Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:584

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201308531/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bezuidenhout" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/219

Uitspraak

201308531/1/R6.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

de stichting Stichting Wijkberaad Bezuidenhout, gevestigd te 's-Gravenhage,

appellant,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bezuidenhout" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2014, waar de stichting, vertegenwoordigd door J.E. Snijders, bijgestaan door mr. ir. A. van Kessel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.M. Krijgsman, M.G.H.M. van der Ven en ir. L. de Nijs, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Karakter van het plan

3. De stichting betoogt dat het plan ten onrechte conserverend wordt genoemd, nu het verschillende ontwikkelingen mogelijk maakt. Volgens de stichting lag het voor de hand om voor een beheersverordening te kiezen.

3.1. In de plantoelichting staat dat het plan overwegend conserverend van aard is. Het plan legt de feitelijke situatie vast en maakt enkele ontwikkelingen mogelijk. Die ontwikkelingen zijn beschreven in paragraaf 5.2 van de plantoelichting. Volgens de raad kan alleen voor een gebied waar geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien gekozen worden voor een beheersverordening.

3.2. Ingevolge artikel 3.38, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kan de gemeenteraad, onverminderd de gevallen waarin bij of krachtens wettelijk voorschrift een bestemmingsplan is vereist, in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.

3.3. De raad heeft zich, gelet op deze bepaling, terecht op het standpunt gesteld dat hij voor het plangebied geen beheersverordening kon vaststellen. Voor dit deel van het grondgebied van de gemeente worden immers ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Het betoog faalt.

Dakopbouwen

Cultuurhistorie

4. Het beroep is gericht tegen het toestaan van dakopbouwen op gebouwen in het plangebied. De stichting betoogt dat ten onrechte dakopbouwen zijn toegestaan bij cultuurhistorisch waardevolle woningen, waaronder de "Co Brandes"-woningen aan de Juliana van Stolberglaan en woningen aan de Carel Reinierszkade.

4.1. De raad stelt dat voor deze woningen in het plan is bepaald dat een dakopbouw minimaal 1,5 m achter de voorgevel moet worden gebouwd. Het gevelbeeld behoudt daardoor volgens de raad het oorspronkelijke karakter.

4.2. Aan de gronden ter plaatse van de percelen Carel Reinierszkade 7 tot en met 59 en Juliana van Stolberglaan 241 tot en met 347 is de bestemming "Wonen -2" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw 1" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.2.1, onder b, mag de goothoogte van gebouwen, voor zover gelegen binnen het bouwvlak, niet meer bedragen dan op de plankaart staat aangegeven.

Ingevolge lid 22.2.1, onder e, mag in uitzondering op het voorgaande onder b ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" een dakopbouw van maximaal 3,5 m hoogte gebouwd worden, gemeten vanaf het bestaande dakvlak.

4.2.1. Aan de gronden is niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" toegekend, maar de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw 1". In de regels bij de bestemming "Wonen -2" komt deze aanduiding niet voor. Ter plaatse van de door de stichting bedoelde woningen staat het plan derhalve geen dakopbouw toe. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

Noodzaak

5. De stichting voert verder aan dat door de economische crisis geen noodzaak bestaat om Bezuidenhout te verdichten door het realiseren van dakopbouwen en dat in de woningbehoefte voorzien kan worden door een functiewijziging van leegstaande kantoren. Bij het opstellen van de "Agenda voor de Haagse verdichting" van 28 mei 2009 (hierna: de Agenda) heeft de raad geen rekening gehouden met de door de crisis veranderde omstandigheden, aldus de stichting.

5.1. In de plantoelichting staat dat de Agenda een thematische uitwerking is van de Structuurvisie Den Haag 2020 en dient als leidraad voor de binnenstedelijke verdichting. De Agenda houdt voor Bezuidenhout in dat invulling wordt gegeven aan onder meer "optoppen" en functiewijziging van kantoorgebouwen naar woningbouw, aldus de plantoelichting. Met "optoppen" wordt volgens de toelichting bedoeld dat verdichting kan plaatsvinden door het toestaan van dakopbouwen op de bestaande woongebouwen. Zodoende kunnen bewoners worden gebonden aan de wijk. De raad verwijst voorts naar het "Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020" en het daaruit voortvloeiende uitgangspunt van intensief ruimtegebruik in stedelijke wijken. De raad stelt dat in de hiervoor geldende bestemmingsplannen het ophogen van woningen met een kapverdieping reeds op grote schaal was toegestaan. De raad ziet geen aanleiding om haar ambities bij te stellen en het beleid aan te passen.

