Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201203597/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college aan de stichting Stichting Cleanergy Wanroij (thans Cleanergy B.V.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie aan de Straatscheveld 2 te Wanroij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2014/79

Uitspraak

201203597/1/A4.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellante sub 2], gevestigd te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Wanroij, gemeente Sint Anthonis (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college aan de stichting Stichting Cleanergy Wanroij (thans Cleanergy B.V.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie aan de Straatscheveld 2 te Wanroij.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 2], [appellant sub 3] en het college hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college het besluit van 6 maart 2012 gewijzigd.

[appellante sub 2], [appellant sub 3], het college en Cleanergy hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2013, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 1 B], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 3] en [appellant sub 3 B], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Dam-Benders, T.F.A.M. Teunissen en drs. J.L.J. Post, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Cleanergy, vertegenwoordigd door R. Derks en mr. M.J.C. Mol, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Omvang geding

2. Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie met een verwerkingscapaciteit van 50.000 ton per jaar aan dierlijke mest en co-substraten. Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college de vergunning voor een deel ingetrokken en een aantal vergunningvoorschriften ingetrokken dan wel gewijzigd.

2.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit tot intrekking, wijziging of verandering van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2.2. Het beroep van [appellant sub 1] heeft van rechtswege geen betrekking op het besluit van 4 februari 2013 omdat hij daarbij geen belang heeft.

De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3] hebben van rechtswege mede betrekking op het besluit van 4 februari 2013.

HET BEROEP VAN [appellante sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich uitsluitend op de overgangssituatie waarvoor een aantal specifieke vergunningvoorschriften gelden. Hij betoogt dat de duur van de overgangssituatie in de vergunning had moeten worden vastgelegd.

3.1. Met de overgangssituatie wordt bedoeld de situatie waarin de vergunde uitbreidingen nog niet zijn gerealiseerd en de capaciteit van de inrichting is beperkt tot 36.000 ton per jaar aan dierlijke mest en co-substraten. Bij besluit van 4 februari 2013 is de vergunning voor die uitbreidingen ingetrokken en is de capaciteit van de inrichting tot 36.000 ton per jaar beperkt. Een overgangssituatie, als bedoeld in de vergunning, doet zich derhalve niet meer voor. Gelet hierop bestaat geen belang meer bij de beoordeling van het beroep.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

DE BEROEPEN VAN [appellante sub 2] EN [appellant sub 3]

Milieueffectrapportage

4. [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is opgesteld dan wel een beoordeling is gemaakt of het opstellen van een MER nodig is (hierna: m.e.r.-beoordeling). De installatie valt volgens hem onder categorie 18.4, 21.6 of 22.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Verder volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland, (www.curia.europa.eu), dat ook wanneer de drempelwaarden uit die bijlage niet worden overschreden, het college had moeten kijken naar de bijzondere factoren of selectiecriteria die zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particulieren projecten (PB 1985 L 175), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement van 23 mei 2009 (PB 2009 L 140), aldus [appellant sub 3].

De stelling dat de inrichting onder categorie 18.2 (oud) valt, heeft [appellant sub 3] ter zitting ingetrokken.

4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 18.4 van dat onderdeel is als activiteit, waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een MER moet worden gemaakt, aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een rioolwaterzuiveringsinstallatie die deel uitmaakt van een inrichting als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet.

In categorie 21.6 is als zodanige activiteit aangewezen: de wijziging of uitbreiding van een geïntegreerde chemische installatie bestemd voor de fabricage van de in die categorie genoemde stoffen.

In categorie 22.1 is als zodanige activiteit aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer.

4.2. De inrichting waarvoor vergunning is verleend betreft een een installatie waarin een mengsel van dierlijke mest en co-substraten wordt vergist. Het bij het vergistingsproces ontstane biogas wordt verbrand in een warmtekrachtkoppelingsinstallatie (hierna: WKK) voor de opwekking van elektriciteit en warmte.

