Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201209436/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Historische kern Delfgauw" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209436/1/R4.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A], gevestigd te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp, [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]),

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Historische kern Delfgauw" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S. Pronk, advocaat te Delft, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. S. van der Eijk, advocaat te Wateringen en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch en M.E. van Soldt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Grillroom Müko, vertegenwoordigd door C.H. Kayabasi, gehoord.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de raad, buiten bezwaren van partijen, nog stukken nagezonden.

Bij tussenuitspraak van 12 juni 2013 in zaak nr. 201209436/1/T1/R4 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 13 weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 6 juni 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

Daartoe uitgenodigd hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hun zienswijzen naar voren gebracht.

Tegen het gewijzigde besluit is beroep ingesteld door [appellant sub 3].

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 12 december 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S. Pronk, advocaat te Delft, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. S. van der Eijk, advocaat te Wateringen, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 3B] en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch, M.E. van Soldt en R. Nieborg, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Grillroom Müko, vertegenwoordigd door C.H. Kayabasi, gehoord.

Overwegingen

[locatie]

1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in hun zienswijzen te kennen gegeven dat zij zich niet kunnen verenigen met de wijze waarop het besluit hersteld is. Ingevolge artikel 6:19, eerst lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Gelet op deze bepaling zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 5 september 2013.

2. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] heeft de Afdeling de raad opgedragen om:

- met inachtneming van hetgeen onder 2.1 van de tussenuitspraak is overwogen een nieuwe planregeling vast te stellen voor het plandeel ter plaatse van het perceel [locatie], waarin aan het bedrijf van [appellant sub 1] een passende bestemming wordt toegekend;

- met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 3.3 en 3.4 van de tussenuitspraak te onderzoeken of en onder welke voorwaarden, gelet op de vast te stellen nieuwe planregeling voor het perceel [locatie], de plandelen "wro-wijzigingsgebied 3" en "wro-wijzigingsgebied 4" deel kunnen blijven uitmaken van het plan, en indien dat nodig wordt geoordeeld in zoverre het besluit te wijzigen door het vaststellen van een nieuwe planregeling voor die plandelen.

3. De raad heeft op basis van het akoestisch onderzoek "HUBO [appellant sub 1] te Delfgauw" door Royal Haskoning DHV, van juli 2013 (hierna geluidrapport Haskoning), de conclusie getrokken dat de geluidbelasting vanwege het bedrijf op bestaande woningen en op "wro-gebied wijzigingszone 4" bij een representatieve bedrijfsvoering voldoet aan de in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer) voorgeschreven maximale waarden, mits de overheaddeur tijdens de werkzaamheden niet meer dan 20 minuten geopend is. De raad heeft aan het perceel van [appellant sub 1] de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij". Toegelaten is een houtzagerij met een oppervlak van maximaal 200 m2, exclusief houtopslag.

De raad heeft voorts besloten dat gelet op het akoestisch onderzoek wijzigingsgebied 4 deel kan blijven uitmaken van het plan, en dat na aanpassing van de planregels ook wijzigingsgebied 3 deel van het plan kan blijven uitmaken.

3.1. Ingevolge de aangepaste planregels gelden voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in wijzigingsgebied 3 de volgende voorwaarden, voor zover hier van belang:

k de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat:

(…)

2. in geval van de projectie van woningen of andere gevoelige bestemmingen, de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder dan wel een vóór vaststelling van het wijzigingsplan vastgestelde hogere grenswaarde, niet wordt overschreden;

(…)

6. de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie] mogen niet worden belemmerd, waarbij uit akoestisch onderzoek moet blijken dat aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan; tevens moet worden aangetoond dat het bedrijf geen stof- of geurhinder veroorzaakt;

7. de geluidbelasting op de begane grond vanwege de onder 1 [lees: 6] genoemde bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 45 dB(A);

8. indien op de zolderverdieping van de geprojecteerde woningen niet aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan, dient te worden voorzien in een zogenaamde dove gevel; de blijvende aanwezigheid van de dove gevel dient in de bouw- en gebruiksregels van het wijzigingsplan te worden geborgd;

9. de afstand tussen de geprojecteerde woningen en de terreingrens van het onder 1 genoemde bedrijf alsmede het naastgelegen rioolgemaal, dient ten minste 10 meter te bedragen;

10. teneinde te kunnen voldoen aan de onder 2 genoemde randvoorwaarde, dient langs de terreingrens van het onder 1 [lees: 6] genoemde bedrijf een geluidscherm te worden aangelegd van tenminste 3 meter en maximaal 4 meter hoogte; de blijvende aanwezigheid van het scherm dient in de bouw- en gebruiksregels van het wijzigingsplan te worden geborgd;

11. aangetoond moet worden dat het rioolgemaal geen geurhinder op de geprojecteerde woningen veroorzaakt.

