een deel van het plan zijn betrokken. Gelet hierop moet [verzoeker sub 1] worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

3.5. Ter zitting is vast komen te staan dat thans geen concrete plannen bestaan voor het mogelijk maken van een biovergistingsinstallatie. [verzoeker sub 1] stelt dat de coöperatie TexelEnergie het voornemen heeft om een biovergistingsinstallatie op te richten, maar een wijzigingsplan hiertoe is nog niet in voorbereiding noch zijn aanvragen hiertoe ingediend. De voorzitter is om die reden van mening dat een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Het staat [verzoeker sub 1] vrij een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen, wanneer hangende beroep wel sprake is van concrete plannen om een biovergistingsinstallatie mogelijk te maken.

3.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het verzoek van [verzoeker sub 2]

4. [verzoeker sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" voor het perceel aan de Pontweg 17. [verzoeker sub 2] beoogt met zijn verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. [verzoeker sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte heeft voorzien in een tankstation op het perceel. Hij voert hiertoe aan dat de raad geen onderzoek heeft laten verrichten naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1996" reeds voorzag in een tankstation op het perceel aan de Pontweg 17. Volgens de raad bestond derhalve geen aanleiding om onderzoek te doen naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het voorziene tankstation.

4.2. Niet in geschil is dat het college op 7 september 2012 een omgevingsvergunning met een ontheffing van het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" heeft verleend voor het oprichten van een nieuw tankstation op het perceel aan de Pontweg 17. Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het college het hiertegen door [verzoeker sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [verzoeker sub 2] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het plan voorziet in dezelfde ontwikkelingen als de op 7 september 2012 verleende omgevingsvergunning. Inwerkingtreding van het plandeel voor het perceel aan de Pontweg 17 zonder enige voorziening zou de procedure omtrent de omgevingsvergunning kunnen doorkruisen. Daarbij is van belang dat de raad het plandeel voor het perceel aan de Pontweg 17 heeft vastgesteld omdat de verleende omgevingsvergunning in het plan moest worden opgenomen, terwijl de vraag of de omgevingsvergunning kon worden verleend onderdeel is van het geschil in de procedure omtrent deze vergunning. De verleende omgevingsvergunning biedt een titel om desgewenst voor risico van de initiatiefnemer met de bouw van het tankstation te beginnen, zodat de initiatiefnemer van het tankstation naar het oordeel van de voorzitter niet onevenredig wordt geschaad door schorsing van het plandeel voor het perceel aan de Pontweg 17. Onder voornoemde omstandigheden ziet de voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding tot het treffen van de hierna te vermelden voorlopige voorziening.

4.3. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het verzoek van De Luwe Hoek

5. De Luwe Hoek richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Tweede woning" voor het perceel aan de Monnikenweg 5. Zij beoogt met haar verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. De Luwe Hoek betoogt dat de raad ten onrechte heeft voorzien in de mogelijkheid het perceel te gebruiken voor zowel permanente als recreatieve bewoning. Zij betoogt verder dat de raad ten onrechte heeft voorzien in een uitbereiding van de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. De Luwe Hoek voert hiertoe aan dat de raad uitsluitend in de verruimde bouw- en gebruiksmogelijkheden heeft voorzien omdat het perceel is genoemd in de lijst van tweede woningen bij de Huisvestingsverordening. De Luwe Hoek voert verder aan dat de woning is opgericht als recreatiewoning en nimmer permanent is bewoond. De Luwe Hoek stelt voorts dat de verruimde bouw- en gebruiksmogelijkheden op perceel aan de Monnikenweg 5 leiden tot vermindering van het landschappelijke aanzicht en het uitzicht vanaf haar perceel aan de Monnikenweg 7-19. De Luwe Hoek stelt voorts dat haar perceel als gevolg hiervan in waarde zal dalen.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan alle woningen die ooit zijn vrijgegeven voor recreatief medegebruik de bestemming "Wonen - Tweede woning" is toegekend. Deze woningen mogen worden gebruikt voor zowel permanente als recreatieve bewoning. Voorheen was deze status vastgelegd in de huisvestingsverordening. Volgens de raad is het voor het toekennen van de bestemming "Wonen - Tweede woning" aan een perceel niet noodzakelijk dat dit ooit is gebruikt voor permanente bewoning. Volgens de raad zal het plan niet leiden tot een aanzienlijke vermindering van het uitzicht en het aanzicht van het perceel aan de Monnikenweg 7-19.

