Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201306688/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Striene" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/218

Uitspraak

201306688/1/R6.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Strijen,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Strijen,

3. [appellant sub 3], gevestigd te Strijen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Strijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Striene" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de rechtspersoon naar buitenlands recht Lidl Nederland GmbH (hierna: Lidl Nederland) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 3], de raad en Lidl Nederland hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht, [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door L. Bos en J. de Pee, beiden werkzaam bij de gemeente, en drs. W.L. Verweij, werkzaam bij Rho adviseurs, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Lidl Nederland, vertegenwoordigd door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen, en ing. R. Blom.

Overwegingen

Intrekking beroepsgrond

1. Ter zitting heeft [appellant sub 3] de beroepsgrond over de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet ingetrokken.

Het plan

2. Het plan maakt de bouw van een supermarkt en 18 woningen en de aanleg van een parkeerterrein mogelijk op de voormalige school- en bedrijfslocatie De Striene te Strijen. Aanleiding voor de vaststelling van het plan is de wens van de raad om een tweede volwaardige supermarkt in Strijen te realiseren. Sinds de sluiting van de C1000-supermarkt aan de Oranjestraat in 2011 is er in Strijen nog maar één supermarkt aanwezig.

Algemeen toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3]

4. [appellant sub 3] exploiteert een Albert Heijn-supermarkt aan de Kerkstraat te Strijen. Het plangebied ligt aan de achterkant van het pand waarin deze supermarkt is gevestigd. Daarnaast is [appellant sub 3] huurder van het pand aan de Oranjestraat waarop voorheen een C1000-supermarkt was gevestigd; zij heeft daar thans een drietal winkels gevestigd.

Aantal supermarkten en locatie

5. [appellant sub 3] kan zich er niet mee verenigen dat de raad in het plan een supermarkt op locatie De Striene mogelijk heeft gemaakt.

6. [appellant sub 3] voert in de eerste plaats aan dat het toestaan van een supermarkt op locatie De Striene in strijd is met het gemeentelijke beleid, zoals neergelegd in de Centrumvisie Strijen (hierna: de Centrumvisie) uit 2010, omdat daar volgens dat beleid alleen wonen en geen dorpsfuncties zijn toegestaan. Voorts betoogt zij dat de raad dit beleid in de structuurvisie "Compleet Strijen! Strij(d)en voor kwaliteit en vitaliteit: structuurvisie gemeente Strijen" (hierna: de Structuurvisie) ten onrechte heeft gewijzigd.

6.1. De Centrumvisie is door de raad vastgesteld op 26 januari 2010. In paragraaf 3.3 van de Centrumvisie is vermeld dat is gekozen voor twee volwaardige supermarkten. Volgens de Centrumvisie is er geen ruimte voor een derde supermarkt in Strijen. Als locatie voor de twee supermarkten zijn aangewezen de locatie van de Albert Heijn-supermarkt aan de Kerkstraat en de locatie aan de Oranjestraat waar destijds de C1000-supermarkt was gevestigd.

De Centrumvisie is echter op dit punt gewijzigd door de Structuurvisie, die de raad op 25 september 2012 heeft vastgesteld. In paragraaf 1.1 van de Structuurvisie is vermeld dat in plaats van een supermarkt op iedere "pool" van het kernwinkelgebied, zoals in de Centrumvisie, gekozen wordt voor concentratie van twee supermarkten in het centrumgebied. Uit paragraaf 3.2 blijkt dat dit de locatie aan de Kerkstraat en de daarachter gelegen locatie De Striene betreft.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan had moeten houden aan het beleid uit de Centrumvisie. Dit beleid was - voor zover het de locaties voor supermarkten betreft - ten tijde van de vaststelling van het plan immers reeds vervangen door het beleid uit de Structuurvisie.

6.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] dat de raad met de vaststelling van de Structuurvisie niet is gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, overweegt de Afdeling het volgende.

Voorop staat dat de raad een grote mate van vrijheid heeft om beleid vast te stellen en te wijzigen. De wijziging van het beleid uit de Centrumvisie is ingegeven door de gewijzigde omstandigheden die door het stopzetten van de exploitatie van de C1000-supermarkt in de Oranjestraat zijn ontstaan. In de Centrumvisie zijn de panden van de destijds bestaande supermarkten aangewezen als locaties voor de twee supermarkten in Strijen. Op het moment dat de Structuurvisie werd vastgesteld, bestond het C1000-filiaal in de Oranjestraat al geruime tijd niet meer. In de gewijzigde situatie die daardoor is ontstaan, heeft de raad een concentratie van twee supermarkten in elkaars nabijheid wenselijk geacht, omdat de supermarkten dan samen een sterk geheel vormen. Aan de wijziging van het beleid heeft de raad voorts onder meer ten grondslag gelegd dat het winkelpand aan de Oranjestraat wegens parkeerproblemen en de omvang minder geschikt is voor een volwaardige supermarkt; verschillende supermarktketens hebben de raad desgevraagd laten weten om die redenen geen belangstelling te hebben voor dit pand. Bovendien is niet gebleken dat [appellant sub 3] ten tijde van de vaststelling van de Structuurvisie reeds concrete plannen om een supermarkt aan de Oranjestraat te vestigen aan de raad kenbaar had gemaakt.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad met de vaststelling van de Structuurvisie, waarbij het beleid uit de Centrumvisie is gewijzigd, buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden.

Het betoog faalt.

7. Daarnaast voert [appellant sub 3] aan dat volgens de Structuurvisie op De Striene alleen een supermarkt mag worden ontwikkeld als sprake is van een concentratie van twee supermarkten.

7.1. Volgens paragraaf 3.2 van de Structuurvisie is gekozen voor een concentratie van twee supermarkten. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, is daarmee echter niet bedoeld dat op de locatie De Striene een concentratie van twee supermarkten moet worden gerealiseerd. De bedoelde concentratie van twee supermarkten bestaat uit de supermarkt op De Striene en de nabijgelegen supermarkt aan de Kerkstraat. Dit blijkt onder meer uit de visiekaart die in paragraaf 3.2 van de Structuurvisie is opgenomen. Het plan is op dit punt dan ook niet in strijd met de Structuurvisie.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 3] betoogt voorts dat het plan ten onrechte de vestiging van een derde supermarkt in de dorpskern van Strijen mogelijk maakt. Dit is volgens haar in strijd met de Structuurvisie en met een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 3] stelt dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpskern Strijen" op de locatie aan de Oranjestraat waar de C1000-supermarkt was gevestigd nog altijd een supermarkt toestaat en dat deze locatie - na een aantal aanpassingen en uitbreiding met een achtergelegen perceel - daarvoor ook feitelijk nog steeds geschikt is. Zij stelt dat HW Wonen bereid is het achtergelegen perceel hiervoor te verkopen. Verder stelt [appellant sub 3] dat er in distributieplanologisch opzicht geen ruimte is voor een derde supermarkt in de dorpskern van Strijen. Zij verwijst daarbij naar een onderzoek van BRO van 14 maart 2013, dat in opdracht van [appellant sub 3] is opgesteld.

