Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201306647/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Watergang - Bedrijventerrein De Dollard" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0055

Uitspraak

201306647/1/R1.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Watergang, gemeente Waterland,

2. de stichting Stichting Behoud Waterland, gevestigd te Broek in Waterland, gemeente Waterland, en [appellant sub 2B], wonend te Watergang, gemeente Waterland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Waterland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Watergang - Bedrijventerrein De Dollard" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en Behoud Waterland en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen, Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [gemachtigde], Behoud Waterland en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door C.G.M. Neppelenbroek, voorzitter van Behoud Waterland, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, en mr. R. Ayub, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het bedrijventerrein De Dollard (hierna: het bedrijventerrein) en maakt de uitbreiding daarvan in noordelijke richting mogelijk. Op het bedrijventerrein zijn alleen bedrijven toegestaan die zijn ingedeeld in categorie 1 tot en met categorie 3.2.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Nut en noodzaak

3. Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de nut en noodzaak van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein niet is aangetoond. Behoud Waterland en [appellant sub 2B] voeren daartoe aan dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein niet is opgenomen in de geldende provinciale planningsopgave en derhalve in strijd is met artikel 11, eerste lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS). Behoud Waterland en [appellant sub 2B] betwisten verder dat bedrijven uit Waterland naar het bedrijventerrein willen verhuizen. Volgens hen is ten onrechte niet onderzocht of het mogelijk is om nadere eisen te stellen aan een bedrijf met een grote hindercirkel op het bedrijventerrein "Hellingweg" zodat dit bedrijf niet hoeft te verhuizen. Volgens Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen is ook niet onderzocht in hoeverre bestaande bedrijventerreinen intensiever kunnen worden gebruikt. Zij wijzen er daarbij op dat op korte afstand van het bedrijventerrein het bedrijventerrein "Baanstee Noord" in de gemeente Purmerend ligt en dat op dit bedrijventerrein nog veel ruimte is voor bedrijven. De voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein is volgens Behoud Waterland en [appellant sub 2B] daarom niet in overeenstemming met de SER-ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de nut en noodzaak van de uitbreiding van het bedrijventerrein is aangetoond. Volgens de raad is het noodzakelijk om een aantal bedrijven op andere locaties in de gemeente te verplaatsen in verband met de benodigde herstructurering van deze locaties. Het gaat daarbij in het bijzonder om het bedrijventerrein "Hellingweg". Volgens de raad is in het bestemmingsplan "Broek in Waterland" een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van woningbouw op dat bedrijventerrein. Om deze woningbouw te kunnen ontwikkelen is het noodzakelijk om in ieder geval twee bedrijven met een grote hindercirkel te verplaatsen. Het bedrijventerrein is volgens de raad het enige bedrijventerrein in de gemeente waar deze bedrijven naartoe kunnen verhuizen. Op het bedrijventerrein "Galgeriet" is volgens de raad geen ruimte beschikbaar en het bedrijfserf in Katwoude is uitsluitend bestemd voor bedrijven die moeten wijken voor stedelijke vernieuwing in de binnenstad van Monnickendam. De raad wijst er ook op dat de ontwikkelaar van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein te kennen heeft gegeven dat verscheidene bedrijven uit Waterland naar het bedrijventerrein willen verhuizen. Verplaatsing van deze bedrijventerrein naar een bedrijventerrein buiten de gemeente is volgens de raad geen optie vanwege de sterke binding van deze bedrijven met de gemeente. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) kan worden aangemerkt, omdat de oppervlakte aan bedrijventerrein binnen de gemeente per saldo niet zal toenemen. Volgens de raad zal de herstructurering van het bedrijventerrein "Hellingweg" binnen de planperiode plaatsvinden en zullen de bedrijven op dat terrein naar het bedrijventerrein verhuizen. Het bedrijventerrein "Hellingweg" heeft volgens de raad een vergelijkbare omvang als de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein. De SER-ladder voor duurzame verstedelijking behoefde volgens de raad daarom niet te worden doorlopen.

3.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de PRVS kan een bestemmingsplan binnen Bestaand Bebouwd Gebied (hierna: BBG) voorzien in een nieuw bedrijventerrein en kantoorlocatie of een uitbreiding van een bestaand terrein voor zover deze in overeenstemming zijn met de geldende provinciale planningsopgave.