4. [appellant sub 1] betoogt dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van verkeerde aannames ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie en dat daardoor de werkelijke geluidsbelasting van de bestaande bedrijfsactiviteiten te laag is ingeschat. Uitgaande van de werkelijke geluidproductie zal volgens [appellant sub 1] noch in wijzigingsgebied 3, noch in wijzigingsgebied 4 kunnen worden voldaan aan de geluidgrenswaarden. Ter onderbouwing van dit betoog heeft zij het rapport "Geluid in de omgeving ten gevolge van Houtzagerij NJ [appellant sub 1] te "Delfgauw; onderzoek in reactie op het gewijzigde bestemmingsplan "Historische kern Delfgauw"", door bureau Peutz, gedateerd 16 oktober 2013 (hierna: geluidrapport Peutz), overgelegd. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad er niet van mocht uitgaan dat zij maatregelen zou treffen om de geluidproductie te beperken. De voorgestelde maatregel, het gesloten houden van de roldeur, is niet met haar bedrijfsvoering te verenigen, aangezien deze vaak open moet staan in verband met het verwerken van lange stukken hout. Volgens [appellant sub 1] moet, gelet op het standpunt van de raad en de opdracht van de Afdeling, het uitgangspunt zijn dat [appellant sub 1] ongestoord en ongewijzigd haar activiteiten kan voortzetten, en niet dat de voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer moeten worden nageleefd en, anders dan tot nu toe is gebeurd, zullen worden gehandhaafd.

4.1. De raad stelt dat hij is uitgegaan van een bedrijfsvoering waarbij, in de bestaande situatie, voldaan wordt aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij de door Peutz beschreven bedrijfsvoering zouden deze voorschriften worden overtreden en dienen hoe dan ook maatregelen te worden getroffen om de geluidsbelasting terug te brengen. Overtreding van deze voorschriften, indien daarvan sprake is, is immers niet toegestaan. Voor zover de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] daardoor wordt beperkt is deze beperking niet veroorzaakt door de voorziene nieuwe woningen, aldus de raad.

4.2. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij geen rekening hoeft te houden met een bedrijfsvoering waarbij [appellant sub 1] in de bestaande situatie niet voldoet aan de geluidvoorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het betoog van [appellant sub 1] dat uitgegaan dient te worden van een ongewijzigde voortzetting van haar activiteiten, nu tegen de overtreding niet eerder handhavend is opgetreden, treft geen doel. [appellant sub 1] is verplicht de in of krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde regels na te leven.

Gelet daarop en gelet op het geluidrapport Haskoning ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] door de realisatie van woningen in de wijzigingsgebieden zal worden beperkt ten opzichte van de bestaande situatie voor zover daarbij aan het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan.

5. [appellant sub 1] betoogt dat een geluidscherm van 4 meter hoog niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, gezien de invloed hiervan op de omgeving voor haarzelf, omwonenden en bewoners van de te realiseren woningen in het wijzigingsgebied. [appellant sub 3] betoogt dat een geluidscherm van ten minste 3 meter en maximaal 4 meter het enige uitzicht dat hij heeft volledig zal wegnemen. Ook zal het scherm de bezonning in zijn tuin wegnemen. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat door de weerkaatsing van het geluid tegen het scherm, de geluidbelasting op de gevel van zijn woning juist toeneemt.

5.1. Het geluidscherm is voorzien op de grens tussen [appellant sub 1] en wijzigingsgebied 3. Aldaar staan bedrijfsgebouwen die in hoogte overeenkomen met het voorziene scherm. De afstand tot de woning van [appellant sub 3] bedraagt 42 meter. Gelet op deze omstandigheden is de te verwachten invloed op de omgeving en op het uitzicht van zowel [appellant sub 3] als [appellant sub 1] beperkt en heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling een geluidscherm op deze plek in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat de geluidbelasting op zijn gevel door reflectie zal toenemen overweegt de Afdeling dat deze gevel is betrokken in de berekeningen in het geluidrapport Haskoning, en dat daaruit niet blijkt dat het geluidscherm de geluidbelasting op de gevel noemenswaardig beïnvloedt. Overigens heeft de raad toegezegd dat hij voor materiaal met in dat opzicht gunstige eigenschappen zal kiezen.