8.1. De raad is er bij de vaststelling van het plan van uitgegaan dat het plan niet een derde, maar een tweede supermarkt in de dorpskern van Strijen mogelijk maakt. De voormalige C1000-supermarkt is al sinds 2011 niet meer in bedrijf en het winkelpand is volgens de raad niet geschikt voor een volwaardige supermarkt. Een terugkeer van een supermarkt op de C1000-locatie aan de Oranjestraat is daarom volgens de raad niet te verwachten.

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft de raad een voorbereidingsbesluit genomen dat voor de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden" een verbod bevat om het bestaande gebruik van de gronden of bouwwerken zoals dat bestond op het moment van inwerkingtreding van het besluit te wijzigen in een ander gebruik. Bij omgevingsvergunning kan van dit verbod worden afgeweken, tenzij het gebruik een supermarkt betreft.

8.2. Uit de stukken blijkt dat de raad maximaal twee supermarkten wenselijk acht en geen derde supermarkt in Strijen heeft willen toestaan. Nu [appellant sub 3] en de raad niet van mening verschillen over de vraag of er distributieplanologisch ruimte is voor drie supermarkten in de dorpskern van Strijen, hoeft op het betoog van [appellant sub 3] daarover niet inhoudelijk te worden ingegaan.

8.3. In het bestemmingsplan "Dorpskern Strijen" is aan grote delen van het dorpscentrum de bestemming "Centrumdoeleinden" toegekend. Uit de stukken blijkt dat op gronden met deze bestemming onder meer detailhandelsbedrijven zijn toegestaan. Dit geldt ook voor de voormalige C1000-locatie aan de Oranjestraat. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de vestiging van een supermarkt op die locatie in planologisch opzicht dus nog altijd mogelijk. De door de raad gewenste beperking tot maximaal twee supermarkten was derhalve niet bindend vastgelegd in het geldende planologische regime.

Dat de raad inmiddels een voorbereidingsbesluit heeft genomen dat aan de vestiging van een nieuwe supermarkt op de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden" in de weg staat, doet daaraan niet af, reeds omdat dit besluit dateert van na de vaststelling van het plan. Het voorbereidingsbesluit staat in deze procedure niet ter beoordeling. De beroepsgronden die [appellant sub 3] daarover heeft aangevoerd, kunnen daarom niet slagen.

8.4. Ter beoordeling staat vervolgens of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het winkelpand aan de Oranjestraat onder de huidige omstandigheden feitelijk niet geschikt is voor de vestiging van een nieuwe volwaardige supermarkt.

De raad heeft in dat verband allereerst naar voren gebracht dat het winkelpand te klein is voor een volwaardige supermarkt, omdat de C1000 een oppervlakte van slechts 660 m2 winkelvloeroppervlak (wvo) had en voor een volwaardige supermarkt minimaal 1.250 m2 wvo nodig is. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voorts heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat het winkelpand door de aankoop van aangrenzende percelen kan worden uitgebreid. Daarbij is van belang dat HW Wonen in een door de raad overgelegde brief van 4 november 2013 heeft verklaard dat zij niet voornemens is het perceel [locatie 1] aan [appellant sub 3] te verkopen en dat zij een uitbreiding van de C1000-locatie waarbij parkeerplaatsen worden gerealiseerd op dit perceel niet reëel acht. Bovendien is niet gebleken dat [appellant sub 3] ten tijde van de vaststelling van het plan reeds concrete voornemens aan de raad kenbaar had gemaakt om een supermarkt aan de Oranjestraat te vestigen en daarvoor het winkelpand op deze wijze uit te breiden.

De raad heeft daarnaast naar voren gebracht dat op de locatie Oranjestraat onvoldoende parkeergelegenheid voor een volwaardige supermarkt aanwezig is. Volgens de raad gaat het om een tekort van 6 tot 22 parkeerplaatsen. Uit een onderzoek van Rho blijkt volgens de raad dat geen van de door [appellant sub 3] voorgestelde oplossingen voor de parkeerproblematiek geschikt is, omdat deze leiden tot een ongewenste verkeerskundige situatie of omdat parkeerplaatsen zouden worden aangelegd op gronden van derden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Voorts ziet de raad verkeerstechnische problemen in verband met het laden en lossen aan de achterzijde van het pand. Ook hierom acht hij de vestiging van een nieuwe en grotere supermarkt in het pand aan de Oranjestraat niet gewenst.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voormalige C1000-locatie aan de Oranjestraat ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk niet meer geschikt was voor de vestiging van een nieuwe volwaardige supermarkt.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 3] voert aan dat het plan een nieuwe supermarkt mogelijk maakt op gronden buiten het kernwinkelgebied van Strijen. Dit is volgens haar in strijd met het provinciale beleid om op gronden buiten bestaande winkelconcentraties in centra van steden en dorpen geen nieuwe detailhandel mogelijk te maken, zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de verordening).

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met provinciaal beleid of met de verordening, omdat met de ontwikkeling van De Striene wordt aangesloten op het bestaande winkelgebied in het centrum van Strijen. De raad stelt verder dat een zorgvuldige afweging van ruimtelijke mogelijkheden heeft plaatsgevonden, waarbij alle mogelijke opties voor het vestigen van een supermarkt in het centrumgebied zijn onderzocht. De Striene bleek de meest geschikte en haalbare locatie te zijn. Er zijn geen bestaande winkelpanden die geschikt zijn om een supermarkt te vestigen, aldus de raad.

9.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de verordening wijst een bestemmingsplan voor gronden die zijn gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden winkelcentra geen bestemmingen aan die nieuwe detailhandel mogelijk maken.