5.2. Ingevolge artikel 51, lid 51.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Wonen - Tweede woning" aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van permanente of recreatieve bewoning.

Ingevolge lid 51.2.2, onder d, heeft een woonhuis binnen deze bestemming een maximale oppervlakte van 150 m².

5.3. Hetgeen De Luwe Hoek heeft aangevoerd, biedt naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan de woning op het perceel aan de Monnikenweg 5 de bestemming "Wonen - Tweede woning" heeft kunnen toekennen. Dat de woning op dit perceel nimmer permanent zou zijn bewoond, betekent, anders dan De Luwe Hoek betoogt, niet zonder meer dat de raad er thans niet voor kan kiezen om permanente bewoning wel mogelijk te maken, indien hij dit in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke gevolgen van de in het plan voorziene verruiming van de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel beperkt zullen zijn. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat op het perceel slechts één woning aanwezig is die mag worden vergroot tot 150 m². De raad heeft voorts van belang kunnen achten dat het perceel is gelegen in een gesloten boslandschap, zodat op de omliggende percelen weinig gevolgen zullen worden ondervonden van de verruimde bouw- en gebruiksmogelijkheden. Anders dan De Luwe Hoek stelt, bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de verruimde bouw- en gebruiksmogelijkheden tot een zodanige aantasting van het landschappelijke aanzicht en het uitzicht van het naastgelegen perceel Monnikenweg 7-19 zullen leiden dat de raad tot een andere afweging had moeten komen. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot een zodanige waardevermindering van het perceel Monnikenweg 7-19 dat de raad hieraan bij de afweging van de belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

5.4. In hetgeen De Luwe Hoek overigens heeft aangevoerd, ziet de voorzitter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

5.5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het verzoek van [verzoeker sub 4]

6. [verzoeker sub 4] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Oude Land" voor het westelijke deel van het perceel aan de [locatie 2]. Hij beoogt met zijn verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. [verzoeker sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om op dit deel van het perceel een agrarisch bedrijf op te richten. Hij voert hiertoe aan dat hij dit deel van het perceel heeft verkocht aan [belanghebbende A] onder voorwaarde dat dit alleen als landbouwgrond zou worden gebruikt. Voorts is volgens [verzoeker sub 4] het oprichten van een agrarisch bedrijf op korte afstand van zijn woning niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. De raad voert hiertoe aan dat het vorige plan "Buitengebied 1996" voorziet in hetzelfde bouwvlak met bijbehorende bouwmogelijkheden.

6.2. Het westelijke deel van het perceel aan de [locatie 2] heeft de bestemming "Agrarisch - Oude Land" met onder meer de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Oude land" aangewezen gronden bestemd voor een agrarisch grondgebonden bedrijf ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge lid 5.2.2, onder a, mogen gebouwen en overkappingen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak.

Het perceel aan de [locatie 2] had in het vorige plan "Buitengebied 1996" de bestemming "Agrarisch gebied, klasse a". Op het perceel is een bebouwingsvlak voorzien.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften behorende bij dit bestemmingsplan zijn de hiervoor aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het tweede lid, mogen deze gronden uitsluitend worden ingericht voor agrarische doeleinden, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, dienstwoningen en bijgebouwen.

Ingevolge het vijfde lid, mogen gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken worden opgericht; de goot- onderscheidenlijk nokhoogte mag niet meer bedragen dan 4,50 m onderscheidenlijk 10 m in categorie 1 en 2, en niet meer dan 3 m onderscheidenlijk 10 m in categorie 3 en 4.

