Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201305879/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6646, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2012 heeft de Raad van Bestuur de aanvraag van [appellante sub 1] om verlening van een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) ten behoeve van [appellant sub 2] (hierna: de aanvraag), afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/122

Uitspraak

201305879/1/V6.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 29 mei 2013 in zaken nrs. 13/2858 en 13/6462 in de gedingen tussen:

[appellante sub 1]

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: de Raad van Bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2012 heeft de Raad van Bestuur de aanvraag van [appellante sub 1] om verlening van een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) ten behoeve van [appellant sub 2] (hierna: de aanvraag), afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft de Raad van Bestuur het daartegen door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

De Raad van Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2013, waar de Raad van Bestuur, vertegenwoordigd door J.M.M. van den Boogaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), is verschenen.

Overwegingen

1. Bij de overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst) is een Associatieraad ingesteld. De Associatieovereenkomst is namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217).

Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst (hierna: het Aanvullend Protocol) ondertekend. Het is namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293). Voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is het protocol op 1 januari 1973 in werking getreden.

De Associatieraad heeft krachtens artikel 12 van de Associatieovereenkomst en artikel 36 van het Aanvullend Protocol op 20 december 1976 Besluit nr. 2/76 (hierna: Besluit nr. 2/76) genomen, dat volgens artikel 1 ervan bedoeld is als een eerste stap op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije.

Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad Besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie genomen (hierna: Besluit nr. 1/80). Dit besluit dient er volgens de derde overweging van de considerans toe om op sociaal gebied de regeling voor werknemers en hun gezinsleden te verbeteren ten opzichte van de regeling die is ingevoerd bij voormeld Besluit nr. 2/76.

Ingevolge artikel 13 van Besluit nr. 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn (hierna: de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80).

Ingevolge artikel 16 is die bepaling met ingang van 1 december 1980 van toepassing.

Op 1 januari 1973 was de tewerkstelling van vreemdelingen in Nederland geregeld in de Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 (Stb. 1964, 72; hierna: de Wav 1964).

Op 1 december 1980 was de tewerkstelling van vreemdelingen in Nederland geregeld in de Wet arbeid buitenlandse werknemers (Stb. 1978, 737; hierna: de Wabw).

Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wav is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevoegd tot het afgeven, verlengen en intrekken van een twv.

Ingevolge het tweede lid kan de minister de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden delegeren aan het UWV.

Ingevolge artikel 1 van het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav (Stb. 2008, 120) wordt de bevoegdheid inzake het afgeven, verlengen en intrekken van twv’s overgedragen aan het UWV.

2. De Raad van Bestuur heeft aan de handhaving van de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat wordt aangenomen dat prioriteitgenietend aanbod beschikbaar is, de vacature niet tijdig bij een lokale vestiging van het UWV WERKbedrijf is gemeld en de Rotonde niet heeft aangetoond dat [appellant sub 2] een machtiging tot voorlopig verblijf heeft aangevraagd en dat zij heeft aangetoond dat zij voldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd.

3. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de aanvraag, gelet op de reeds eerder afgegeven twv, als verlengingsaanvraag dient te worden beschouwd en niet als nieuwe aanvraag. Volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is bij de bepaling of sprake is van een verlengingsaanvraag niet van belang of die aanvraag is ingediend na het verlopen van de geldigheidsduur van de eerder afgegeven twv. Voorts wijzen zij erop dat het in het vreemdelingenrecht mogelijk is de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning te verlengen na de expiratiedatum en dat het onduidelijk is waarom voor de verlenging bij een twv een ander regime zou gelden, aangezien beide vergunningen volgens het vreemdelingenbeleid aan elkaar zijn gekoppeld. De voorzieningenrechter heeft voorts niet onderkend dat de Raad van Bestuur ten onrechte aan alle weigeringsgronden van de Wav heeft getoetst, in plaats van aan de voorschriften waaronder de twv is verleend, aldus [appellante sub 1] en [appellant sub 2].

3.1. In hoger beroep is onbestreden dat de Raad van Bestuur een twv aan [appellante sub 1] heeft verleend ten behoeve van het verrichten van arbeid door [appellant sub 2] als Turkse broodbakker, met een geldigheidsduur van 5 december 2011 tot 5 augustus 2012. Bij brief van 30 oktober 2012 heeft [appellante sub 1] de aanvraag ingediend.

3.2. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat, nu de aanvraag na de expiratiedatum van de eerder verleende twv is ingediend, de Raad van Bestuur de aanvraag terecht als een nieuwe aanvraag heeft aangemerkt. Dat [appellant sub 2], naar gesteld, eerst twee maanden na afgifte van de aanvankelijk verleende twv daarvan gebruik heeft kunnen maken, is geen omstandigheid die van betekenis is bij de bepaling of de aanvraag als nieuwe dan wel verlengingsaanvraag dient te worden aangemerkt, zodat het betoog dat de voorzieningenrechter daar ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden, niet wordt gevolgd. Dat het vreemdelingenrecht een expliciete uitzonderingsbepaling kent die de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de bevoegdheid toekent een verblijfsvergunning na de expiratiedatum ervan te verlengen ook indien de niet tijdige indiening van de verlengingsaanvraag niet verschoonbaar is, laat onverlet dat de Wav een dergelijke bevoegdheid van de minister niet kent.

Aangezien de aanvraag reeds hierom geen verlengingsaanvraag is, heeft de Raad van Bestuur, anders dan [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen, de aanvraag terecht aan de imperatieve en facultatieve weigeringsgronden van de Wav getoetst. Of de Raad van Bestuur ten onrechte niet aan de voorschriften waaronder de twv is verleend heeft getoetst, behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

4. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de voorzieningenrechter hun beroep op de standstill-bepalingen van artikel 7 van het Besluit nr. 2/76 en artikel 13 van Besluit nr. 1/80 (hierna: de standstill-bepalingen) ten onrechte heeft verworpen. Zij stellen dat in 1976 bij toelating van Turkse arbeidsmigranten in Nederland bij het verlengen van twv’s door de Raad van Bestuur niet werd getoetst of de aanvraag was ingediend na de expiratiedatum van de reeds verleende twv. Voorts is volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] ook het stellen van voorschriften aan een twv ingevolge artikel 10 van de Wav strijdig met de standstill-bepalingen. Subsidiair betogen [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag om verlening van een twv onder de Wav 1964 en de Wabw geen arbeidsmarkttoets werd verricht, zodat de aanvraag ten onrechte ook op die grond is afgewezen.

4.1. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben hun stelling dat een - niet tijdig ingediende - verlengingsaanvraag voor een twv vóór de inwerkingtreding van Besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk Besluit nr. 1/80 minder stringent werd beoordeeld dan onder de huidige bepalingen van de Wav, omdat de expiratiedatum van de reeds verleende twv geen relevantie had en er geen arbeidsmarkttoets zou zijn verricht, niet toegelicht. De voorzieningenrechter heeft die enkele stelling reeds daarom terecht niet gevolgd.

Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de afwijzing van de aanvraag strijdig is met de artikelen 10 en 14 van het Europees Vestigingsverdrag.

5.1. Deze grond is voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter en er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de voorzieningenrechter kon worden aangevoerd, en [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

501-766.