Gelet hierop kan de inrichting niet worden aangemerkt als een inrichting met een rioolwaterzuiveringsinstallatie als bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, noch als een inrichting met een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie 21.6 voor de fabricage van de in die categorie genoemde stoffen. De inrichting valt evenmin onder categorie 22.1 reeds omdat zij niet kan worden aangemerkt als een elektriciteitscentrale met een vermogen van 200 megawatt of meer. Het betoog dat uit het onder 4 genoemde arrest van het Hof van Justitie volgt dat de drempelwaarden niet bepalend mogen zijn voor de vraag of een MER of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld en het college derhalve had moeten kijken naar de bijzondere factoren of selectiecriteria van bijlage III van Richtlijn 85/337/EEG, faalt, reeds omdat het geen inrichting betreft waarop de drempelwaarde van categorie 22.1 betrekking heeft.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geuremissie

6. [appellante sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het bij de vergunningaanvraag gevoegde rapport 'Geuronderzoek Cleanergy te Wanroij' van Blauw B.V. van 27 juli 2011, aangevuld op 26 oktober 2011, (hierna: het geuronderzoek) op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd.

6.1. [appellante sub 2] voert in dit verband aan dat de watersloten ten onrechte niet bij de berekening van de geurbelasting zijn betrokken.

6.1.1. Ingevolge voorschrift 3.2.19 van het besluit van 6 maart 2012 moeten watersloten automatisch worden gecontroleerd en zo nodig automatisch worden bijgevuld. Anders dan [appellante sub 2] meent wordt met de term 'zonodig automatisch' in dit voorschrift niet bedoeld dat de watersloten handmatig worden bijgevuld.

Door de automatische bijvulling is er geen open verbinding met de buitenlucht. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat de watersloten daarom terecht niet als emissiebron bij de berekening van de geurbelasting zijn betrokken. Hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding deze conclusie onjuist te achten.

6.2. [appellante sub 2] betoogt verder dat de geurbelasting van de diffuse emissies in het geuronderzoek onjuist is berekend. Volgens haar is slechts de geurconcentratie weergegeven en zijn aspecten die van belang zijn voor de geurbelasting, zoals de hoeveelheid materiaal en de verversingsgraad van de ruimte (de regelmaat waarmee de lucht in een ruimte wordt ververst), niet meegenomen bij de berekening van de geurbelasting.

6.2.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat bij de berekening van de geurbelasting van de diffuse emissies gebruik is gemaakt van meetgegevens bij vergelijkbare bedrijfsonderdelen van andere inrichtingen. Hierbij is rekening gehouden met de aard van het materiaal, het soort proces dat werd toegepast en de verversingsgraad van de ruimte, aldus het deskundigenbericht. [appellante sub 2] heeft geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het deskundigenbericht in zoverre onjuist is.

6.3. [appellante sub 2] stelt verder dat de gebruikte meetgegevens niet representatief zijn, omdat de vastgestelde geuremissie van de WKK met meer dan een factor 5 fluctueert. [appellant sub 3] voert aan dat niet is gemotiveerd waarom de metingen uit 2007 en 2008 niet representatief zijn en de metingen uit 2009 en 2010 wel.

6.3.1. Bij de berekening van de emissies van de WKK is gebruik gemaakt van het document Meten en Rekenen Geur (publicatiereeks Lucht en Energie, nr. 115, ministerie van VROM, december 1994). In het besluit van 6 maart 2012 is overwogen dat de representativiteit van de metingen uit 2007 en 2008 niet kan worden gegarandeerd en er daarom voor gekozen is de meest recente metingen van 2009 en 2010 tot uitgangspunt te nemen. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat tussen de hoogste en laagste gemeten waarde een factor 4,3 zit en dat de meetgegevens in zoverre voldoen aan het document. Verder is geconcludeerd dat met de gebruikte meetgegevens een representatief beeld kan worden gegeven van de geuremissie van de WKK. [appellante sub 2] en [appellant sub 3] hebben geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat deze conclusies onjuist zijn.

6.4. [appellant sub 3] stelt dat in het geuronderzoek en bij de beoordeling van de geurhinder ten onrechte gebruik is gemaakt van modelberekeningen en hedonische benaderingen, omdat feitelijk geuroverlast van de inrichting wordt ervaren.