6. [appellant sub 1] betoogt dat de ruimtelijke gevolgen van de benodigde geluidwerende maatregelen voor bewoners van de te realiseren woningen niet aanvaardbaar zullen zijn. Volgens haar kan dat ertoe leiden dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, omdat de woningen onverkoopbaar zullen zijn. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de beoogde woningen in verband met de geurcontour van het aan het wijzigingsgebied grenzende rioolgemaal ten onrechte pas bij uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid hoeft te worden onderzocht.

6.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mag de administratieve rechter een besluit niet vernietigen op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Indien de realisatie van een geluidscherm en dove gevels ten koste zou gaan van de leefbaarheid in de te realiseren woningen en in zoverre in strijd zou zijn met beginselen van een goede ruimtelijke ordening dan betreft dit beginselen die strekken tot bescherming van de belangen van deze toekomstige bewoners. Ook de bepalingen inzake de geurcontour van het rioolgemaal dienen ter bescherming van het belang van toekomstige bewoners bij een goed woon- en leefklimaat. Nu de regels waarop [appellant sub 1] zich beroept kennelijk niet strekken ter bescherming van het belang bij een ongestoorde bedrijfsvoering van [appellant sub 1] kunnen deze beroepsgronden niet tot vernietiging leiden. De beroepsgronden blijven daarom inhoudelijk onbesproken.

[appellant sub 1] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de geluidmaatregelen tot gevolg zullen hebben dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

7. [appellant sub 1] betoogt voorts dat ten onrechte de bestemming een houtzagerij van niet meer dan 200 m2 toelaat. De houtzagerij meet in de bestaande situatie 234 m2, aldus [appellant sub 1]. Daarom dient voor het bepalen van de aan te houden afstanden ook niet te worden uitgegaan van een bedrijf in milieucategorie 3.1, maar milieucategorie 3.2.

7.1. De raad stelt dat de door [appellant sub 1] bedoelde 34 m2 grotendeels in gebruik is als een aan de bouwmarkt ondergeschikte platenzaagruimte.

7.2. Ter zitting is gebleken dat de bestemming aanduiding "houtzagerij" overeenkomstig de opgave door [appellant sub 1] aan het desbetreffende deel van het gebouw is toegekend. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad ten onrechte ervan uit is gegaan dat deze ruimte ondergeschikt is aan de bouwmarkt. Gelet daarop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid.

8. [appellant sub 1] betoogt dat het gedeelte van het perceel waarop de doe-het-zelf-winkel annex bouwmarkt is gevestigd hoort te worden gekwalificeerd als detailhandel die moet worden bestemd als "Gemengd" in de zin van artikel 5 van de planregels.

8.1. Aan een deel van het gebouw van [appellant sub 1] waar zich de bouwmarkt bevindt, is de bestemming "Gemengd" toegekend. Deze bestemming omvat onder meer detailhandel. Gelet op het verhandelde ter zitting is de bestemming "Gemengde doeleinden" echter niet aan het gehele deel van het gebouw dat als bouwmarkt in gebruik is toegekend, maar is een deel bestemd als "Bedrijf". Gronden met die bestemming zijn ingevolge artikel 3.1.1 onder a van de planregels aangewezen voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die behoort bij de planregels. Zoals blijkt uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten omvat dit onder meer bouwmarkten. Gelet daarop is het gebruik als bouwmarkt van het als "Bedrijf" bestemde deel van het pand niet in strijd met de bestemming, en wordt [appellant sub 1] door deze bestemming niet geschaad in haar bedrijfsvoering. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad die bestemming niet in redelijkheid heeft kunnen toekennen.

Delftsestraatweg 152

9. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.2, zo nodig na het verrichten van onderzoek, op toereikende wijze te motiveren dat de bestemming "Gemengd" met de aanduiding "horeca" ter plaatse van het perceel Delftsestraatweg 152 ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel het besluit in zoverre te wijzigen door het vaststellen van een nieuwe planregeling voor dit plandeel. In 4.2 is overwogen dat aan het mogelijk maken van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een afweging inzake de ruimtelijke aanvaardbaarheid ten grondslag dient te liggen, waarin niet alleen het bestaande feitelijk gebruik en de belangen van de gebruiker van het perceel worden betrokken, maar ook de overige belangen die met de bestemmingswijziging zijn gemoeid, waaronder de belangen die zijn gemoeid met de effecten op de leefomgeving van, onder meer, [appellant sub 2]. Omdat de raad ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de nieuw toegekende bestemming - waardoor horeca is toegelaten - slechts had gesteld dat bestaand gebruik is gerespecteerd, is geoordeeld dat het plan voor zover het betreft de aanduiding "horeca" op het perceel Delftsestraatweg 152 te Delfgauw niet op een deugdelijke motivering berust.

