Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:546

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201303847/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:2104, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft de Belastingdienst het kindgebonden budget aan [appellant] over 2009 vastgesteld op € 523,00 en € 845,00 aan uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303847/1/A2.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 14 maart 2013 in zaak nr. 12/5738 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft de Belastingdienst het kindgebonden budget aan [appellant] over 2009 vastgesteld op € 523,00 en € 845,00 aan uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag aan [appellant] over 2009 vastgesteld op € 273,00 en € 222,00 aan uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] verleende voorschot kindgebonden budget over 2010 herzien naar € 624,00.

Bij besluit van 21 november 2011 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag aan [appellant] over 2010 vastgesteld op € 571,00 en € 11,00 aan uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 8 december 2011 heeft de Belastingdienst het kindgebonden budget aan [appellant] over 2010 vastgesteld op € 610,00 en € 14,00 aan uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 3 februari 2012 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag aan [appellant] over 2009 herzien vastgesteld op € 186,00 en € 87,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft de Belastingdienst het kindgebonden budget aan [appellant] over 2009 herzien vastgesteld op € 410,00 en € 113,00 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft de Belastingdienst de door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 oktober 2012 vernietigd en de bezwaren tegen de besluiten van 2 augustus 2010, 23 augustus 2010, 21 november 2011 en 8 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2014.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming leidt tot een terug te vorderen bedrag, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn bezwaren alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, nu hij de besluiten als gevolg van een verhuizing en de daaruit voortvloeiende problemen met de postbezorging niet tijdig heeft ontvangen. De Belastingdienst was hiervan op de hoogte en heeft om die reden zijn bezwaren inhoudelijk behandeld. Voorts voert hij aan dat de bezwaren bovendien tijdig waren, nu hij bezwaar heeft gemaakt tegen meerdere besluiten. Tot slot voert hij aan dat de Belastingdienst toeslagbedragen heeft uitgekeerd op een voor hem onbekend rekeningnummer, maar hij die bedragen nu wel ten onrechte bij hem terugvordert.

2.1. Vaststaat dat [appellant] de bezwaren tegen de besluiten van 21 november 2011, 2 augustus 2010 en 8 december 2011 te laat heeft ingediend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] de besluiten van de Belastingdienst - naar hij stelt - te laat heeft ontvangen als gevolg van de wijziging van zijn woonadres, geheel voor risico en rekening van [appellant] komt. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat niet in geschil is dat de Belastingdienst de besluiten naar het juiste adres heeft gezonden. Dat zijn post - naar [appellant] stelt - middels de verhuisservice van TNT Post (lees: Post NL) automatisch is doorgezonden naar de voormalige bewoner van zijn nieuwe woonadres, heeft hij niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2012, waarbij de vaststelling van de zorgtoeslag over 2009 is herzien, op 25 februari 2012 en derhalve tijdig is ingediend.

Het betoog slaagt, voor zover het betrekking heeft op het laatstgenoemde besluit.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2012 van de Belastingdienst, voor zover daarin het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2012 ongegrond is verklaard, gelet op het hierna volgende, alsnog ongegrond verklaren en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

3.1. [appellant] heeft in beroep betoogd dat de Belastingdienst ten onrechte zorgtoeslag over 2009 van hem heeft teruggevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Belastingdienst de toeslag op een voor hem onbekend rekeningnummer heeft uitbetaald en hij die toeslag niet heeft ontvangen, zodat dit ook niet van hem kan worden teruggevorderd.

3.2. Het betoog faalt. De Belastingdienst heeft gesteld dat de zorgtoeslag over 2009 is uitbetaald op rekeningnummer 90.40.25.667. Niet in geschil is dat dat rekeningnummer toebehoort of heeft toebehoord aan [appellant]. Voorts heeft de Belastingdienst onweersproken gesteld dat [appellant] geen wijziging heeft doorgegeven dat hij zijn zorgtoeslag op een ander rekeningnummer wenste te ontvangen. Nu [appellant] in dit geval op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij de zorgtoeslag over 2009 niet op zijn rekening met bovengenoemd rekeningnummer heeft ontvangen en de toeslag aan hem als aanvrager is toegekend, heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag over 2009 terecht van hem teruggevorderd.

4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 14 maart 2013 in zaak nr. 12/5738;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2012, kenmerk BOB 23 BT12, voor zover daarin het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2012 ongegrond is verklaard, ongegrond;

IV. verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

V. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,00 (zegge: tweeënveertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

17-705.