6.4.1. Het gebruik maken van modelberekeningen en hedonische waarden is algemeen aanvaard en in overeenstemming met de ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten meest recente milieutechnische inzichten. Er is geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval de geuremissie op een andere wijze had moeten berekenen en beoordelen.

6.5. Gelet op het vorenstaande kan in het in de beroepen aangevoerde geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het geuronderzoek op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd en het college dit onderzoek niet aan de beoordeling van de geuremissie ten grondslag had mogen leggen.

De beroepsgronden falen.

7. [appellant sub 3] betoogt dat een aantal bedrijven en woningen niet in de juiste categorie als bedoeld in het provinciaal geurbeleid is ingedeeld, waardoor deze objecten een te lage bescherming tegen geur verkrijgen.

7.1. Het college heeft de beoordeling van geuremissie gebaseerd op de 'Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant' van 1 november 2011. In dit beleid worden drie typen omgevingscategorieën onderscheiden, waarvoor verschillende geurnormen gelden. In de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 van het besluit van 6 maart 2012 zijn geurcontouren opgenomen die zijn gebaseerd op de voor de categorie 'wonen' geldende geurnormen. Deze normen bieden, in vergelijking met de normen voor de andere categorieën, de hoogste bescherming tegen geurhinder. Daargelaten of de door [appellant sub 3] bedoelde objecten in de juiste categorie zijn ingedeeld, liggen deze buiten de vastgelegde geurcontouren, zodat ingevolge deze voorschriften de geuremissie bij de objecten de norm voor de categorie 'wonen' niet mag overschrijden. Verder volgt uit het geuronderzoek en de door het college op 25 oktober 2012 uitgevoerde geurmetingen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een memo van 19 november 2012, dat kan worden voldaan aan de hiervoor vermelde voorschriften.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte geen nadere voorschriften aan de vergunning zijn verbonden die waarborgen dat de gaskap van de biogasopslag gasdicht is. Hij verwijst in dit verband naar het rapport 'Onderzoek naar de (aanpak van) geuremissie bij mestvergistingsinstallaties, een casestudie bij de installatie van Cleanergy te Wanroij' van Witteveen+Bos van 24 mei 2011, waarin is geconcludeerd dat de gasdichtheid voor de geurstoffen niet 100% gegarandeerd is.

8.1. Voorschrift 3.2.4 van het besluit van 4 februari 2013 luidt:

"De tussenlucht (lucht tussen bewegend membraam en buitendak) van de vergisters 1, 2, 3, en 4 en (…) moeten via een leidingsysteem (damp) zijn verbonden met de venturi schoorsteen van de WKK. Vrijkomende lucht moet - via de venturi schoorsteen - in de rookgasafvoer van de WKK worden afgevoerd."

In het deskundigenbericht is vermeld dat in het rapport van Witteveen+Bos van 24 mei 2011 de gasdichtheid van speciaal geproduceerde folies is getest en is vastgesteld dat bij hoge concentraties ongeveer 0,1% doorsloeg. Naar aanleiding van dit onderzoek is de gaskap behandeld met een coating om de gasdichtheid te garanderen. Dit is een extra maatregel om de emissie te minimaliseren.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het stellen van nadere voorschriften nodig is om emissie van gassen te voorkomen.

De beroepsgrond faalt.

9. [appellante sub 2] betoogt dat voorschrift 4.2.1 van het besluit van 6 maart 2012 in strijd is met de rechtszekerheid, omdat niet duidelijk is wat onder representatieve bedrijfsomstandigheden moet worden verstaan.

9.1. Voorschrift 4.2.1 luidt:

"Binnen zes maanden na het van kracht worden van deze vergunning en vervolgens telkens na één jaar dient vergunninghoudster door meting en berekening aan te tonen dat de geuremissies van de gehele inrichting de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden. De metingen dienen onder representatieve bedrijfsomstandigheden (debiet, temperatuur en geurvracht) plaats te vinden aan de verschillende schoorstenen van de WKK's. Onder representatieve bedrijfsomstandigheden wordt die situatie bedoeld waarbij de voor de productie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor de vergunde bedrijfsvoering. (…)"