9.1. De raad heeft ter aanvulling van de motivering overwogen dat het gebruik als grillroom weliswaar in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan, maar dat het zijn bestaansrecht in de loop der jaren heeft bewezen. Het draagt bij aan de levendigheid van het gebied en is passend bij en aanvullend op de bestemming detailhandel. Ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid heeft de raad overwogen dat de inrichting dient te voldoen aan de voorschriften voor geur en geluid die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het reguliere toezicht op de naleving zijn geen overtredingen geconstateerd, en klachten zijn ongegrond bevonden.

Ten aanzien van de gevolgen van de horecafunctie voor het verkeer en de parkeerdruk in de omgeving stelt de raad dat het parkeerbeleidsplan van de gemeente uitgaat van een richtlijn die inhoudt dat de parkeersituatie acceptabel is als de parkeerdruk in een gebied van 200 bij 200 meter overdag 85 % of minder is, en ’s nachts 90% of minder. Uit een parkeeronderzoek van Bureau de Groot Volker uit 2011 (hierna: het parkeeronderzoek) blijkt dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Dit onderzoek is volgens de raad nog steeds valide, aangezien het autobezit niet of nauwelijks toeneemt. De raad betoogt in dit verband ook dat schuin tegenover de grillroom een parkeerschijfzone met 11 parkeerplaatsen is ingericht, die overdag een goede parkeergelegenheid voor de grillroom biedt. De raad stelt in dit verband ook dat de parkeernorm voor een cafetaria volgens de Nota Parkeernormen 6 parkeerplaatsen bedraagt, tegenover een norm van 3,25 parkeerplaatsen voor de bestemming detailhandel, en dat de extra vraag die daaruit voortvloeit goed opgevangen kan worden in de omgeving.

Voorts heeft de raad planregel 5.1 gewijzigd. Door deze wijziging is ter plaatse van de aanduiding "horeca" niet langer een horeca-inrichting die valt in categorie 2 van de bij de regels behorende Staat van horecabedrijven toegelaten, maar een horecabedrijf behorend tot ten hoogste categorie 1, alsmede een grillroom met bezorg en afhaalservice, die uitsluitend in de dag- en avondperiode is geopend. Volgens de raad wordt aldus bereikt dat de huidige grillroom, die weliswaar valt onder categorie 2 van de Staat van horecabedrijven, maar die niet ’s-nachts geopend is en daarom wat betreft potentiële hinder vergelijkbaar is met horecabedrijven die zijn ingedeeld in horeca categorie 1, dienovereenkomstig wordt bestemd, zonder dat dit leidt tot een algemene toelating van horecabedrijven die zijn ingedeeld in categorie 2.

10. [appellant sub 2] betoogt dat nog steeds geen belangenafweging heeft plaatsgevonden inzake de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Het rapport van Royal Haskoning DHV waar de raad gebruik van heeft gemaakt bij zijn beoordeling schiet volgens [appellant sub 2] tekort, omdat de concrete geur- en geluidoverlast die door [appellant sub 2] wordt ondervonden daarbij onvoldoende is betrokken. [appellant sub 2] wijst er in dit verband op dat met hem geen contact is opgenomen. Ook wijst [appellant sub 2] er op dat de stelling van de raad dat reguliere controles en controles naar aanleiding van klachten hebben plaatsgevonden niet met gegevens is onderbouwd. Niet duidelijk is welke klachten zijn binnengekomen, wanneer reguliere controles hebben plaatsgevonden en wat daarvan de precieze uitkomst is geweest.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de parkeersituatie aanvaardbaar is. Het onderzoek waarnaar de raad verwijst is niet bij de stukken gevoegd. Bovendien vond het onderzoek geruime tijd geleden plaats en is het verricht in de nachtelijke uren, hetgeen geen goed beeld geeft. De parkeerschijfzone waar parkeergelegenheid voor de grillroom zou zijn functioneert niet als zodanig volgens [appellant sub 2], omdat deze aan de overzijde van een drukke verkeersweg ligt.