Naast de Agenda is ook in de "Kantorenstrategie Den Haag 2010-2030" vastgelegd dat hergebruik van leegstaande kantoren gefaciliteerd moet worden. In de planregels is, gelet daarop, bij de bestemming "Kantoor -2" een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, die het mogelijk maakt de bestemming te wijzigen in "Gemengd -4" of "Gemengd -1". Een leegstaand kantoorpand kan na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid onder meer een woonbestemming krijgen.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013, zaak nr. 201302085/1/R3), bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dakopbouwen slechts mogelijk had kunnen maken, indien daarvoor een noodzaak bestaat. Met de mogelijkheid een dakopbouw te realiseren kunnen zittende bewoners worden gebonden aan de wijk en wordt een alternatief voor verhuizen naar een andere wijk geboden. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat de raad, in verband met de economische crisis, dakopbouwen - naast de functiewijziging van leegstaande kantoren - in redelijkheid niet heeft kunnen toestaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de planperiode in beginsel tien jaar is. Het betoog faalt.

Behoefte aan parkeerplaatsen

6. De stichting betoogt voorts dat de ruimtelijke effecten van dakopbouwen ten onrechte niet zijn onderzocht. Hierbij voert de stichting aan dat de gevolgen voor de parkeerdruk onduidelijk zijn. Volgens de stichting neemt de parkeerbehoefte toe als de woningen groter zijn, omdat de gezinnen ook groter zullen worden. Volgens de stichting is de parkeerdruk in de huidige situatie reeds te hoog. Er is volgens de stichting niet verzekerd dat voldoende parkeergelegenheid beschikbaar zal zijn.

6.1. Extra parkeerbehoefte is volgens de raad niet te verwachten, omdat een dakopbouw een onzelfstandige uitbreiding moet zijn van de onder het dak gelegen woning of andere daar gevestigde rechtmatige functie. Een toename van zelfstandige wooneenheden is met de mogelijkheid tot het plaatsen van een dakopbouw dan ook niet beoogd. Bovendien kan de omvang van een gezin niet in een bestemmingsplan worden geregeld, aldus de raad.

6.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.38, van de planregels wordt verstaan onder een "dakopbouw": een vergroting van een gebouw welke een onzelfstandige uitbreiding vormt van de onder het dak gelegen woning of andere daar gevestigde rechtmatige functie en daarvan deel uitmaakt.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2.1, onder c, mag in uitzondering op het voorgaande onder b ter plaatse van de bestemming "Wonen -1" en de "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw 1" en de "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw 2" een dakopbouw van maximaal 3,5 m hoogte gebouwd worden.

Ingevolge lid 21.2.1, onder d, kan het bevoegd gezag ten aanzien van het bouwen van een dakopbouw waarvoor de bestemming "Wonen -1" en de "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw 2" van toepassing is nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de hoogte van de dakopbouw.

Ingevolge artikel 22, lid 22.2.1, onder e, mag in uitzondering op het voorgaande onder b ter plaatse van de bestemming "Wonen -2" en de "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw" een dakopbouw van maximaal 3,5 m hoogte gebouwd worden, gemeten vanaf het bestaande dakvlak.

Ingevolge artikel 30, onder c, moet, indien de ligging, de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, volgens de parkeernormen en kaart zoals opgenomen in Bijlage 3 Parkeernormen van de regels ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto's ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel met inachtneming van het bepaalde hieromtrent in de bestemmingsregels op of onder het bebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge artikel 32, lid 32.2, onder b, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de parkeernormen die gehanteerd worden voor het parkeren of stallen van auto's, fietsen, bromfietsen en voor het laden en lossen van goederen, indien:

1. op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien;

2. nadere besluitvorming ten aanzien van het parkeerbeleid en/of parkeernormen aanleiding geeft om af te wijken van de parkeernormen;

3. het voldoen aan de parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; een te verwachten meer dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers, indien het gebouw bestemd is voor de vestiging van één of meer detailhandelsbedrijven, dienstverlening of cultuur en ontspanning; een bestemming van het gebouw als parkeergarage dan wel garagebedrijf.