9.2. In de vergunningaanvraag en het daarbij behorende geuronderzoek is een beschrijving gegeven van de wijze waarop de inrichting in werking is. Verder is in hoofdstuk 2 van de voorschriften van het besluit van 6 maart 2012 een aantal voorschriften opgenomen over de acceptatie en verwerking van mest en co-substraten. Met de representatieve bedrijfssituatie wordt gedoeld op deze werkwijze, zoals gereguleerd door de vergunningvoorschriften. Het voorschrift is voldoende duidelijk.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellante sub 2] betoogt dat de vergunningvoorschriften niet toereikend zijn om een goede werking van de chemische luchtwasser te waarborgen. Daartoe voert zij aan dat ten onrechte geen voorschrift is opgenomen dat betrekking heeft op de meting en registratie van het lucht- en vloeistofdebiet, de drukval over de installatie en de zuurgraad van het waswater.

10.1. Ingevolge voorschrift 3.3.11 van het besluit van 4 februari 2013 moet de luchtwasinstallatie zijn voorzien van een systeem waarmee de drukval wordt gemeten en weergegeven. Het meetsysteem moet zijn voorzien van een alarmsysteem dat bij afwijkende waarden voor de drukval een akoestisch signaal geeft. Verder is in paragraaf 3.3 van de voorschriften van het besluit van 6 maart 2012 onder meer voorgeschreven dat de onderdelen en leidingen zodanig zijn gedimensioneerd dat een goede werking is gewaarborgd, de zuurgraad van het waswater niet meer bedraagt dan vier pH en deze zuurgraad continu wordt gemonitord. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 3.3.11 en de desbetreffende voorschriften van paragraaf 3.3 in redelijkheid niet toereikend zijn te achten.

De beroepsgrond faalt.

11. [appellante sub 2] betoogt dat in de voorschriften ten onrechte niet is opgenomen hoe de onderdruk moet worden gecontroleerd en gemonitord. In dat verband voert zij aan dat tevens onduidelijk is hoe het dimensioneringsplan is beoordeeld. Verder is zij bevreesd voor geurhinder vanwege mogelijk verlies van onderdruk in met name de opslaghal voor co-substraten.

11.1. Ingevolge voorschrift 3.2.18 van het besluit van 6 maart 2012 dient de onderdruk zoals beschreven in de voorschriften 3.2.6 en 3.2.12 continu per genoemde ruimte door middel van monitoring gecontroleerd te worden. De hiertoe gebruikte parameters dienen geregistreerd te worden.

11.2. Mede gelet op het deskundigenbericht heeft het college dit voorschrift in redelijkheid toereikend kunnen achten. Verder is in het besluit van 6 maart 2012 vermeld hoe de berekening van de onderdruksystemen en het daarop gebaseerde dimensioneringsplan is beoordeeld en op grond waarvan het plan akkoord is bevonden. [appellante sub 2] heeft de motivering van het besluit in zoverre niet bestreden. Voorts kunnen, mede gelet op het deskundigenbericht, de voorschriften 3.2.5 tot en met 3.2.18, zoals gedeeltelijk gewijzigd bij het besluit van 4 februari 2013, toereikend worden geacht om de onderdruk in de verschillende ruimten in voldoende mate te waarborgen.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

12. [appellant sub 3] betoogt dat het college zich bij de beoordeling van de geluidhinder niet had mogen baseren op de immissiewaarden voor de woningen Peelstraat 2a, 2b en 4, zoals deze in de akoestische rapporten van DGMR van 15 februari 2012 en 2 november 2012 zijn berekend. Daartoe voert hij aan dat voor deze woningen ten onrechte verschillende akoestische benaderingen zijn gebruikt.

12.1. Bij besluit van 4 februari 2013 zijn de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting aangescherpt ten opzichte van het besluit van 6 maart 2012. Ingevolge voorschrift 5.1.1 gelden op de controlepunten 50 m ten zuiden en 50 m ten westen van de inrichting grenswaarden van 48 dB(A) voor de dagperiode, 39 respectievelijk 42 dB(A) voor de avondperiode en 39 respectievelijk 41 dB(A) voor de nachtperiode. De woningen Peelstraat 2a, 2b en 4 liggen op grotere afstand van de inrichting. Onbetwist is dat de geluidimmissie bij die woningen voldoet aan de door het college gehanteerde richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998. Het in beroep aangevoerde kan niet leiden tot het oordeel dat de geluidimmissie bij de woningen Peelstraat 2a, 2b en 4 niet door de gestelde geluidgrenswaarden in voldoende mate wordt beperkt.

