Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201307472/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2013, kenmerk 2012-020873, heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van, onder meer, een aantal woningen te Dieren vanwege de N348 en N786.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307472/1/R6.

Datum uitspraak: 14 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Dieren, gemeente Rheden,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Dieren, gemeente Rheden,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2013, kenmerk 2012-020873, heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van, onder meer, een aantal woningen te Dieren vanwege de N348 en N786.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2013, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.D.M. Knegt, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Met het bestreden besluit zijn hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vastgesteld ten behoeve van het inpassingsplan "Traverse Dieren", dat voorziet in de reconstructie van het tracé van de N348 (Burgemeester de Bruinstraat) en N786 (Burgemeester Willemsestraat/Kanaalweg) te Dieren.

2. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] brengen enkele bezwaren naar voren tegen de beoordeling van de geluidhinder in het milieueffectrapport dat voor het inpassingsplan "Traverse Dieren" is opgesteld. In het bestreden besluit staat evenwel dat is uitgegaan van het onderzoeksrapport "IP Traverse Dieren. Akoestisch onderzoek" van Goudappel Coffeng van 12 april 2013 (hierna: het akoestisch onderzoek). De bezwaren van Van Helvoord en [appellant sub 1B] tegen het voornoemde milieueffectrapport kunnen dan ook niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden en zullen daarom buiten bespreking blijven.

3. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de afsluiting van de Doesburgsedijk en het verkeersluw maken van de Harderwijkerweg. Volgens hen leidt dit tot een onderschatting van de verkeersbelasting.

3.1. Het college stelt dat het mogelijk afsluiten of anderszins wijzigen van de Doesburgsedijk en Harderwijkerweg een aangelegenheid is van de gemeente Rheden waarover bij de voorbereiding van het inpassingsplan en het bestreden besluit nog geen definitieve besluitvorming had plaatsgevonden.

3.2. In het inpassingsplan zijn aan de gronden die aansluiten op de Doesburgsedijk en de Harderwijkerweg de bestemming "Verkeer" toegekend.

3.3. Uit de bestemming "Verkeer" van de gronden die aansluiten op de Doesburgsedijk en de Harderwijkerweg in het inpassingsplan volgt niet dat deze wegen afgesloten of anderszins gewijzigd dienen te worden. Voorts hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] niet weersproken dat over de afsluiting of wijziging van de Doesburgsedijk en de Harderwijkerweg ten tijde van het bestreden besluit nog geen definitieve besluitvorming had plaatsgevonden. Daarom faalt het betoog.

4. [appellant sub 2] betoogt voorts dat onduidelijk is of bij de beoordeling van de verkeerseffecten rekening is gehouden met de aanleg van de tunnel onder het spoor voor de N786 waarin het inpassingsplan voorziet. Hij stelt dat deze tunnel verkeer zal aantrekken, met name vrachtverkeer. Daarnaast stelt hij dat volgens het verkeerscirculatieplan van de gemeente Rheden bij de tunnel onder het spoor een veel hogere stijging van de verkeersintensiteit ontstaat dan het college aanneemt.

4.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat bij de beoordeling van de verkeerseffecten is uitgegaan van de aanleg van de tunnel onder het spoor. In het gebruikte verkeersmodel, het Regionale Verkeersmodel (hierna: RVMK), is rekening gehouden met de verschillende typen verkeer. Er is volgens provinciale staten niet gebleken van een toename van het vrachtverkeer als gevolg van de tunnel onder het spoor.

4.2. Het deel van het tracé waar de tunnel onder het spoor voor de N786 is voorzien, behoort tot deelgebied 2 van het MER dat voor het inpassingsplan is gemaakt. Voor dit deelgebied zijn twee varianten, A en B, beschreven. Het inpassingsplan voorziet in variant A. Uit de beschrijving van deze variant in het MER, de in het MER opgenomen kaart en de in het MER opgenomen gegevens over ongelijkvloerse kruisingen blijkt dat variant A uitgaat van een tunnel onder het spoor voor de N786. [appellant sub 2] heeft voorts niet weersproken dat het RVMK rekening houdt met de verschillende typen verkeer. Hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het RVMK wat betreft het verkeer bij de tunnel onder het spoor geen realistisch beeld verschaft. Verder heeft [appellant sub 2] niet toegelicht welke gegevens die bij de voorbereiding van het inpassingsplan en het bestreden besluit zijn gebruikt zouden afwijken van het verkeerscirculatieplan van de gemeente Rheden. Hetgeen hij heeft aangevoerd biedt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de verkeerseffecten van de tunnel onder het spoor niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

5. [appellant sub 2] voert aan dat uit het akoestisch onderzoek ten onrechte niet blijkt of rekening is gehouden met de verkeerslichten op de kruising van de N348 en N786 nabij zijn woning.