9.3. Het plan maakt nieuwe detailhandel mogelijk op De Striene, aangezien op die locatie thans geen winkels zijn gevestigd en op grond van het vorige plan op deze locatie geen detailhandel was toegestaan.

In de toelichting bij artikel 9 van de verordening is vermeld dat het detailhandelsbeleid van de provincie als doelstelling heeft de detailhandelsstructuur te versterken en de dynamiek in de sector te bevorderen. Uitgangspunt is dat nieuwe detailhandel gevestigd moet worden in de bestaande winkelgebieden in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden winkelcentra. Uit de toelichting leidt de Afdeling af dat met artikel 9, eerste lid, van de verordening is beoogd het aantal winkelconcentraties te beperken en te voorkomen dat de kwaliteit van de bestaande winkelconcentratiegebieden in stads-, dorps- en wijkcentra wordt aangetast door de verplaatsing van detailhandel naar locaties buiten deze gebieden. Naar het oordeel van de Afdeling is met deze bepaling niet beoogd de uitbreiding van bestaande winkelgebieden tegen te gaan in een geval waarin er binnen dat gebied geen geschikte ruimte meer is. Hieruit volgt dat voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, van de verordening deze bepaling zo dient te worden uitgelegd, dat die bepaling niet in de weg staat aan het zodanig bestemmen van gronden grenzend aan een winkelconcentratiegebied dat daar detailhandel wordt toegestaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het winkelgebied in het centrum van Strijen thans is geconcentreerd rond de Kerkstraat. De Striene ligt achter de Albert Heijn-supermarkt aan de Kerkstraat en sluit derhalve rechtstreeks aan op dit winkelgebied. Het parkeerterrein van de nieuwe supermarkt op De Striene is een uitbreiding van het bestaande parkeerterrein dat onder meer ten behoeve van Albert Heijn in gebruik is. Met het mogelijk maken van detailhandel op De Striene wordt het winkelgebied in het dorpscentrum derhalve vergroot. De Afdeling acht het aannemelijk dat een tweede volwaardige supermarkt in de onmiddellijke nabijheid van de bestaande supermarkt het winkelgebied in en rond de Kerkstraat kan versterken, zoals de raad heeft betoogd. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft in dit geval dan ook niet voor aantasting van de kwaliteit van het bestaande winkelgebied te worden gevreesd.

Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 9, eerste lid, van de verordening vastgesteld.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 3] betoogt tevens dat het plan in strijd is met de uitgangspunten voor duurzaam ruimtegebruik, de zogenoemde SER-ladder, omdat de raad onvoldoende heeft bezien of voor de nieuwe supermarkt herstructurering of transformatie van bestaande winkelpanden mogelijk was geweest. In het bijzonder doelt zij op het pand aan de Oranjestraat. De raad heeft daarom gehandeld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), aldus [appellant sub 3].

10.1. Volgens de raad voldoet het plan aan het criterium van herstructurering, intensivering en/of transformatie in het bestaande stedelijk gebied, nu een voormalige school- en bedrijfslocatie in het bestaande centrumgebied wordt hergebruikt. Het plan is volgens de raad dan ook niet in strijd met de uitgangspunten van duurzaam ruimtegebruik en het is niet nodig de stappen van de SER-ladder verder te doorlopen.

10.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

10.3. Niet bestreden is dat de vestiging van de nieuwe supermarkt voorziet in een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. Ter beoordeling staat daarom slechts of is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro.

Het plangebied is een voormalige school- en bedrijfslocatie. Voor de supermarkt en de woningen die het plan mogelijk maakt, worden derhalve beschikbare gronden in bestaand stedelijk gebied benut door herstructurering. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, volgt uit artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, niet dat voor nieuwe detailhandel bestaande winkelpanden moeten worden hergebruikt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro is vastgesteld.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 3] betoogt tevens dat voorafgaand aan het opstellen van de Centrumvisie namens de raad het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat op locatie De Striene geen supermarkt zou worden toegestaan. Zij ontleent dit aan de reactie van de raad op de door haar naar voren gebrachte wens om op De Striene een nieuw winkelpand voor haar Albert Heijn-filiaal te realiseren met daarnaast een tweede (discount)supermarkt. Naar aanleiding van de afwijzing van dit voorstel heeft [appellant sub 3] geïnvesteerd in uitbreiding van het winkelpand aan de Kerkstraat en de uitbreiding van de parkeervoorzieningen.

11.1. Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 3] in 2008 in de inspraakprocedure over het ontwerp van de Centrumvisie aan de raad heeft verzocht om op De Striene een nieuw winkelpand voor haar Albert Heijn-supermarkt te mogen bouwen met daarnaast een discountsupermarkt. De raad heeft dit verzoek afgewezen. De raad heeft daarbij overwogen dat een ontwikkeling van een of twee supermarkten op De Striene niet wenselijk is, onder meer omdat de supermarktlocatie van Albert Heijn aan de Kerkstraat dient te worden behouden ter ondersteuning van de winkels aan de Kerkstraat en omdat de locatie van de C1000 het meest geschikt werd geacht als locatie voor een tweede supermarkt.

Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellant sub 3] aan de reactie van de raad op de hiervoor bedoelde inspraakreactie over het ontwerp van de Centrumvisie niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat nooit een supermarkt op De Striene mogelijk zou worden gemaakt. De raad heeft daarmee immers gereageerd op een concreet voorstel tot het vestigen van twee supermarkten op De Striene, waarbij ook het bestaande Albert Heijn-filiaal uit de Kerkstraat zou worden verplaatst. Daaruit kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat de raad de toezegging heeft willen doen dat de vestiging van een supermarkt op De Striene in de toekomst onder geen enkele omstandigheid zou worden toegestaan. Daarbij komt mede belang toe aan het feit dat de omstandigheden sinds de vaststelling van de Centrumvisie zijn veranderd, onder meer door de sluiting van het C1000-filiaal aan de Oranjestraat.

Gelet op het voorgaande heeft de raad het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog faalt.

Parkeren

12. [appellant sub 3] voert aan dat onvoldoende is voorzien in dekking van de parkeerbehoefte voor de nieuwe supermarkt en appartementen die het plan mogelijk maakt. Als gevolg van het tekort aan parkeerplaatsen zullen bezoekers van de nieuwe supermarkt volgens [appellant sub 3] parkeerplaatsen gebruiken die door haar zijn aangelegd en bij haar in bezit zijn. In het bijzonder doelt zij op de parkeerplaatsen op het parkeerterrein aan de achterzijde van haar winkelpand. Dit zal zich volgens [appellant sub 3] met name voordoen op piekmomenten op de vrijdag en zaterdag.