De beroepsgrond faalt.

13. [appellante sub 2] betoogt dat de in voorschrift 5.1.1 van het besluit van 4 februari 2013 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet naleefbaar zijn vanwege de transportbewegingen in de avond- en nachtperiode.

13.1. In tabel 1 van het akoestisch rapport van 2 november 2012 zijn de geluidsbronnen in de representatieve bedrijfssituatie weergegeven. Daarin is ook vermeld dat in de avond- en nachtperiode transportbewegingen plaatsvinden. Volgens het akoestisch rapport zijn deze transportbewegingen bij de berekening van de geluidbelasting betrokken en wordt aan de in voorschrift 5.1.1 opgenomen geluidgrenswaarden voldaan. [appellante sub 2] heeft geen concrete argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het akoestisch rapport in zoverre onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

14. [appellant sub 3] betoogt dat de in voorschrift 5.1.2 van het besluit van 6 maart 2012 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau niet naleefbaar zijn. Daartoe voert hij aan dat de geluidbelasting in de nachtperiode voor de woning aan de Molenveld 9 meer dan 60 dB(A) bedraagt.

14.1. Ingevolge voorschrift 5.1.2 mogen de maximale geluidniveaus, veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting, ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

14.2. Volgens het akoestisch rapport van 2 november 2012 bedraagt het maximale geluidniveau voor de woning Molenveld 9 in de nachtperiode 60 dB(A). [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport op dit punt onjuist is. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de in voorschrift 5.1.2 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau niet kunnen worden nageleefd.

De beroepsgrond faalt.

Beste beschikbare technieken

15. [appellante sub 2] betoogt dat niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit het onderzoek 'Quick scan van be- en verwerkingstechnieken voor dierlijke mest' van Animal Science Group van Wageningen UR van 2004 volgt weliswaar dat de techniek van ultrafiltratie en omgekeerde osmose een bewezen techniek is voor varkensdrijfmest bij een constante samenstelling, doch het ingangsmateriaal dat in de inrichting wordt gebruikt heeft echter geen constante samenstelling, aldus [appellante sub 2].

15.1. In het besluit van 6 maart 2012 is vermeld dat de vergiste mest wordt gescheiden in een dikke en een dunne fractie. De dunne fractie wordt behandeld door ultrafiltratie en omgekeerde osmose. Volgens het deskundigenbericht is de afgescheiden dunne fractie van de vergiste mest vergelijkbaar met varkensdrijfmest als bedoeld in het hiervoor genoemde onderzoek van Wageningen UR. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat ultrafiltratie en omgekeerde osmose als een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek kan worden aangemerkt. Hetgeen [appellante sub 2] aanvoert geeft geen aanleiding deze conclusie onjuist te achten.

De beroepsgrond faalt.

Fakkelinstallatie

16. [appellante sub 2] betoogt dat de gestelde voorschriften over het gebruik van de fakkel ontoereikend zijn om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Het college had een door hem te controleren digitaal systeem voor het gebruik van de fakkel moeten voorschrijven. Verder is de in voorschrift 3.4.6 van het besluit van 6 maart 2012 opgenomen termijn van drie dagen te lang. Ten slotte kan de fakkelinstallatie niet altijd automatisch worden opgestart en is deze vaker in gebruik dan toegestaan, aldus [appellante sub 2].

16.1. In voorschrift 3.4.2 van het besluit van 4 februari 2013 is bepaald dat de fakkelinstallatie moet zijn voorzien van een systeem waarmee de fakkel ten tijde van storingen aan de elektrische ontsteking alsnog kan worden ontstoken. In voorschrift 3.4.4 van het besluit van 6 maart 2012 is bepaald dat de fakkelinstallatie zodanig wordt geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat te allen tijde ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen en/of gassen is verzekerd. In paragraaf 3.4 zijn daarnaast voorschriften opgenomen die een goede werking van de fakkelinstallatie moeten waarborgen.

