Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201305369/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/240
ABkort 2014/71

Uitspraak

201305369/1/A2.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. A.M. Neijzen, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. R.D. Lubach, advocaat te Amsterdam, en mr. F.N. Yeboah, werkzaam in dienst van het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder het dagelijks bestuur wordt tevens diens rechtsvoorganger, het dagelijks bestuur van het voormalige stadsdeel Slotervaart, verstaan.

2. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van die wet blijft het recht, zoals dat gold vóór inwerkingtreding ervan, op dit geding van toepassing.

3. Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het dagelijks bestuur aan [appellant], destijds exploitant van een inrichting aan [locatie] te [plaats], krachtens artikel 2.20, vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer maatwerkvoorschriften opgelegd. Ingevolge die voorschriften moet de in de inrichting aanwezige muziekinstallatie van een op de eindversterker gesoldeerde en goedgekeurde geluidsbegrenzer zijn voorzien, die begrenzer op het niveau 71 dB(A) of op de waarde volgens uit het meest recente en door de directeur van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht goedgekeurde meetrapport zijn afgeregeld en verzegeld, het afregelen van die begrenzer door een kundig bedrijf worden gedaan en het verzegelen door een door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar en mag in de inrichting alleen muziek via de in die voorschriften beschreven muziekinstallatie ten gehore worden gebracht. In de brief, waarbij het besluit aan [appellant] is verzonden, is voorts vermeld dat de voorschriften in werking treden, indien daartegen binnen zes weken geen bezwaar is gemaakt.

Bij brief van 23 juli 2009 heeft het dagelijks bestuur [appellant] medegedeeld dat een medewerker van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht op 10 juli 2009 heeft vastgesteld dat de in het café aanwezige geluidsbegrenzer, in strijd met de maatwerkvoorschriften, niet op het maximaal toelaatbare geluidsniveau is afgeregeld en verzegeld. Daarbij heeft het hem voorts medegedeeld dat de geluidsbegrenzer binnen twee weken op dat geluidsniveau moet worden verzegeld, de geluidsbegrenzer door een erkend akoestisch adviesbureau moet worden afgeregeld, na die termijn wordt gecontroleerd of hij aan deze waarschuwing gevolg heeft gegeven en het tegen een overtreding met bestuursrechtelijke sanctiemiddelen, zoals het opleggen van een dwangsom, zal optreden.

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het het door [appellant] tegen het besluit van 20 mei 2009 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit ingetrokken en bepaald dat de gevolgen van de voortijdige uitvoering van dat besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken, ongedaan gemaakt zullen worden.

Bij brief van 1 april 2010 heeft het dagelijks bestuur [appellant] medegedeeld dat de maatwerkvoorschriften per direct zijn ingetrokken.

4. [appellant] heeft het dagelijks bestuur verzocht om vergoeding van schade als gevolg van het besluit van 20 mei 2009 en de voortijdige uitvoering ervan. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het dagelijks bestuur zich, gelet op de brief van 23 juli 2009, niet heeft gehouden aan de toezegging om de werking van de maatwerkvoorschriften op te schorten en het ingevolge de voorschriften niet was toegestaan om het geluidsniveau van de in het café aanwezige muziekinstallatie boven de in het besluit van 20 mei 2009 vastgestelde grenswaarde te laten uitstijgen en live muziek in het café te spelen en gesteld dat daardoor veel klanten uit het café zijn weggebleven en de omzet van de onderneming is gedaald. Voorts heeft hij aangevoerd dat het besluit van 23 maart 2010 mede een toezegging om schade als gevolg van de voortijdige uitvoering van het besluit van 20 mei 2009 volledig te vergoeden inhoudt.

5. Aan het besluit van 12 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat dat van 20 mei 2009 niet onrechtmatig is, dat besluit in verband met in bezwaar gebleken nieuwe ontwikkelingen en gewijzigde omstandigheden is herroepen en niet aannemelijk is gemaakt dat de door [appellant] gestelde schade door dat besluit is veroorzaakt. In dat van 29 mei 2012 heeft het dagelijks bestuur daaraan toegevoegd dat het de toezegging in het besluit van 23 maart 2010 is nagekomen en de brief van 23 juli 2009 geen besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), inhoudt.

6. [appellant] betoogt dat het daarmee miskent dat uit het besluit van 23 maart 2010, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie van 12 februari 2010, valt af te leiden dat dat van 20 mei 2009 onrechtmatig is.