Ingevolge het tweede lid stelt het college van gedeputeerde staten een provinciale planningsopgave vast en jaarlijks een regionale bedrijventerreinmonitor ten behoeve van het opstellen/actualiseren ervan.

Het plangebied ligt binnen BBG. Thans is geen bebouwing ter plaatse van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein aanwezig.

3.3. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

3.4. De Afdeling stelt vast dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein niet is opgenomen in de geldende provinciale planningsopgave van 6 februari 2012. De voorziene uitbreiding is derhalve in strijd met artikel 11, eerste lid, van de PRVS.

De Afdeling is voorts van oordeel dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mogelijk maakt, nu het plan in een uitbreiding van het bedrijventerrein voorziet. De stelling van de raad dat per saldo de oppervlakte aan bedrijventerreinen niet zal toenemen vanwege de herstructurering van het bedrijventerrein "Hellingweg" binnen de planperiode, daargelaten of deze stelling juist is, doet daaraan niet af. Deze omstandigheid neemt immers niet weg dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein op een perceel dat onder het voorheen geldende plan was bestemd als "Natuurgebied II" een planologisch nieuwe ontwikkeling betreft. De raad diende derhalve in de plantoelichting te verantwoorden dat aan de voorwaarden in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro wordt voldaan. De raad heeft dit niet gedaan, nu in de plantoelichting alleen de vraag en het aanbod in de gemeente en niet de vraag en het aanbod in de regio in ogenschouw is genomen. De raad heeft het plan, voor zover het betreft de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein, derhalve vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

3.5. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 11, eerste lid, van de PRVS kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van Behoud Waterland, zodat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de weg staat aan vernietiging vanwege strijd met artikel 11, eerste lid, van de PRVS.

3.6. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

3.7. De Afdeling overweegt dat zowel artikel 11, eerste lid, van de PRVS als artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro beogen om vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik planologisch ongewenste versnippering en leegstand te voorkomen. Blijkens haar statuten is het belang van Behoud Waterland het behoud en het herstel van het natuurlijk milieu en het landelijk karakter van Waterland. Het belang van [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen is het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 11, eerste lid, van de PRVS, en artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro strekken tot bescherming van deze belangen, nu het in belang is van Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen dat het perceel dat voorheen was bestemd als "Natuurgebied II" niet onnodig wordt bebouwd. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve niet in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met deze bepalingen.

Milieuzonering

4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de afstand van de voorziene uitbreiding bedrijventerrein tot voorziene woningen ten noorden daarvan ten onrechte ongeveer 30 tot 35 m bedraagt, terwijl in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: VNG-brochure) een afstand van 100 m wordt aanbevolen voor bedrijven in categorie 3.2.

4.1. Volgens de raad wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstanden in de VNG-brochure.

4.2. Aan de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein is voor het grootste gedeelte de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Een gedeelte van de gronden met deze bestemming heeft de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" dan wel "bedrijf tot en met categorie 3.2".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden onder meer bestemd voor gebouwen ten behoeve van:

1. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

2. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, en 3.1, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1", met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

3. bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1,2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2", met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven;

4.3. Voor de gronden ten noorden van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein geldt het bestemmingsplan "Watergang - 't Schouw". Dit plan maakt de bouw van 54 woningen mogelijk.

4.4. In de VNG-brochure wordt voor bedrijven in categorie 1 dan wel 2 een afstand van 10 onderscheidenlijk 30 m aanbevolen tot gevoelige functies. Voor bedrijven in categorie 3.1 dan wel categorie 3.2 wordt een afstand van 50 onderscheidenlijk 100 m aanbevolen tot gevoelige functies.