Het college heeft toegelicht dat de fakkelinstallatie is bedoeld als achtervang voor de WKK. De in voorschrift 3.4.6 genoemde termijn van drie dagen, waarbinnen bij een defect aan de fakkelinstallatie herstel of vervanging daarvan moet plaatsvinden, ziet op de situatie dat de WKK nog in werking is. In het geval de WKK buiten werking is en de fakkelinstallatie defect is, is hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer van toepassing en dienen direct maatregelen te worden getroffen. De in voorschrift 3.4.6 genoemde termijn is in een dergelijke situatie niet van toepassing.

Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat de fakkelinstallatie feitelijk vaker in gebruik is dan op grond van voorschrift 5.2.1 is toegestaan, heeft dit geen betrekking op de rechtmatigheid van de vergunning.

16.2. Gelet op het vorenstaande bestaat in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de gestelde voorschriften in redelijkheid niet toereikend zijn te achten.

De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschriften

17. [appellante sub 2] betoogt dat voorschrift 1.1.1 van het besluit van 6 maart 2012 ontoereikend is. Daartoe voert zij aan dat ten onrechte niet een frequentie van onderhoud en controle van overheidswege is voorgeschreven.

17.1. Ingevolge voorschrift 1.1.1 dient voor de technische installaties en voorzieningen binnen de inrichting een inspectie- en onderhoudssysteem opgezet te zijn dat periodiek onderhoud, herkeuringen en controle van installaties met een afdoende frequentie en diepgang waarborgt.

17.2. Voorschrift 1.1.1 biedt een kader voor het inspectie- en onderhoudssysteem voor de technische installaties en voorzieningen. Ten aanzien van de frequentie van het onderhoud en inspectie van de specifieke installaties zijn, waar nodig, aparte voorschriften gesteld. Het bepaalde in die voorschriften maakt onderdeel uit van het inspectie- en onderhoudssysteem. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 1.1.1 in samenhang met die voorschriften toereikend is.

De beroepsgrond faalt.

18. [appellante sub 2] betoogt dat in voorschrift 3.5.7 van het besluit van 6 maart 2012 niet kon worden volstaan met een verwijzing naar de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR). In de voorschriften had moeten worden verwezen naar specifieke NEN-normen voor de uitvoering van metingen van ammoniak, aldus [appellante sub 2].

18.1. Ingevolge voorschrift 3.5.7 moet voorafgaand aan de metingen van de ammoniakemissie een meetplan worden opgesteld, waarin de frequentie en de meetmethode zijn weergegeven. Het meetplan moet ten minste voldoen aan de uitgangspunten van de NeR en algemeen verbindende regelingen. Het meetplan moet door het bevoegd gezag worden goedgekeurd.

In voorschrift 3.5.9 van het besluit van 6 maart 2012 is bepaald dat de emissiemetingen worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in paragraaf (lees: bijlage) 4.7 van de NeR.

18.2. In hoofdstuk 3.7 van de NeR is een kader gegeven voor het uitvoeren van luchtemissiemetingen. In bijlage 4.7 zijn NEN-normen opgenomen voor luchtemissiemetingen. In de voorschriften 3.5.3 en 3.5.10 van het besluit van 6 maart 2012 wordt voor de meetpunten en de meetinstantie verwezen naar NEN-normen. Voor zover een meetplan niet aan de daartoe gestelde eisen voldoet kan het college daaraan goedkeuring onthouden.

[appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor genoemde vergunningvoorschriften niet in redelijkheid toereikend kunnen worden geacht om een juiste emissiemeting te verzekeren.

De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden

19. [appellant sub 3] en [appellante sub 2] betogen dat niet duidelijk is voor welke delen van de inrichting de vergunning bij het besluit van 4 februari 2013 is ingetrokken.