[appellant sub 3] betoogt in dit verband allereerst dat niet wordt voldaan aan de actuele normen van CROW. Hierdoor ontstaat volgens haar een tekort van ongeveer 20 parkeerplaatsen. Zij verwijst in dat verband naar een tegenonderzoek van BRO van 7 augustus 2013, dat in haar opdracht is verricht. [appellant sub 3] stelt tevens dat in het parkeeronderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd ten onrechte geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen en met het feit dat de bewoners in de praktijk ook gebruik zullen maken van de parkeerplaatsen voor de supermarkt.

[appellant sub 3] betoogt verder dat de raad bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen ten onrechte van een omvang van 1.245 m2 bvo voor de supermarkt is uitgegaan. Nu het bestemmingsvlak met de bestemming "Detailhandel - Supermarkt" volledig kan worden bebouwd, maakt het plan een omvang van 1.385 m2 bvo mogelijk. Dit betekent dat 6 extra parkeerplaatsen nodig zijn.

Daarnaast betoogt [appellant sub 3] dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar plan om de drie winkels die thans in het pand aan de Oranjestraat gevestigd zijn in de toekomst terug te verplaatsen naar de Kerkstraat tegenover het Albert Heijn-filiaal. Hiervoor zijn in de omgeving 24 extra parkeerplaatsen nodig.

12.1. De raad stelt dat in de ontwerpfase van het plan is uitgegaan van de parkeernormen uit CROW-publicatie 182 uit 2008. Met behulp van die parkeernormen is een parkeerbehoefte van 84 parkeerplaatsen berekend voor de 18 woningen en de supermarkt samen. Deze 84 parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. Het betreft 43 nieuwe parkeerplaatsen langs de Trambaan en 41 nieuwe parkeerplaatsen op het bestaande parkeerterrein op De Striene.

Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 3] over het ontwerpplan heeft de raad de parkeerbehoefte opnieuw laten berekenen door Grontmij. Daarbij is gebruik gemaakt van de geactualiseerde kencijfers voor de parkeerbehoefte uit CROW-publicatie 317 uit 2012. Op basis van die kencijfers komt de raad tot een parkeerbehoefte van 100 parkeerplaatsen voor de woningen en de supermarkt samen. Omdat in het plangebied slechts 84 nieuwe parkeerplaatsen worden voorzien, heeft de raad onderzocht of in de omgeving voldoende restcapaciteit aanwezig is om een eventuele parkeerpiek op te vangen. Daarvoor is onderzocht of in de omgeving op een piekmoment nog ten minste 16 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. In het onderzoek van Grontmij is de parkeerbezetting op de parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied onderzocht. Op grond van dit onderzoek heeft de raad geconcludeerd dat op de maatgevende piekmomenten, te weten vrijdag en zaterdag, voldoende restcapaciteit in de omgeving aanwezig is om de parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen op te vangen.

De raad stelt verder dat de parkeerplaatsen aan de achterkant van de Albert Heijn-supermarkt geen eigendom van [appellant sub 3] zijn en ook niet volledig door haar zijn bekostigd. Het gaat volgens de raad om parkeerplaatsen in openbaar gebied. Nu uit het onderzoek van Grontmij blijkt dat deze plaatsen ook op piekmomenten slechts gedeeltelijk bezet zijn, heeft de raad deze parkeerplaatsen meegeteld bij de bepaling van de restcapaciteit.

12.2. Het betoog dat de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte niet van de meest recente kencijfers van CROW is uitgegaan, mist feitelijke grondslag. Uit de plantoelichting blijkt immers dat de raad naar aanleiding van de zienswijzen de parkeerbehoefte heeft herberekend aan de hand van CROW-publicatie 317 uit 2012. Op basis daarvan heeft de raad de parkeerbehoefte voor de supermarkt en de nieuwe woningen vastgesteld op 100 parkeerplaatsen.

12.3. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad bij de berekening van de parkeerbehoefte voor de supermarkt is uitgegaan van een kencijfer van 5,6 parkeerplaatsen per 100 m² bvo, zoals vermeld in CROW-publicatie 317. De raad is daarbij uitgegaan van een bvo van 1.245 m2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dit in redelijkheid als een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden kunnen beschouwen. Weliswaar is de oppervlakte van het bestemmingsvlak met de bestemming "Detailhandel - Supermarkt" groter en mag volgens de planregels binnen het gehele bestemmingsvlak worden gebouwd, maar niet aannemelijk is dat die gehele ruimte daadwerkelijk kan worden benut voor het creëren van bvo voor de supermarkt. Binnen het bestemmingsvlak dienen immers ook de benodigde voorzieningen zoals toegangswegen en de laad- en losplaats te worden gerealiseerd.

Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen uitgaan van een parkeerbehoefte van 100 plaatsen voor de supermarkt en de nieuwe woningen samen.

12.4. Het betoog van [appellant sub 3] dat in het parkeeronderzoek geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen mist eveneens feitelijke grondslag. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad hiermee rekening heeft gehouden en daarbij is uitgegaan van een behoefte van 1,8 parkeerplaatsen per woning.

Van de benodigde 100 parkeerplaatsen worden er 84 binnen het plangebied aangelegd, deels langs de Trambaan en deels langs De Striene. Voor zover het daadwerkelijk zal voorkomen dat bewoners niet langs de Trambaan parkeren, maar op het parkeerterrein bij de supermarkt, zoals [appellant sub 3] verwacht, blijven er langs de Trambaan parkeerplaatsen leeg die zo nodig door klanten van de supermarkt kunnen worden gebruikt. De Afdeling ziet geen grond voor de verwachting dat dit tot ernstige parkeerproblemen zal leiden.