5.1. In het akoestisch onderzoek staat dat voor door een verkeersregelinstallatie geregelde kruispunten een kruispuntcorrectie is toegepast, waarmee de invloed van optrekkend en afremmend verkeer op de geluidsbelasting in beschouwing wordt genomen. In tabel 3.3 is bij de kruising van de N348 en N786 voor zowel de huidige situatie als de plansituatie een correctiefactor vermeld. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

6. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte een beoordeling ontbreekt van de gecumuleerde geluidbelasting van het weg- en het spoorverkeer.

6.1. Bijlage 10 van het akoestisch onderzoek bevat een tabel met gecumuleerde geluidsbelastingen van het weg- en spoorverkeer. Daarom mist het betoog feitelijke grondslag.

7. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening houdt met de voorgenomen sloop van enkele woningen aan de Burgemeester Willemsestraat 8 tot en met 14, die nu nog enige afschermende werking hebben.

7.1. In het akoestisch onderzoek staat op blz. 10-11 dat in het geluidmodel is uitgegaan van het amoveren van de woningen met de adressen [locaties]. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

8. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen dat in het akoestisch onderzoek is gerekend met een geluidscherm van 2 m hoog nabij hun woningen, maar dat onduidelijk is of is onderkend dat hun woningen ongeveer 1 m hoger zijn gelegen ten opzichte van de plaats waar het geluidscherm is gepland. [appellant sub 2] stelt tevens dat dit geluidscherm meer dan 4 m hoog moet zijn om effectief te kunnen zijn.

8.1. Het college stelt dat de geluidberekeningen uitgaan van de bestaande hoogteverschillen in het terrein. Uit het landschapsplan volgt volgens het college dat de maximale hoogte van een geluidscherm ter plaatse 2 m is. Ter zitting heeft het college tevens gesteld dat een geluidscherm van 4 m leidt tot een niet hoorbare reductie van de geluidbelasting van 1 dB. Bovendien is zo’n hoog geluidscherm te duur, aldus het college ter zitting.

8.2. In het akoestisch onderzoek staat dat de hoogteligging is gebaseerd op ingemeten hoogtebestanden en dat de kern van Dieren is ingevoerd op basis van hoogtelijnen. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben dit niet gemotiveerd weersproken en hebben evenmin de juistheid van de gebruikte bron voor de hoogte-informatie betwist. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de hoogteligging van hun woningen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, anders dan het college stelt, een geluidscherm nabij zijn woning van 4 m in plaats van 2 m een vermindering van de geluidbelasting van meer dan 1 dB tot gevolg zou hebben. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

9. [appellant sub 2] betoogt dat onduidelijk is van welke afstand tussen de N786 en zijn woning is uitgegaan. Hij stelt in dit verband dat de uiteindelijke inrichting van de weg niet op de verbeelding van het inpassingsplan is vastgelegd.

9.1. Het college stelt dat op figuur 5.4 van het akoestisch onderzoek te zien is van welke rijlijnen is uitgegaan.

9.2. Op figuur 5.4 van het akoestisch onderzoek is weergegeven van welke rijlijnen bij de berekening is uitgegaan. Op de figuur is tevens de bebouwing weergegeven. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de zorgvuldigheid in dit geval vereist dat in het akoestisch onderzoek de precieze afstand tussen de rijlijnen en de woning van [appellant sub 2] had moeten worden vermeld. Wat de gekozen plek voor de rijlijnen betreft, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat deze geen realistische vertaling is van hetgeen het inpassingsplan mogelijk maakt. Daarom faalt het betoog.

10. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar maatregelen die genomen zouden kunnen worden om te voldoen aan de provinciale normen.

10.1. In het bestreden besluit staat dat de aangevraagde hogere waarden voor de woningen van appellanten hoger zijn dan het provinciaal beleid toestaat, maar dat in dit geval van dat beleid kan worden afgeweken, omdat - onder meer - geen aanvullende maatregelen mogelijk zijn. Die maatregelen zouden volgens het bestreden besluit namelijk in strijd zijn met het landschapsplan of niet doelmatig zijn. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

11. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] stellen dat het akoestisch onderzoek is gebaseerd op de Basisregistraties Adressen en Gebouwen van januari 2011, maar dat onduidelijk is of deze gegevens ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit actueel waren.

11.1. Het college stelt dat bij het opstellen van het akoestisch onderzoek een gedetailleerde inventarisatie is gemaakt van de aanwezige gebouwen binnen het studiegebied en dat waar nodig de invoergegevens zijn aangepast. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben dit niet weersproken. Zij hebben ook niet gesteld dat de voor hun woningen relevante gegevens onjuist zijn. Reeds om deze redenen faalt het betoog.

12. De beroepen zijn ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Jacobs

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2014

717.