6.3. Volgens de plantoelichting is het parkeren door bewoners in de avond en nacht een probleem, omdat de vraag naar parkeerruimte dan veelal groter is dan het aanbod. In een stadsbreed kader, het zogenaamde project "P2500", wordt bezien welke oplossingen in Bezuidenhout mogelijk en haalbaar zijn. In de plantoelichting staat verder dat bij nieuw- en verbouwplannen aan de hand van parkeernormen de parkeerbehoefte wordt berekend en dat wordt beoordeeld of en hoeveel parkeerplaatsen de initiatiefnemer op eigen terrein moet realiseren. De parkeernormen worden uitgedrukt in het aantal parkeerplaatsen per woning. De parkeernormen uit de "Nota Parkeernormen Den Haag" van 11 november 2011 zijn in het plan overgenomen en gelden ingevolge voornoemd artikel 30, onder c en d, van de planregels en de bij de planregels behorende bijlage 3. Bij woningbouw is het gemiddelde autobezit uitgangspunt voor de hoogte van de parkeernorm. Het gemiddelde autobezit hangt af van de oppervlakte van de woning, de locatie in de stad en het type woning.

6.4. Ingevolge artikel 1, lid 1.38, in samenhang met onder meer artikel 21, lid 21.2.1, onder c en d, is het niet mogelijk dat door het realiseren van een dakopbouw een nieuwe zelfstandige woonruimte ontstaat. Een dakopbouw vormt een onzelfstandige uitbreiding van de onder het dak gelegen woning of andere daar gevestigde rechtmatige functie en maakt daarvan deel uit. Een woning of andere functie krijgt door een dakopbouw wel een grotere oppervlakte. Ter zitting heeft de raad dit erkend. De meeste appartementen hebben volgens de raad zonder dakopbouw een oppervlakte van ongeveer 70 m² en met dakopbouw ongeveer 110 m². Ter zitting is voorts vastgesteld dat dit een toename van de toegestane oppervlakte van woningen ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan betekent. Ingevolge dat plan waren weliswaar kapverdiepingen met schuine daken mogelijk, maar geen dakopbouwen die, zoals in het onderhavige plan, een volledige extra bouwlaag mogelijk maken.

De raad heeft ter zitting gesteld dat per woonadres één parkeervergunning wordt verleend en dat het verkrijgen van een tweede parkeervergunning wordt ontmoedigd door hier aanzienlijke kosten aan te verbinden. Volgens de stichting is een parkeervergunning ’s avonds niet nodig en is juist in de avond de parkeerdruk hoog. Voorts heeft de raad gewezen op het project "P2500" voor de aanpak van de parkeerproblematiek. Volgens de raad vloeit uit dit project voort dat nieuwe parkeergarages worden gerealiseerd, ook in Bezuidenhout.

6.4.1. Ingevolge bijlage 3 bij de planregels neemt voor eengezinswoningen en appartementen de parkeernorm toe naar gelang de woning groter is. Onderscheid wordt gemaakt tussen eengezinswoningen en appartementen met een oppervlakte tot 70 m², tussen 71 en 100 m², tussen 101 en 160 m² en een oppervlakte groter dan 161 m². Ter zitting heeft de raad erkend dat, gelet hierop, bij een vergroting van de oppervlakte van woningen door dakopbouwen de parkeerdruk geacht wordt toe te nemen. Verder is vastgesteld dat dakopbouwen in een aanzienlijk deel van het plangebied zijn toegestaan. Dit kan, gelet op artikel 30, onder c, van de planregels, betekenen dat bij uitbreiding van een woning met een dakopbouw ten behoeve van het parkeren of stallen van personenauto's ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel met inachtneming van het bepaalde hieromtrent in de bestemmingsregels op of onder het bebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. De omvang van een gebouw kan daar immers ingevolge voornoemd artikelonderdeel aanleiding toe geven. Ingevolge artikel 32.2, onder b, kan onder bepaalde omstandigheden met een omgevingsvergunning van de parkeernormen worden afgeweken.