6.1. Dat advies strekt ertoe dat [appellant] en de Dienst Milieu en Bouwtoezicht op 4 augustus 2009 afspraken hebben gemaakt, [appellant] die afspraken is nagekomen en de vereiste technische voorzieningen heeft getroffen, de direct aangrenzende bewoners geen geluidsmetingen toestaan, de woningbouwvereniging te kennen heeft gegeven dat zij de woning boven het café als kantoor in gebruik zal nemen en niet meer als woning zal verhuren en er in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen op dit moment geen aanleiding voor het opleggen van maatwerkvoorschriften is. Het strekt er niet toe dat de maatwerkvoorschriften ten tijde van het besluit van 20 mei 2009 niet opgelegd mochten worden. In het in beroep aangevoerde is verder evenmin grond te vinden voor het oordeel dat dat besluit wegens een aan het dagelijks bestuur te wijten onrechtmatigheid is herroepen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat het dagelijks bestuur heeft miskend dat de brief van 23 juli 2009 een besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, inhoudt dat de opschortende werking van het tegen het besluit van 20 mei 2009 gemaakte bezwaar wordt opgeheven.

7.1. In de brief van 20 mei 2009 is niet te kennen gegeven dat de maatwerkvoorschriften niet in werking treden, indien daartegen binnen zes weken bezwaar wordt gemaakt. Uit die brief valt niet af te leiden dat het dagelijks bestuur heeft beoogd dat het maken van bezwaar de werking van het besluit van die dag schorst. Voor zover uit de brief van 23 juli 2009 valt af te leiden dat de maatwerkvoorschriften volgens het dagelijks bestuur in werking zijn getreden, strekt die brief er derhalve niet toe om enig rechtsgevolg in het leven te roepen.

Ook dit betoog faalt.

8. Ambtshalve overweegt de Afdeling voorts dat gelet op onder meer de uitspraak van 7 juni 2006 in zaak nr. 200509663/1, tegen het door het dagelijks bestuur niet nakomen van een toezegging, als door [appellant] gesteld, en tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de brief van 23 juli 2009 geen bezwaar kon worden gemaakt, zodat het dagelijks bestuur het door [appellant] tegen het besluit van 12 oktober 2010 gemaakte bezwaar ten onrechte niet in zoverre niet-ontvankelijk heeft verklaard.

9. Het beroep is gegrond, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het door [appellant] tegen het door het dagelijks bestuur niet nakomen van een toezegging, als door [appellant] gesteld, en de afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de brief van 23 juli 2009 gemaakte bezwaar. Het besluit van 29 mei 2012 dient in zoverre te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond. De Afdeling zal op de na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.

10. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), in de bestuurlijke fase van de procedure.

10.1 Ingevolge die verdragsbepaling heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld.

10.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis, de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, van toepassing, omdat het primaire besluit dateert van 12 oktober 2010. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde.

In zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en één rechterlijke instantie bestaan is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste drie jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De hiervoor vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten.

10.3 De procedure wordt met deze uitspraak beëindigd, zodat zij in totaal, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift, drie jaar en drie maanden heeft geduurd. De behandeling van het beroep heeft minder dan twee jaar geduurd. Het tijdsverloop is niet veroorzaakt door het procesgedrag van [appellant]. [appellant] heeft het dagelijks bestuur enkele malen verzocht een besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. Dat hij twee maal een poging heeft gedaan om tot een minnelijke schikking te komen en over en weer brieven zijn geschreven, zoals het dagelijks bestuur in het verweerschrift heeft gesteld, betekent niet dat de gevolgen daarvan voor de duur van de behandeling van het bezwaar voor zijn risico komen.

Uit het vorenstaande volgt dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, met drie maanden is overschreden en de gevolgen daarvan in hun geheel voor rekening van het dagelijks bestuur komen. De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, veroordelen tot betaling van € 500,00 aan [appellant] als vergoeding voor door hem geleden immateriële schade.

11. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring bij besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West van 29 mei 2012 van het door [appellant] tegen het door het dagelijks bestuur niet nakomen van een toezegging, als door [appellant] gesteld, en tegen de afwijzing van een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een brief van het dagelijks bestuur van 23 juli 2009 gemaakte bezwaar;

II. vernietigt dat besluit, kenmerk 2011/NT/1221, in zoverre;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. verklaart het door [appellant] tegen het door het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West niet nakomen van een toezegging, als door [appellant] gesteld, en tegen de afwijzing van een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een brief van het dagelijks bestuur van 23 juli 2009 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 29 mei 2012;

VI. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West tot vergoeding aan [appellant] van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro);

VII. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West tot vergoeding aan [appellant] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,75 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro en vijfenzeventig cent), waarvan € 1.461,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

452.