4.5. De Afdeling stelt vast dat de afstand van de gronden waarop alleen bedrijven tot en met categorie 2 zijn toegestaan tot de bouwvlakken van de voorziene woningen ten minste ongeveer 30 m bedraagt. De afstand van gronden waarop bedrijven tot en met categorie 3.1 zijn toegestaan tot de bouwvlakken van de voorziene woningen bedraagt ten minste ongeveer 50 m. De afstand van gronden waarop bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan tot de bouwvlakken van de voorziene woningen bedraagt ten minste ongeveer 100 m. Er wordt derhalve voldaan aan de richtafstanden die in de VNG-brochure worden aanbevolen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen niet ernstig zal worden aangetast als gevolg van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein.

Vluchtwegen

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein voor de mogelijkheid om de weg ten noorden van het plangebied als vluchtweg te gebruiken in geval van een calamiteit.

De Afdeling overweegt dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat in deze procedure niet aan de orde is.

Goot- en bouwhoogten

6. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de toegestane goot- en bouwhoogten voor de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein niet aansluiten op de maximale bouwhoogten van 6,3 tot en met 9,3 m en de maximale goothoogten van 3,3 tot en met 6,3 m voor de woningen aan de Kanaaldijk. Dit leidt volgens hen tot een onwenselijke precedentwerking.

6.1. Blijkens de verbeelding, bezien in samenhang met lid 3.2, onder 3.2.1 en f, van de planregels geldt voor een gedeelte van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein een maximale bouwhoogte van 9 m. Voor het andere gedeelte geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 9 onderscheidenlijk 12 m.

6.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toegestane bouwhoogten in het plan niet onevenredig hoog zijn ten opzichte van de toegestane goot- en bouwhoogten voor de woningen aan de Kanaaldijk. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegestane goot- en bouwhoogten in het plan niet tot een onwenselijke precedentwerking zullen leiden, nu het plan betrekking heeft op woningen op een bedrijventerrein en niet op burgerwoningen.

Nationaal Landschap Laag Holland

7. Behoud Waterland en [appellant sub 2B] betogen dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein in strijd is met artikel 22, eerste lid, van de PRVS, omdat de kernkwaliteiten van het veenpolderlandschap als gevolg daarvan worden aangetast. Volgens Behoud Waterland en [appellant sub 2B] zijn lintdorpen in een open landschap een kernkwaliteit van het veenpolderlandschap. De voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein tast deze kernkwaliteit aan, omdat het bedrijventerrein op korte afstand van het dorp Watergang komt te liggen waardoor dit dorp niet meer in een open landschap ligt.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de kernkwaliteiten van het veenpolderlandschap niet worden aangetast als gevolg van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein. De raad wijst er daarbij op dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein landschappelijk wordt ingepast. Ook wijst de raad op het rapport "Landschappelijk advies bestemmingsplan De Dollard, gemeente Waterland" (hierna: het landschappelijk advies) van 21 november 2013 van het bureau Hollandschap.

7.2. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de PRVS is als Nationaal Landschap nader begrensd onder meer het gebied Laag Holland (inclusief werelderfgoed De Beemster), zoals aangegeven op kaart 5 en op de digitale verbeelding ervan.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, mag een bestemmingsplan uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten en/of Uitzonderlijke Universele waarden behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad en in bijlage I bij deze verordening.

Ingevolge het derde lid is artikel 15 van overeenkomstige toepassing op artikel 22.

7.3. Het plangebied ligt in het gebied Laag Holland met het landschapstype veenpolderlandschap.

7.4. In de Leidraad staat dat in het landschapstype veenpolderlandschap langgerekte lintdorpen in een open landschap belangrijke ruimtevormende elementen zijn. Voorts wordt dit landschapstype volgens de Leidraad gekenmerkt door een landschap met een open tot zeer open karakter met plaatselijk matig open en gesloten gebied. Verder zijn er volgens de Leidraad in het veenpolderlandschap vanuit de lintbebouwing doorzichten naar het omringende polderlandschap. Naar de kern toe worden de doorzichten minder en de bebouwing steeds dichter. Een wegdorp in het veenpolderlandschap wordt volgens de Leidraad gekenmerkt door lineaire bebouwing, opstrekkende verkaveling, een waterrijke omgeving, een langgerekt slotenpatroon en doorzichten vanaf de weg naar open landschap.