6.3. Het ontwerpplan "Buitengebied 2013" heeft vanaf 14 januari 2013 tot 25 februari 2013 ter inzage gelegen. [belanghebbende A] heeft op 13 januari 2013 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een veestal op het westelijke deel van het perceel aan de [locatie 2]. Deze aanvraag dient derhalve te worden getoetst aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1996". [belanghebbende A] heeft ter zitting medegedeeld dat hij niet voornemens is hangende beroep een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning te doen. Gelet hierop en nu het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" naar het voorlopig oordeel van de voorzitter voorziet in dezelfde mogelijkheden als het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" is geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening aanwezig. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen. Indien desondanks hangende beroep een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen wordt ingediend, dient de raad [verzoeker sub 4] daarvan direct op de hoogte te stellen, zodat hij desgewenst een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kan indienen.

6.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het verzoek van [verzoeker sub 5] en anderen

7. [verzoeker sub 5] en anderen richten zich tegen het plandeel met onder meer de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" voor het perceel aan de [locatie 3]. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. [verzoeker sub 5] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een uitbereiding van de op het perceel [locatie 3] toegestane recreatieve bebouwing en in de aanleg van extra parkeerplaatsen. Zij voeren hiertoe aan dat de raad geen onderzoek heeft laten verrichten naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat reeds op 29 november 2012 een projectbesluit is genomen dat voorziet in dezelfde ontwikkelingen als die nu in het plan zijn opgenomen.

7.2. Bij besluit van 29 november 2012 heeft het college ten behoeve van [belanghebbende B] een projectbesluit genomen en een bouwvergunning verleend voor de renovatie van een hoeve en de bouw van een vakantiewoning op het perceel aan de [locatie 3]. Bij uitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoeker sub 5] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker sub 5] hoger beroep ingesteld. Het plan voorziet in dezelfde ontwikkelingen als de op 29 november 2012 met projectbesluit verleende bouwvergunning. Inwerkingtreding van het plandeel voor het perceel aan de [locatie 3] zonder enige voorziening zou de hogerberoepsprocedure omtrent het projectbesluit en de bouwvergunning kunnen doorkruisen. Daarbij is van belang dat de raad het plandeel voor het perceel aan de [locatie 3] heeft vastgesteld omdat de bouwvergunning in het plan moest worden opgenomen, terwijl de vraag of deze kon worden verleend onderdeel is van de hogerberoepsprocedure. Bij uitspraak van 26 november 2013 in zaak nr. 201309891/2/A1 heeft de voorzitter een verzoek van [verzoeker sub 5] om schorsing van de bouwvergunning afgewezen, omdat de belangen bij het mogen voortzetten van de bouwactiviteiten van zwaarder gewicht werden geacht. Ter zitting is vast komen te staan dat de krachtens de bouwvergunning toegestane bouwactiviteiten reeds zijn voltooid. Gelet hierop wordt [belanghebbende B] naar het oordeel van de voorzitter niet onevenredig geschaad door schorsing van het plandeel voor het perceel aan de [locatie 3]. Onder voornoemde omstandigheden ziet de voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding tot het treffen van de hierna te vermelden voorlopige voorziening.

7.3. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [belanghebbende B] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten, nu hij is opgekomen ter verdediging van plandeel dat wordt geschorst en voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die desondanks aanleiding geven voor een proceskostenveroordeling.

Het verzoek van [verzoeker sub 6]

8. [verzoeker sub 6] richt zich tegen het plandeel met onder meer de bestemming "Bedrijf - Opslag" voor het perceel aan de [locatie 4]. Zij beoogt met haar verzoek onomkeerbare ontwikkelingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. [verzoeker sub 6] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een gebouw ten behoeve van opslag en huisvesting van personeel van het [strandpaviljoen]. [verzoeker sub 6] voert hiertoe aan dat de raad geen onderzoek heeft gedaan naar eventuele milieuhygiënische hinder als gevolg van de voorziene bedrijfsopslag. [verzoeker sub 6] voert voorts aan dat het plan op het perceel voorziet in verstedelijking en dat dit in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS).

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het college van gedeputeerde staten in 2009 een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, zodat geen sprake is van strijd met de PRVS. Voorts is volgens de raad de afstand van de bedrijfsbebouwing tot de woning van [verzoeker sub 6] zodanig dat geen milieuhygiënische hinder valt te verwachten.