6.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2013 in zaak nr. 201206895/1/R3), dient de raad in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan te beoordelen of zich reeds een parkeertekort voordoet en hoe door het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkelingen zich daartoe verhouden. Verder heeft de Afdeling overwogen dat bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen ingevolge het plan planologisch maximaal mogelijk is.

Uit het voorgaande volgt dat bij een representatieve invulling van hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt, nieuwe ontwikkelingen leiden tot een toename van de parkeerbehoefte. De raad heeft ter zitting erkend dat niet berekend is welke gevolgen het toestaan van dakopbouwen in een groot deel van het plangebied heeft voor de parkeerbehoefte. De raad heeft, nu niet in geschil is dat zich reeds een parkeertekort voordoet, niet inzichtelijk gemaakt wat dit betekent voor de parkeersituatie. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen. Het betoog slaagt.

Behoefte aan speelvoorzieningen

7. De stichting betoogt dat onvoldoende is onderzocht welke gevolgen het toestaan van dakopbouwen heeft voor de behoefte aan speelvoorzieningen. Volgens de stichting kan de behoefte aan speelvoorzieningen voor kinderen in het plangebied toenemen, omdat gezinnen met kinderen door de mogelijkheid een woning uit te breiden langer in de wijk kunnen blijven wonen en gezinnen groter worden. Het plan voorziet daar volgens de stichting niet in.

7.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor speeltuin, speel- en sportvoorzieningen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, onder d, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor speelvoorzieningen.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, onder d, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsstraat" aangewezen gronden bestemd voor speelvoorzieningen.

7.2. Volgens de plantoelichting zijn in Bezuidenhout enkele speelterreinen aanwezig: aan de Spaarwaterstraat, in de Johannes Camphuijsstraat en in het buurtpark tussen de Carolina van Nassaustraat en de Amalia van Solmsstraat. In 2008 heeft de raad de nota "Spelen in de Stad" vastgesteld. Het vertolkt de ambitie van de gemeente om in de stad een goed aanbod te bieden aan speellocaties voor kinderen en jongeren van verschillende leeftijden. Zowel kwantiteit als kwaliteit speelt daarbij een rol. Bij nieuwe woningbouwlocaties dient in principe de richtlijn van 3% aan openbare speelruimte te worden gehanteerd in relatie tot het "uitgeefbaar" gebied, aldus de plantoelichting. Groenvoorzieningen die ook als informele speel- en/of recreatieruimte kunnen fungeren, worden hierin meegeteld. Verder staat in de plantoelichting dat de ligging aan het Haagse Bos een belangrijke kwaliteit van het wonen in Bezuidenhout is.

7.3. Ingevolge de voornoemde artikelen 8.1, onder g, 18.1, onder d, en 19.1, onder d, van de planregels voorziet het plan in de mogelijkheid nieuwe speelvoorzieningen te realiseren op gronden met de bestemmingen "Groen", "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Verkeer - Verblijfsstraat" en zijn de bestaande speelplaatsen als zodanig bestemd. Als de behoefte aan speelvoorzieningen toeneemt, doordat gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid een dakopbouw te realiseren, staat het plan er derhalve mede gelet op de plantoelichting niet aan in de weg een nieuwe speelvoorziening te realiseren. Het betoog faalt reeds hierom.

Groen

8. De stichting voert aan dat de raad ten onrechte geen visie heeft over het groen in hun wijk. Volgens de stichting is dat nodig omdat de wijk weinig groen kent en het aanwezige groen dreigt te verdwijnen voor parkeerplaatsen en speelvoorzieningen.