7.5. In de plantoelichting staat dat met name de noord- en oostzijde van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein worden ingericht met groen. Met het reeds aanwezige water ontstaat hier volgens de plantoelichting een groenblauwe zone. De bestaande beplanting aan de westzijde van het terrein blijft gehandhaafd en wordt mogelijk versterkt. Verder staat in de plantoelichting dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein zowel aan de zuid- (de aansluiting op het bestaande terrein) als aan de noordzijde (de aansluiting op ‘t Schouw) in een ruime, open zone voorziet. Voorts worden volgens de plantoelichting op een aantal strategische plekken bomen aangeplant om het terrein een groene uitstraling te geven. Er worden alleen boomsoorten geplant die passen in het Waterlandse landschap, zoals wilg, els, berk en populier, aldus de plantoelichting.

7.6. In het landschappelijk advies staat wat betreft de kernkwaliteit openheid van het landschap dat thans de beleving van de openheid vanaf de Kanaaldijk naar het achterland beperkt is. Dit komt volgens het landschappelijk advies door opgaande beplanting, straatmeubilair en andere opgaande elementen in en nabij het plangebied. Het plangebied wordt voorts in de toekomst bijna geheel omsloten door opgaande elementen waardoor het plangebied relatief geïsoleerd is en weinig tot geen relatie heeft met het omliggende open landschap. De vergezichten die typerend zijn voor het Nationaal Landschap Laag Holland ontbreken volgens het landschappelijk advies daarom in dit geval, omdat openheid van het landschap het zien van veel lucht en een groot gedeelte van de horizon betekent. De voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein kan als een verdichting van het binnengebied worden aangemerkt, aldus het landschappelijk advies. Verder is volgens het landschappelijk advies bij de verdeling van de bouwhoogten rekening gehouden met de omgeving waardoor de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein zo goed mogelijk wordt ingepast. De bebouwing aan de randen van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein mag maximaal

9 m hoog worden en alleen aan de binnenzijde mag de bebouwing maximaal 12 m hoog worden. Wat betreft de kernkwaliteit karakteristieke dijk- en lintdorpen staat in het landschappelijk advies dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein aan de landschappelijke structuurdragers, het kanaal en de weg, in het verlengde van de lintbebouwing is gesitueerd. Daardoor past de voorziene uitbreiding van het voorziene bedrijventerrein bij de bestaande landschappelijke structuur en het historisch ontstane bebouwingspatroon. Voorts heeft het bedrijventerrein volgens het landschappelijk advies vanwege de afstand nauwelijks een ruimtelijke relatie met het lintdorp Watergang en zijn buiten het plangebied voldoende doorzichten naar het achterland.

7.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie haar uitspraak van 6 februari 2013, in zaak nr. 201202085/1/R1), moet bij nieuwe functies binnen gebieden als bedoeld in artikel 20 van de PRVS op grond van artikel 22, gelezen in samenhang met artikel 15 van de PRVS, in de toelichting bij een bestemmingsplan alleen worden verantwoord in hoeverre deze functies rekening houden met de in artikel 15, eerste lid, genoemde kenmerken, indien deze functies buiten BBG mogelijk worden gemaakt. Dit neemt evenwel niet weg dat artikel 22 van toepassing is op nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen BBG. De Afdeling stelt vast dat alleen in geschil is of de kernkwaliteiten openheid van het landschap en karakteristieke dijk- en lintdorpen worden aangetast als gevolg van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein. Gelet op de omstandigheden die in de plantoelichting en het landschappelijk advies zijn genoemd, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze kernkwaliteiten niet worden aangetast als gevolg van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein. Behoud Waterland en [appellant sub 2B] hebben niet gesteld dat in het landschappelijk advies is uitgegaan van onjuiste feiten of omstandigheden. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein in strijd is met artikel 22, eerste lid, van de PRVS.

Natura 2000

8. Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein tot negatieve effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske" (hierna: het Natura 2000-gebied) zal leiden, te meer nu ten noorden van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein woningen zullen worden gebouwd. [appellant sub 1] en anderen voeren daarbij aan dat de raad op de zitting over het bestemmingsplan het bestemmingsplan "Watergang - 't Schouw" heeft verklaard dat ter plaatse van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein een kolonie meervleermuizen aanwezig is. De meervleermuis is één van de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Ook zijn volgens [appellant sub 1] en anderen de gevolgen van het gebruik na de bouw voor het

Natura 2000-gebied niet onderzocht in het ecologisch onderzoek.