12.5. Met betrekking tot het betoog dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de parkeerbehoefte van de drie winkels die [appellant sub 3] wil terugverplaatsen naar de Kerkstraat overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat de parkeerplaatsen op De Striene en in de omgeving van het plangebied volgens [appellant sub 3] tevens nodig zijn voor de bezoekers van deze drie winkels, zodat de bezettingsgraad op die parkeerplaatsen hoger zal zijn dan de raad bij de vaststelling van het plan heeft aangenomen. De raad heeft hierover ter zitting gesteld dat voor zover de winkels in bestaande winkelpanden worden gevestigd, rekening is gehouden met de parkeerbehoefte voor die winkels. Voor zover nieuwe winkelpanden worden toegevoegd, moet volgens de raad bij de verlening van de omgevingsvergunning voor die ontwikkeling aan de parkeernormen worden getoetst en zo nodig in extra parkeerplaatsen ten behoeve van de winkels worden voorzien. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van het standpunt van de raad te twijfelen.

12.6. Met betrekking tot het betoog dat geheel binnen het plangebied in de parkeerbehoefte van de supermarkt en de appartementen moet worden voorzien, overweegt de Afdeling het volgende.

Het plan maakt de aanleg van 84 nieuwe parkeerplaatsen binnen het plangebied mogelijk. Nu de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt een extra parkeerbehoefte van 100 plaatsen veroorzaken, heeft de raad beoordeeld of in de omgeving van het plangebied in de resterende parkeerbehoefte van 16 plaatsen kan worden voorzien. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, hoefde de raad het in het belang van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk te achten dat alle benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied worden gerealiseerd.

Ter beoordeling staat dan ook of de raad op grond van de uitgevoerde onderzoeken heeft kunnen concluderen dat in de omgeving van het plangebied voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn om in de resterende parkeerbehoefte te voorzien.

Volgens het parkeeronderzoek zijn er in de directe omgeving van het plangebied in totaal 155 parkeerplaatsen in 7 parkeersecties. Daartoe behoren onder meer de 52 plaatsen op het huidige parkeerterrein op De Striene. Dit terrein wordt mede door Albert Heijn gebruikt, maar is een openbaar terrein. Deze parkeerplaatsen blijven bij de bouw van de supermarkt en de woningen op De Striene behouden. Volgens het parkeeronderzoek is de parkeerdruk, dat wil zeggen het aantal geparkeerde auto’s ten opzichte van het aantal plaatsen, op het parkeerterrein op De Striene lager dan 50%. Dit geldt ook voor de piekmomenten op vrijdag en zaterdag. In alle parkeersecties samen is de parkeerdruk volgens het parkeeronderzoek eveneens lager dan 50%, ook op vrijdag en zaterdag. Gelet hierop kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat in de openbare ruimte rond het plangebied voldoende parkeercapaciteit aanwezig is om te voorzien in de resterende parkeerbehoefte van 16 plaatsen die niet binnen het plangebied worden gerealiseerd.

12.7. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt geen ernstige parkeerproblemen in het plangebied en de omgeving daarvan zullen veroorzaken.

Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

13. [appellant sub 3] voert aan dat de uitvoerbaarheid van het plan onzeker is. In het bijzonder betwijfelt zij de uitvoerbaarheid van de woningbouw die het plan mogelijk maakt. De anterieure overeenkomsten met HW Wonen en Hoekse Waard Beheer B.V. bieden volgens [appellant sub 3] geen zekerheid dat het gehele project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Uit de overeenkomsten blijkt volgens haar dat de supermarkt en de woningen mogelijk niet gelijktijdig worden ontwikkeld. [appellant sub 3] betoogt tevens dat in de gemeente Strijen reeds voldoende woningbouwlocaties beschikbaar zijn en dat sinds 2005 slechts een derde van de oorspronkelijk geplande woningen in de gemeente is gerealiseerd.

13.1. De raad stelt dat met Lidl Nederland concrete afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling van de supermarkt. De woningen zullen volgens de raad door woningstichting HW Wonen als seniorenappartementen worden gerealiseerd. Volgens de raad beschikt HW Wonen over voldoende financiële middelen om het project uit te voeren en is zij bereid een eventuele onrendabele top op deze locatie te accepteren. De raad wijst er verder op dat in de overeenkomsten die met HW Wonen en Hoekse Waard Beheer B.V. zijn gesloten, is bepaald dat deze partijen binnen acht weken na het onherroepelijk worden van het plan aanvragen moeten indienen voor de door hen te verrichten werkzaamheden. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat binnen de planperiode voldoende behoefte bestaat aan de woningen. De raad wijst daarbij op de regionale Woonvisie Hoeksche Waard uit 2010 en de gemeentelijke Volkshuisvestingsnota 2003-2015, waaruit volgens hem volgt dat behoefte bestaat aan woningbouw voor senioren.

13.2. Gelet op hetgeen de raad in onder meer de plantoelichting naar voren heeft gebracht, is de behoefte aan de 18 nieuwe appartementen die het plan mogelijk maakt naar het oordeel van de Afdeling voldoende aangetoond. De enkele omstandigheid dat de supermarkt en de woningen mogelijk niet gelijktijdig worden gerealiseerd, kan - wat daarvan ook zij - niet tot de conclusie leiden dat het plan niet binnen de planperiode van tien jaar kan worden uitgevoerd. Verder heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen de raad naar voren heeft gebracht over de financiering van het project door HW Wonen onjuist is. Gelet hierop en gelet op de overeenkomsten met HW Wonen en Hoekse Waard Beheer B.V. ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan binnen de planperiode van tien jaar financieel niet uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]

Woon- en leefklimaat - geluid

14. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat zij onaanvaardbare geluidhinder zullen ondervinden als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt.

15. In dat verband voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat het verleggen van de wegas van de Trambaan in de richting van hun woningen veel geluidhinder zal veroorzaken.

15.1. In de plantoelichting staat dat de wegas van de Trambaan in de toekomstige situatie dichter naar de woningen wordt verschoven in verband met de te realiseren parkeerplaatsen. In verband met de voorgenomen verlegging van de wegas is een reconstructieonderzoek uitgevoerd voor de bestaande woningen. Daaruit blijkt dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de gevel van de woning aan [locatie 2]door de verlegging van de wegas toeneemt van 59,46 dB in de bestaande situatie naar 60,24 dB. Dit is een toename van 0,78 dB. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze toename in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling bovendien geen grond voor het oordeel dat de raad niet van de juistheid van de uitkomsten van de geluidberekeningen kon uitgaan.

Het betoog faalt.

16. [appellant sub 1] en anderen bestrijden daarnaast de betrouwbaarheid van het gebruikte rekenmodel voor de berekening van de geluidniveaus.