8.1. In de plantoelichting wordt in paragraaf 4.6 ingegaan op het aspect "Groen", waarbij wordt verwezen naar de nota "Groen kleurt de stad" van 13 oktober 2005 en de nota "Stedelijke Ecologische Verbindingszones" van 2009. In de nota "Groen kleurt de stad" zijn de doelstellingen en ambities van de raad beschreven. De doelstellingen houden onder meer in dat het beleid een kader biedt voor duurzaamheid bij de inrichting, beheer en gebruik van groen waarbinnen keuzes kunnen worden gemaakt bij ruimtelijke ingrepen die van invloed zijn op het groen in de stad en bij veranderende maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de functies van het groen. De raad ambieert daarbij onder andere om ruimte te bieden aan groen in en om de stad. De raad ziet geen noodzaak om als gevolg van het plan aanvullend of nieuw groenbeleid op te stellen.

8.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groen(voorziening);

b. park (stads-, wijk- en buurtpark);

c. plantsoen;

d. talluds of soortgelijke voorzieningen;

e. (ontsluitings)wegen, verhardingen, fiets en voetpaden;

f. waterlopen en waterpartijen;

g. speeltuin, speel- en sportvoorzieningen;

h. recreatie;

i. ecologische verbindingszone ter plaatse van de Schenk,

en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding:

j. "waterberging" gebruik voor ruimtebehoefte voor waterberging;

k. "openbaar vervoer" gebruik ten behoeve van openbaar vervoer;

l. "horeca tot en met horecacategorie 1", een kiosk ten behoeve van het gebruik in de categorie licht, één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, uitingen van kunst en overige voorzieningen.

8.3. Zoals onder 6.4.2 is overwogen, kan door het toestaan van dakopbouwen in een groot deel van het plangebied meer behoefte ontstaan aan parkeervoorzieningen. Voornoemd artikel 8.1 staat echter niet toe dat de gronden met de bestemming "Groen" gebruikt worden voor parkeren. In zoverre vindt de vrees van de stichting dat groen zal verdwijnen voor parkeerplaatsen geen grondslag in het plan.

8.4. Artikel 8.1 voorziet in de mogelijkheid speelvoorzieningen te realiseren op gronden met de bestemming "Groen". Evenwel is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de toename van het aantal speelvoorzieningen zo groot zal zijn, dat een onevenredige afname van groenvoorzieningen in het plangebied te verwachten is. Gelet op het groenbeleid van de raad en de daarin vastgestelde doelstellingen en ambities, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in Bezuidenhout aanwezige groen niet zal verdwijnen. Het betoog faalt.

Water

9. De stichting betoogt dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de invloed van de in het plan toegelaten ondergrondse bouwwerken, zoals ondergrondse parkeergarages, op de grondwaterstand. Een visie op het grondwaterbeheer ontbreekt volgens de stichting ten onrechte in het plan.

9.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding is neergelegd.

9.2. In paragraaf 4.7.2 van de plantoelichting zijn de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding beschreven. Hierbij zijn de waterkwantiteit en de waterkwaliteit in het plangebied aan de orde gekomen, alsmede de aspecten veiligheid en waterkering, ecologie en Kaderrichtlijn Water en afvalwater en riolering. Wat betreft de waterkwantiteit is toegelicht dat bij toekomstige ontwikkelingen voldaan moet worden aan de waterbergingsnormen. Alle mogelijke kansen voor het bergen van extra water moeten bij de planvorming worden benut. Als bij een nieuwe ontwikkeling het verhard oppervlak toeneemt, moet extra waterberging gerealiseerd worden. Voor zover de stichting betoogt dat het plan een negatieve invloed heeft op de waterkwantiteit, heeft de stichting dit niet aannemelijk gemaakt. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de plantoelichting voldoende zijn beschreven. Het betoog faalt.

Conclusie

10. De conclusie is dat het besluit van 27 juni 2013 gelet op hetgeen is overwogen onder 6.4.2 in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe, door het verrichten van nader onderzoek, voldoende draagkrachtig te motiveren welke gevolgen een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden heeft voor de parkeersituatie in het plangebied, dan wel een nieuw besluit te nemen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

11. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Den Haag op om binnen tien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 6.4.2 het daar omschreven gebrek in het besluit van 27 juni 2013, kenmerk DSO/2013.418, te herstellen en

2. de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

375-780.