10.1. Zoals de Afdeling in haar tussenuitspraak van 12 juni 2013 heeft overwogen is de horecabestemming van het perceel Delftsestraatweg 152 in planologisch opzicht een nieuwe ontwikkeling. Daaraan dient een afweging inzake de ruimtelijke aanvaardbaarheid ten grondslag te liggen, waarin onder meer worden betrokken de effecten op de leefomgeving van omwonenden.

10.2. Volgens het parkeeronderzoek is de bezetting in de omgeving van de grillroom 71 - 90 %, hetgeen volgens het parkeerbeleid van de raad acceptabel is. Hetgeen [appellant sub 2] aanvoert geeft geen aanleiding om het standpunt van de raad dat, gelet op het onderzoek, de grillroom niet tot een onaanvaardbare parkeerdruk leidt, onjuist te achten.

10.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat de grillroom leidt tot geluidhinder overweegt de Afdeling dat de woning van [appellant sub 2] en de grillroom liggen in een gebied waar bedrijven, winkels en maatschappelijke bestemmingen aanwezig zijn. Ook liggen woning en grillroom aan een drukke verkeersweg. De geluiden die gepaard gaan met het komen en gaan van bezoekers en bezorgers waarop [appellant sub 2] wijst, zijn in een dergelijke omgeving niet ongebruikelijk. Gelet daarop en nu de openingstijden ingevolge de gewijzigde planregel zijn beperkt tot de dag- en avondperiode ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat van de grillroom een zodanige geluidbelasting moet worden verwacht dat de raad om die reden in redelijkheid niet voor deze bestemming had kunnen kiezen.

10.4. Een grillroom kan leiden tot geurbelasting op de woning van [appellant sub 2], in het bijzonder gelet op de geringe afstand tussen de grillroom en die woning. In de afwegingen ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een grillroom op deze plek diende de mogelijke geurbelasting derhalve te worden betrokken. Niet is gebleken dat de raad ten behoeve van de vestiging van een grillroom op deze plek onderzoek heeft verricht naar de te verwachten geurbelasting en de mogelijkheden om deze zo nodig te voorkomen of te beperken. In zoverre is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dat, zoals de raad stelt, geen overtredingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn geconstateerd is in dit verband niet van doorslaggevende betekenis, omdat in of krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer geen regels voor de maximaal aanvaardbare geurbelasting vanwege een inrichting als deze zijn gesteld, maar alleen middelvoorschriften. Ook blijkt uit de door de raad overgelegde controleverslagen niet dat, al dan niet naar aanleiding van klachten, onderzoek is gedaan naar de geurbelasting vanwege de grillroom ter plaatse van de woning van [appellant sub 2]. Het betoog slaagt.

11. Gelet op het voorgaande is het besluit voor zover aan het perceel [locatie] de aanduiding “horeca” is toegekend, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Ook steunt het besluit dientengevolge nog steeds niet op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het besluit dient in zoverre vernietigd te worden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Conclusie

12. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak van 12 juni 2013 zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 6 juni 2012 gegrond.

Het beroep van rechtswege van [appellant sub 2] tegen het besluit van 5 september 2013 is gegrond.

Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] tegen het besluit van 5 september 2013 is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 5 september 2013 is ongegrond.

13. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 3] is voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen [appellante sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp van 6 juni 2012 gegrond;

II. vernietigt het besluit van 6 juni 2012 voor zover dit ziet op:

- het plandeel met de bestemming "Bedrijf" zonder nadere aanduiding op het perceel [locatie];

- de aanduidingen "wro-zone wijzigingsgebied 3" en "wro-zone wijzigingsgebied 4"op de verbeelding;

- artikel 20, lid 20.3 en lid 20.4 van de planregels;

- het plandeel met de bestemming "Gemengd" en de functieaanduiding "horeca" op het perceel met adres Delftsestraatweg 152;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp van 5 september 2013 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 5 september 2013 voor zover dit betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd" en de functieaanduiding "horeca" op het perceel met adres Delftsestraatweg 152;

V. draagt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde bestemmingsplan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart de beroepen van [appellante sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van 5 september 2013 ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van de bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1714,04 (zegge: zeventienhonderdveertien euro en vier cent) waarvan € 1704,50 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp tot vergoeding van de bij [appellante sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1704,50 (zegge: zeventienhonderdvier euro en vijftig cent) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro);

X. gelast dat de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp [appellante sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

539.