19.1. In het besluit van 4 februari 2013 is vermeld dat de intrekking van de vergunning betrekking heeft op de (voorgenomen) uitbreiding met twee WKK's, de (voorgenomen) uitbreiding van het losdock, drie vergistingssilo's en tussenruimte, twee co-substratensilo's, twee tussenopslagsilo's en twee trafohuisjes. Dat - zoals [appellante sub 2] respectievelijk [appellant sub 3] stelt - bouwwerken zonder de vereiste bouw- of omgevingsvergunning zijn opgericht en een aantal voorzieningen voor bouwwerken waarvoor de vergunning wordt ingetrokken, al is gerealiseerd, maakt dat niet anders. Uit het besluit blijkt duidelijk op welke onderdelen de intrekking van de vergunning betrekking heeft.

De beroepsgrond faalt.

20. [appellant sub 3] betoogt dat het college bij het nemen van het besluit van 4 februari 2013 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met toekomstige ontwikkelingen. Volgens hem had het college rekening moeten houden met de omstandigheid dat vergunninghoudster de uitbreiding van de capaciteit naar 50.000 ton per jaar alsnog wil realiseren en de gemeente Sint Anthonis bereid is medewerking te verlenen om dit planologisch mogelijk te maken.

20.1. De vergunning voor de door [appellant sub 3] genoemde uitbreiding is bij het besluit van 4 februari 2013 ingetrokken. Reeds daarom is die uitbreiding geen toekomstige ontwikkeling die het college bij het nemen van dat besluit had moeten betrekken.

De beroepsgrond faalt.

21. [appellant sub 3] betoogt dat de vergunning van 6 maart 2012 ten onrechte toestaat dat Cleanergy hemel- en afvalwater loost of infiltreert in een infiltratiegebied dat is gelegen tussen het bedrijventerrein Molenveld en de Peelstraat. Blijkens het verhandelde ter zitting is deze beroepsgrond aldus beperkt dat [appellant sub 3] bevreesd is dat in het infiltratiegebied verontreinigd afvalwater wordt gebracht.

21.1. De bij besluit van 6 maart 2012 verleende vergunning heeft geen betrekking op het lozen of infiltreren van bedrijfsafvalwater in het infiltratiegebied. In 2002 en 2009 zijn krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vergunningen verleend voor het lozen van bedrijfsafvalwater op het gemeentelijk riool. Voor zover bedrijfsafvalwater zonder een daartoe vereiste vergunning in het infiltratiegebied wordt gebracht, kan daartegen handhavend worden opgetreden.

Het betoog faalt.

22. [appellant sub 3] betoogt dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de gevolgen van zwevende deeltjes PM10 en eventuele andere (on)verbrandbare schadelijke stoffen. Het college had dit moeten beoordelen, aldus [appellant sub 3].

22.1. In het besluit van 6 maart 2012 is geconcludeerd dat de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde en hier relevante grenswaarden voor zwevende deeltjes PM10, stikstofdioxide en zwaveldioxide niet worden overschreden.

De beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

23. [appellante sub 2] betoogt dat het college bij het verlenen van de vergunning van 6 maart 2012 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de financiële situatie van Cleanergy. Zij stelt dat Cleanergy financieel niet stabiel genoeg is om de gevraagde uitbreidingen te realiseren.

23.1. De financiële situatie van Cleanergy is geen aspect dat het college op grond van het toetsingskader van de Wet milieubeheer bij de beoordeling van de aanvraag had moeten betrekken.

De beroepsgrond faalt.

24. Voor het overige heeft [appellante sub 2] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerpbesluit naar voren gebrachte zienswijzen. Het college heeft daarop in het besluit van 6 maart 2012 een reactie gegeven. [appellante sub 2] heeft in het beroepschrift of ter zitting geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist is.

De hierin besloten liggende beroepsgronden falen.

Conclusie

25. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

Griffierecht en proceskostenveroordeling

26. Aangezien het college met het besluit van 4 februari 2013 aan het beroep van [appellant sub 1] is tegemoetgekomen, ziet de Afdeling aanleiding het college te gelasten het door [appellant sub 1] betaalde griffierecht te vergoeden.

27. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Ten aanzien van [appellante sub 2] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] tegen de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 6 maart 2012 en 4 februari 2013 ongegrond;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

190-720.