8.2. Het noordelijke deel van het perceel aan de [locatie 4] heeft de bestemming "Bedrijf - opslag" met onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak = 600 m².

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf - Opslag" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van opslag.

Ingevolge lid 17.3.1, wordt het gebruik van de gronden en bouwwerken voor bewoning als strijd gebruik aangemerkt.

Ingevolge lid 17.4, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 17.3.1 in die zin dat inpandige verblijven gerealiseerd worden voor huisvesting van personeel van het ter plaatse gevestigde bedrijf.

Ingevolge artikel 1, lid 38, van de PRVS wordt onder verstedelijking verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1, lid 38, van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening.

8.3. Het perceel aan de [locatie 4] is gelegen in het landelijk gebied, zoals aangewezen op kaart 3 bij de PRVS. Op het perceel zijn thans een kleine loods en een aantal stacaravans aanwezig die worden gebruikt voor de huisvesting van tijdelijk seizoenspersoneel van het [strandpaviljoen]. Het perceel aan de [locatie 4] en het strandpaviljoen zijn in eigendom van [belanghebbende C]. [belanghebbende C] heeft een aanvraag ingediend voor het oprichten van een nieuwe bedrijfsloods met personeelsverblijven om het tijdelijke seizoenspersoneel van het strandpaviljoen in te huisvesten.

8.4. De voorziene bedrijfsloods heeft een grotere omvang dan de thans op het perceel aanwezige loods en is gelegen op een andere plek op het perceel. Gelet hierop is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter sprake van verstedelijking, zoals bedoeld in artikel 1, lid 38, van de PRVS. De voorzitter is er op voorhand niet van overtuigd dat het plan in zoverre niet in strijd is met artikel 14, eerste lid, van de PRVS. Hoewel de raad stelt dat het college van gedeputeerde staten in 2009 een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, is het de voorzitter niet duidelijk waar deze verklaring op ziet en of deze thans nog geldig is. Voorts betwijfelt de voorzitter of met toepassing van artikel 17, lid 17.4, van de planregels kan worden geregeld dat in de voorziene loods het tijdelijke seizoenspersoneel van het strandpaviljoen mag worden gehuisvest. In dit artikel staat dat het moet gaan om personeel van het ter plaatse gevestigde bedrijf, terwijl het strandpaviljoen is gelegen op een afstand van ongeveer 2 km van het perceel.

[belanghebbende C] heeft verder ter zitting verklaard dat hij geen aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning zal indienen voor het plan in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet hierop wordt [belanghebbende C] naar het oordeel van de voorzitter niet onevenredig geschaad door schorsing van het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Opslag" voor het perceel aan de [locatie 4].

Onder voornoemde omstandigheden ziet de voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding tot het treffen van de hierna te vermelden voorlopige voorziening.

8.5. [verzoeker sub 6] richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel aan de [locatie 4]. Volgens [verzoeker sub 6] voorziet het plan in strijd met het beleid van de raad in een tuinbestemming met een oppervlakte van meer dan 5000 m².

8.5.1. Ingevolge artikel 45, lid 45.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen en voorzieningen behorende bij de op hetzelfde perceel gelegen (bedrijfs)woning; en daarbij behorende:

b. wegen en paden;

c. water;

d. overige bouwwerken.

Ingevolge lid 45.2 is het bouwen van gebouwen en overkappingen verboden.

8.5.2. Het plan voorziet binnen de bestemming "Tuin" in beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. De inwerkingtreding van het plandeel leidt gelet hierop niet tot onomkeerbare gevolgen. De voorzitter is om die reden van oordeel dat in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre af te wijzen.

8.6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Texel van 12 juni 2013, nr. 22, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" voor het perceel aan de Pontweg 17;

b. het plandeel met onder meer de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatieve gebouwen" voor het perceel aan de [locatie 3];

c. het plandeel met onder meer de bestemming "Bedrijf - Opslag" voor het perceel aan de [locatie 4];

II. wijst de verzoeken voor het overige af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Texel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1016,54 (zegge: duizendzestien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Texel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 5] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Texel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 6] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Texel aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [verzoeker sub 2], € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [verzoeker sub 5] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [verzoeker sub 6], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014

523.