8.1. Het bureau Els & Linde heeft onderzoek verricht naar de gevolgen van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein voor het Natura 2000-gebied. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Ecologisch onderzoek De Dollard te Waterland" (hierna: het ecologisch onderzoek) van september 2010. In het ecologische onderzoek staat dat cumulatie van effecten kan optreden door de geplande woningbouw in Het Schouw en dat bij de bespreking van de verschillende effectoorzaken de cumulatieve effecten zijn meegewogen. Voorts staat in het ecologisch onderzoek dat boven de vaart ten zuiden van het huidige bedrijventerrein is een meervleermuis is gehoord die in oostelijke richting vloog. Het ecologische onderzoek concludeert dat de effecten op het Natura 2000-gebied tijdelijk van aard en niet significant zijn. De belangrijkste verstoringen vanaf het plangebied worden volgens het ecologisch onderzoek deels veroorzaakt tijdens de bouw. Nadat de bouw is afgerond zijn er volgens het ecologisch onderzoek voor de externe werking minder problemen te verwachten, omdat geluid en trillingen niet of nauwelijks te verwachten zijn vanuit de bedrijven.

In een nadere notitie van 18 november 2013 van het bureau Els & Linde staat dat uit het ecologisch onderzoek blijkt dat met zekerheid geen significant effect is te verwachten, zodat mitigerende maatregelen niet noodzakelijk zijn.

8.2. Voor zover Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen erop wijzen dat ten noorden van de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein woningbouw wordt gerealiseerd, wordt overwogen dat in het ecologisch onderzoek staat dat de cumulatieve effecten als gevolg van deze woningbouw zijn meegewogen. Voorts zijn, anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, in het ecologisch onderzoek de gevolgen voor het Natura 2000-gebied van het gebruik na de bouw onderzocht. Verder volgt uit het ecologisch onderzoek dat ter plaatse alleen een vliegende meervluismuis is waargenomen, niet dat een kolonie meervleermuizen aanwezig is, zoals [appellant sub 1] en anderen stellen. Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen hebben de juistheid van de bevindingen neergelegd in het ecologisch onderzoek en de nadere notitie niet bestreden. In het aangevoerde wordt derhalve geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad zich bij het bestreden besluit niet mocht baseren op de conclusie in het ecologisch onderzoek, die nader is verduidelijkt in de nadere notitie, dat geen significante effecten op de doelstellingen van het Natura 2000-gebied zullen optreden.

Conclusie

9. In hetgeen Behoud Waterland en [appellant sub 2B] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen voor de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein, is genomen in strijd met artikel 11, eerste lid, van de PRVS en artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

10. De raad heeft verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover vernietigd, in stand te laten, omdat het college van gedeputeerde staten heeft laten weten dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein per abuis niet in de provinciale planningsopgave is opgenomen en dat deze fout bij de volgende provinciale planningsopgave zal worden hersteld.

De Afdeling ziet in deze omstandigheid geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten. Dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein wellicht zal worden opgenomen in de volgende provinciale planningsopgave neemt niet weg dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein ten tijde van de vaststelling van het plan in strijd was met artikel 11, eerste lid, van de PRVS en thans nog steeds daarmee in strijd is. Ook is door deze omstandigheid niet de strijd van het plan met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro weggenomen.

11. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

12. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond niet slaagt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb van toepassing is.

Proceskosten

13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Waterland van 25 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Watergang - Bedrijventerrein De Dollard", voor zover het betreft de plandelen voor de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein, zoals deze staan aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. draagt de raad van de gemeente Waterland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Waterland tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. de stichting Stichting Behoud Waterland en [appellant sub 2B] tot een bedrag van € 26,88 (zegge: zesentwintig euro en achtentachtig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. [appellant sub 1] en anderen tot een bedrag van € 26,88 (zegge: zesentwintig euro en achtentachtig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Waterland aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Behoud Waterland en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Driel Kluit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

703.