16.1. De raad stelt dat de geluidbelasting in een nieuwe situatie altijd met behulp van een rekenmodel wordt berekend; metingen zijn in zo’n geval niet mogelijk. De berekeningen in het akoestisch onderzoek zijn uitgevoerd met het model Geomilieu, dat volgens de raad voldoet aan het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder. In paragraaf 3.2 van het akoestisch onderzoek is vermeld dat het rekenmodel in overeenstemming is met de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat aan de betrouwbaarheid van het gebruikte rekenmodel moet worden getwijfeld.

Het betoog faalt.

17. [appellant sub 1] en anderen vrezen in het bijzonder geluidhinder vanwege het laden en lossen op de laad- en losplaats van de supermarkt, die achter hun tuinen ligt. Zij betogen dat in het plan maatregelen hadden moeten worden voorgeschreven om de geluidhinder ter plaatse van hun woningen te beperken. Het plan bevat volgens hen ten onrechte slechts maatregelen ter beperking van geluidhinder bij de nieuwe appartementen, namelijk een dove gevel aan de zijde van de laad- en losplaats. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen dat onvoldoende rekening is gehouden met een aantal geluidbronnen, zoals koel- en airco-installaties op de gebouwen en koelinstallaties van vrachtwagens.

17.1. Uit de verbeelding in samenhang met artikel 3, lid 3.1, van de planregels volgt dat de laad- en losplaats voor de supermarkt uitsluitend mag worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding "laad- en losplaats" op de gronden met de bestemming "Detailhandel - Supermarkt". De locatie voor de laad- en losplaats bevindt zich direct achter de tuinen van de woningen van [appellant sub 1] en anderen.

17.2. Voor zover [appellant sub 1] betogen dat bepaalde geluidbronnen ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten, overweegt de Afdeling het volgende. Bij de beoordeling van het aspect geluidhinder heeft de raad zich gebaseerd op het akoestisch rapport dat bij de voorbereiding van het plan is opgesteld. Het akoestisch onderzoek bevat een beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie met de daarbij behorende geluidbronnen en de bronniveaus daarvan. Volgens de raad is rekening gehouden met alle geluidbronnen die deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie, waaronder ook de transportkoeling en de koeling van de supermarkt. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Het betoog faalt.

17.3. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Bij de beoordeling van het langtijdgemiddelde geluidniveau heeft de raad aansluiting gezocht bij de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Paragraaf B5.3 van de VNG-brochure bevat een toetsingskader voor geluid. Omdat niet voldaan wordt aan de richtafstand van 10 m tussen de supermarkt en de woningen en uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woningen niet kan worden voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor het gebiedstype rustige woonwijk, heeft de raad de geluidbelasting getoetst aan de normering in stap 3 van dit toetsingskader. Die normering komt overeen met de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens de raad blijkt uit het akoestisch onderzoek dat ter plaatse van de omliggende woningen kan worden voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode die in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen. De raad acht dit een aanvaardbaar geluidniveau.

De raad stelt dat de normen voor het maximale geluidniveau uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer geen betrekking hebben op de piekniveaus die worden veroorzaakt door het laden en lossen in de dagperiode. De raad heeft deze piekniveaus echter wel onderzocht. Volgens de berekeningen bedraagt het maximale geluidniveau op de woningen van [appellant sub 1] en anderen in de dagperiode 73 dB(A). Ter zitting heeft de raad gesteld dat hij dit aanvaardbaar acht, omdat de piekniveaus slechts ongeveer vijf keer per dag gedurende korte periodes en uitsluitend in de dagperiode zullen optreden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt volgens de raad dat het piekgeluid vanwege het laden en lossen met 3 tot 4 dB(A) kan worden verminderd als de transportkoeling tijdens het laden en lossen wordt uitgeschakeld of als wordt gewerkt met moderne, stillere koelsystemen. Hiervoor zullen maatwerkvoorschriften worden gesteld op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, aldus de raad.

17.4. Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen een aanvaardbare geluidbelasting wordt bereikt, nu het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau volgens het stappenplan uit de VNG-brochure is beoordeeld en voldoet aan de grenswaarde van 50 dB(A) die ook in het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen.

17.5. Met betrekking tot het maximale geluidniveau overweegt de Afdeling het volgende.

Artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat een grenswaarde van 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau op de gevel van gevoelige gebouwen in de dagperiode. Uit het derde lid, aanhef en onder b, volgt echter dat deze grenswaarde niet van toepassing is op laad- en losactiviteiten.

Het laden en lossen zal enkele keren per dag leiden tot maximale geluidniveaus die hoger zijn dan de grenswaarde van 70 dB(A) die in het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de overige bedrijfsactiviteiten is opgenomen. Nu het Activiteitenbesluit milieubeheer zelf reeds een uitzondering bevat voor de piekniveaus vanwege het laden en lossen, het aantal en de duur van de overschrijdingen beperkt zijn en de hoge piekniveaus uitsluitend in de dagperiode zullen optreden, heeft de raad de piekniveaus vanwege het laden en lossen in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij is tevens van belang dat de raad heeft verklaard dat op grond van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften zullen worden gesteld met betrekking tot de koeling van de vrachtwagens, waardoor de piekniveaus met 3 tot 4 dB(A) kunnen worden verlaagd.

Ter zitting is voorts gebleken dat het laden en lossen gedeeltelijk inpandig zal worden uitgevoerd, waarbij de laadklep van de vrachtwagen zich in het gebouw bevindt. Een geluidscherm tussen de laad- en losplaats en de woningen van [appellant sub 1] en anderen zal de piekniveaus verder verminderen. Artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels maakt de bouw van een geluidscherm met een maximale hoogte van 2 m op deze plaats mogelijk. Ter zitting heeft Lidl Nederland gesteld bereid te zijn een dergelijk geluidscherm te plaatsen en op te nemen in de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van de supermarkt.

Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels tot het aanbrengen van geluidbeperkende maatregelen zoals een geluidscherm niet noodzakelijk is in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

17.6. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen wat geluid betreft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Het betoog faalt.

18. [appellant sub 2] vreest geluidhinder door het gebruik van het parkeerterrein. In de eerste plaats voert zij aan dat de raad bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het parkeerterrein ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de Circulaire geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting van het Ministerie van VROM van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). Volgens [appellant sub 2] had de raad op dit punt aansluiting moeten zoeken bij de VNG-brochure en de daarin opgenomen richtafstanden, dan wel de maximale waarden van 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en 65 dB(A) voor het maximale geluidniveau die de VNG-brochure aanbeveelt voor gevallen waarin niet aan de richtafstand wordt voldaan.

Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat de voorgenomen geluidbeperkende maatregelen, namelijk het aanbrengen van asfaltverharding op het parkeerterrein en de plaatsing van een geluidwerende schutting, niet toereikend zijn om de geluidbelasting tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Bovendien is de toepassing van asfaltverharding volgens haar niet als verplichting in de planregels vastgelegd. De planregels die verplichten tot het plaatsen van een geluidafschermende afscheiding van ten minste 2 m zijn volgens [appellant sub 2] onvoldoende duidelijk en garanderen niet dat de schutting minimaal het geluidwerende effect heeft waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan.

18.1. De Afdeling overweegt dat geen verplichting bestaat tot het toepassen van de VNG-brochure als beoordelingskader voor de geluidbelasting. Het betoog dat de raad de VNG-brochure ten onrechte niet heeft toegepast, kan reeds daarom niet slagen.

Voor zover [appellant sub 2] heeft betoogd dat de circulaire niet geschikt is voor de beoordeling van de geluidhinder vanwege het parkeerterrein, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat de raad op dit punt - anders dan bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de supermarkt zelf - aansluiting heeft gezocht bij de circulaire, omdat het parkeerterrein openbaar terrein is en geen onderdeel is van de inrichting. Het parkeerterrein wordt ook niet uitsluitend ten behoeve van de nieuwe supermarkt en appartementen gebruikt. De circulaire bevat een beoordelingskader voor de geluidbelasting van verkeer van en naar inrichtingen en heeft daarmee betrekking op situaties op de openbare weg buiten de inrichting. Het beoordelingskader in de VNG-brochure heeft daarentegen, evenals de normen in het Activiteitenbesluit milieubeheer, betrekking op de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door activiteiten binnen de grenzen van de inrichting. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad voor de beoordeling van de geluidhinder vanwege het parkeerterrein in redelijkheid geen aansluiting had kunnen zoeken bij de circulaire. Dat de circulaire slechts aanbevelingen bevat voor het equivalente geluidniveau en niet voor het maximale geluidniveau maakt dat niet anders, aangezien uit de stukken blijkt dat de raad een aanvullende beoordeling heeft uitgevoerd voor het piekniveau.

18.2. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft geluid kan worden gewaarborgd.

Volgens het akoestisch onderzoek bedraagt het equivalente geluidniveau vanwege het parkeerterrein bij deze woningen 45,3 dB(A) op de begane grond en 55,1 respectievelijk 55,5 dB(A) op de eerste verdieping. Voor de begane grond wordt daarmee voldaan aan de streefwaarde van 50 dB(A) uit de circulaire. De geluidbelasting op de bovenverdiepingen is hoger dan de streefwaarde, maar lager dan de maximale waarde van 65 dB(A) uit de circulaire. De raad acht deze geluidniveaus aanvaardbaar. Daarbij heeft hij onder meer betrokken dat de supermarkt uitsluitend in de dagperiode en in de avondperiode tot 20.00 uur geopend is, alsmede dat op deze plaats reeds geluid werd veroorzaakt door een school en een bedrijf en thans door het parkeerterrein van Albert Heijn.

In het akoestisch onderzoek is daarnaast het maximale geluidniveau berekend. Volgens het akoestisch onderzoek bedraagt het maximale geluidniveau bij de woningen van [appellant sub 2] 62 dB(A). De raad acht dit een aanvaardbare waarde voor het piekgeluid, mede gelet op de grenswaarden die het Activiteitenbesluit milieubeheer voor inrichtingen bevat.

Bij de berekening van deze geluidniveaus is ervan uitgegaan dat tussen het parkeerterrein en de woningen van [appellant sub 2] een geluidafschermende afscheiding wordt geplaatst en dat op het parkeerterrein een asfaltverharding wordt aangebracht.

18.3. Het equivalente geluidniveau op de begane grond van de woningen van [appellant sub 2] is lager dan de streefwaarde uit de circulaire. Het equivalente geluidniveau op de eerste verdieping is hoger dan deze streefwaarde, maar lager dan 65 dB(A). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze geluidniveaus in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij is mede van belang dat voor de dagperiode in het algemeen het geluidniveau op de begane grond van de woning maatgevend kan worden geacht en dat de hinder zich in de avondperiode zal beperken tot het eerste deel van die periode. De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad een maximaal geluidniveau van 62 dB(A) gedurende de dagperiode en een deel van de avondperiode in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

18.4. Met betrekking tot de geluidbeperkende maatregelen overweegt de Afdeling het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad de geluidafschermende afscheiding en de asfaltverharding noodzakelijk acht voor het bereiken van een aanvaardbaar geluidniveau bij de woningen van [appellant sub 2].

De raad heeft de plaatsing van een geluidafschermende afscheiding van ten minste 2 m hoogte als voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.3.1, aanhef en onder c, van de planregels opgenomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het begrip "geluidafschermende afscheiding" onvoldoende duidelijk is en dat met het bepaalde in artikel 3, lid 3.3.1, aanhef en onder c, van de planregels de afschermende werking onvoldoende is gegarandeerd. Daarbij is van belang dat Lidl Nederland heeft gesteld dat uit het akoestisch rapport volgt dat de afscherming een oppervlaktemassa van 10 kg/m2 moet hebben en dat een gangbare schutting daaraan reeds voldoet. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Daarbij komt dat de raad ter zitting heeft gesteld dat het gemeentebestuur per brief aan [appellant sub 2] heeft toegezegd dat een stenen schutting met een geluidwerend effect van 10 dB(A) zal worden geplaatst.

De planregels bevatten geen voorwaardelijke verplichting tot het aanbrengen van asfaltverharding op het parkeerterrein. Ter zitting is gebleken dat het gemeentebestuur eigenaar is van de grond en het parkeerterrein zelf zal aanleggen. Volgens de raad heeft de gemeente toegezegd dat het parkeerterrein zal worden voorzien van een asfaltverharding. Onder deze omstandigheden kon de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van afzien een voorwaardelijke verplichting tot het aanbrengen van de asfaltverharding in de planregels op te nemen.

18.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] wat geluid betreft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat - overige aspecten

19. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de bebouwing die het plan mogelijk maakt schaduwhinder zal veroorzaken. In de herfst en de winter zal er volgens hen bij diverse woningen geen bezonning meer zijn in de tuinen en aan de achterkant van de woningen.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat zich geen ernstige schaduwhinder zal voordoen. Hij baseert zich daarbij op de bezonningsstudie die bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd. Volgens de raad blijkt daaruit dat er slechts een gering effect is op de bezonning van enkele woningen. Voor de woningen die in de bestaande situatie al schaduwwerking ondervinden van een bedrijfsloods op het terrein is er volgens de raad geen toename van de schaduwwerking.

19.2. Bijlage 10 bij de plantoelichting bevat bezonningstekeningen voor een aantal verschillende data en tijdstippen, zowel voor de bestaande situatie als voor de situatie die het plan mogelijk maakt. Uit de bezonningstekeningen blijkt dat de bebouwing die het plan mogelijk maakt op 21 maart en 23 september alleen in de ochtend tot ongeveer 12.00 uur en op 21 juni alleen in de vroege ochtend schaduw veroorzaakt op de achtertuinen van [appellant sub 1] en anderen aan de [locaties]. Op 22 december veroorzaakt deze bebouwing in de ochtend schaduw op de achtertuinen en de woningen en gedurende de rest van de dag alleen op de tuinen of een deel daarvan. De toename van de schaduwwerking ten opzichte van de bestaande situatie - waarin de loods op het terrein ook schaduw veroorzaakt - beperkt zich voor de woningen aan de [locaties] voornamelijk tot de ochtenden.

[appellant sub 1] en anderen hebben de juistheid van de bezonningstekeningen niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt niet zullen leiden tot ernstige schaduwhinder ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] en anderen.

Het betoog faalt.

20. Daarnaast vrezen [appellant sub 1] en anderen dat hun privacy wordt aangetast doordat er vanuit de nieuw te bouwen appartementen inkijk is in hun woon- en slaapkamers.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de privacy van [appellant sub 1] en anderen niet ernstig zal worden aangetast. Aan de zijde van de woningen van [appellant sub 1] en anderen wordt het appartementengebouw uitgevoerd met een blinde muur, zodat er vanaf die kant geen zicht op de woningen en tuinen is. Vanaf de buitenruimten van de appartementen, die aan de zijde van de Trambaan zullen komen, is er evenmin zicht op de woningen en tuinen van [appellant sub 1] en anderen. Aan de andere zijde van het appartementengebouw is er vanaf de galerij volgens de raad wel zicht op enkele tuinen, op een afstand van 8 tot 10 m. De raad acht dit in een bebouwde omgeving aanvaardbaar, mede omdat mensen slechts kort op de galerij verblijven. Volgens de raad wordt voldaan aan artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, waarin is bepaald dat het niet is toegestaan binnen 2 m van de grenslijn van een erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben.

Onder deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen ernstige aantasting van de privacy van [appellant sub 1] en anderen zal voordoen.

Het betoog faalt.

21. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen zal leiden tot hinder door fijnstof, stof en uitlaatgassen.

21.1. In paragraaf 4.4 van de plantoelichting is de raad ingegaan op de gevolgen van de extra verkeersbewegingen voor de luchtkwaliteit. Volgens de raad leidt de uitvoering van het plan tot een verkeerstoename van 1.772 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Met behulp van de zogeheten nibm-tool is bepaald dat deze toename, bij een verondersteld percentage vrachtverkeer van 1%, niet leidt tot een toename van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) van meer dan 3% van de wettelijke grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties van deze stoffen. [appellant sub 1] en anderen hebben de juistheid hiervan niet bestreden. Gelet op het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), kon daarom een toetsing aan de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden voor deze stoffen achterwege blijven.

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening heeft de raad niettemin onderzoek verricht naar de concentraties NO2 en PM10 met behulp van de monitoringstool die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat langs de Trambaan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in 2011 ruimschoots beneden de grenswaarden lagen en dat dit - ondanks de toename van het aantal verkeersbewegingen - ook voor de prognosejaren 2015 en 2020 het geval zal zijn. De juistheid van deze conclusies is door [appellant sub 1] en anderen niet bestreden.

Niet aannemelijk is geworden dat het extra verkeer van en naar het plangebied een relevante bron zal zijn van hinder door grof stof, mede gelet op de aard van de ontwikkelingen die het plan ter plaatse mogelijk maakt.

Het betoog faalt.

Ecologie

22. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat zij twijfels hebben over het vleermuisonderzoek dat bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd. In het bijzonder vragen zij zich af of het onderzoek wel is verricht ten behoeve van de vaststelling van dit plan.

22.1. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat zowel voor de ontwikkelingen op De Striene als voor voorgenomen ontwikkelingen aan de Kerkstraat een vleermuisonderzoek moest worden uitgevoerd. De raad heeft aan KuiperCompagnons opdracht gegeven beide onderzoeken gelijktijdig te verrichten. KuiperCompagnons heeft de onderzoeken laten uitvoeren door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum, dat voor beide locaties een afzonderlijk rapport heeft opgesteld. Het rapport over locatie De Striene is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.

22.2. In het rapport "Aanvullend vleermuisonderzoek ten behoeve van een bestemmingsplan voor de Trambaan in Strijen" van het Natuur-Wetenschappelijk Centrum van april 2013 worden de mogelijke gevolgen voor vleermuizen van de realisatie van de supermarkt, woningen en parkeerplaats op locatie De Striene beschreven. De raad heeft op grond van dit onderzoek geconcludeerd dat geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de te slopen bebouwing in het plangebied aanwezig zijn en dat geen nadelige effecten zullen ontstaan ten aanzien van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Verder blijkt uit het onderzoek dat vleermuizen een deel van het plangebied gebruiken als foerageergebied, maar dat die locaties slechts van marginaal belang zijn als foerageergebied.

Anders dan [appellant sub 1] en anderen hebben betoogd, blijkt uit het rapport dat dit in verband met de vaststelling van het voorliggende plan is opgesteld. Het rapport heeft immers specifiek betrekking op het plangebied en de ontwikkelingen die daar mogelijk worden gemaakt. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan niet van de conclusies van het vleermuisonderzoek had mogen uitgaan.

Het betoog faalt.

Waardedaling

23. [appellant sub 1] en anderen betogen dat hun woningen onverkoopbaar zullen worden en in waarde zullen dalen als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

Conclusie

24. De beroepen zijn ongegrond.

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

483.