Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201305151/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2013, nummer 00013/13, heeft de raad het bestemmingsplan "Plusmarkt Abcoude" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305151/1/R2.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FormsManagement Holding Vastgoed B.V. (hierna: FMH), gevestigd te Abcoude, gemeente De Ronde Venen,

appellante,

en

de raad van de gemeente De Ronde Venen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2013, nummer 00013/13, heeft de raad het bestemmingsplan "Plusmarkt Abcoude" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft FMH beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

FMH heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2013, waar FMH, vertegenwoordigd door [directeur], en S. Kouwenhoven, bijgestaan door mr. J.M. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. de Vink-Bregman en N.J.M. Röling, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], en E.F. van de Baan, bijgestaan door mr. E.M. van Bommel, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. [belanghebbende] voert aan dat het beroep van FMH niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij geen belanghebbende bij het bestreden besluit is. Volgens [belanghebbende] wordt FMH door het besluit niet rechtstreeks in haar belangen getroffen, te meer omdat niet aannemelijk is dat het plan negatieve gevolgen heeft voor de verhuurbaarheid van de kantoorpanden van FMH.

1.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.2. FMH is eigenaar van het ten zuidoosten van het plangebied gelegen perceel en de daar aanwezige panden Amsterdamsestraatweg 26 en 28, die zij als kantoren verhuurt. FMH heeft gesteld dat de in het plan voorziene ontwikkelingen de verhuurbaarheid van haar panden nadelig zal beïnvloeden. De Afdeling overweegt dat nu het perceel van FMH direct grenst aan het plangebied haar belang reeds hierom rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kan FMH worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in de mogelijkheid een complex met onder meer een supermarkt, aanvullende detailhandel en maximaal 35 appartementen te realiseren. Het plangebied ligt op de hoek van de Amsterdamsestraatweg en de Broekzijdselaan te Abcoude.

4. FMH betoogt dat de vestiging van een supermarkt in het plangebied leidt tot leegstand in het bestaande winkelgebied van Abcoude en concurrentie voor de winkeliers aldaar.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van FMH in zoverre afstuit op het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb.

4.2. In de plantoelichting is vermeld dat een distributieplanologisch onderzoek (hierna: DPO) is verricht ten behoeve van de in het plan voorziene detailhandelsontwikkeling. In het DPO is vermeld dat door verplaatsing van de supermarkt van de zuidkant van het centrum naar de locatie aan de rand van het centrumgebied, een trekker zal verdwijnen. Vermeld is dat wanneer rekening wordt gehouden met de actuele uitgangspunten, zoals de huidige economische conjunctuur en toenemende internetverkopen, de conclusie is dat er na de realisatie van de beoogde ontwikkeling voor alle winkels in de dagelijkse goederen in Abcoude voldoende omzet te behalen blijft en dat een onaanvaardbare toename van de leegstand dan ook niet te verwachten valt.

4.3. In hetgeen FMH heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het DPO gebreken dan wel leemten in kennis vertoont en dat de raad zich derhalve niet in redelijkheid daarop heeft mogen baseren. Nu uit het DPO volgt dat een onaanvaardbare toename van de leegstand niet te verwachten valt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan leidt tot een dusdanige mate van leegstand dat de raad daaraan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid een groter belang had behoren toe te kennen dan aan de belangen die met het plan gediend zijn.

Ten aanzien van het betoog van FMH dat de raad bij afweging van de belangen een groter gewicht had moeten toekennen aan het belang van de winkeliers in het bestaande winkelgebied bij het behouden van hun huidige concurrentiepositie, overweegt de Afdeling dat, wat er hiervan ook zij, dit geen belang is dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de beoordeling kan worden betrokken. Het betoog faalt.

Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan de vernietiging van het besluit in de weg staat geen bespreking meer.

5. FMH betoogt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het verblijfsklimaat in haar kantoorpanden.

FMH voert daartoe aan dat de voorziene bebouwing leidt tot een ernstige vermindering van lichtinval, in het bijzonder in het dichtstbijzijnde pand Amsterdamsestraatweg 28. FMH wijst in dit verband op de in haar opdracht opgestelde planschadebeoordeling van Interim Bouwconsult B.V. (hierna: de planschadebeoordeling). Volgens FMH volgt hieruit dat in het ten behoeve van het plan verrichte bezonningsonderzoek niet is uitgegaan van een getrouwe weergave van de bebouwing en dat de daglichttoetreding in het achterste gedeelte van het pand Amsterdamsestraatweg 28 ernstig zal verminderen.

FMH voert verder aan dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor het geluidniveau in haar kantoorpanden. Zij wijst in dit verband erop dat voor de in het plan voorziene appartementen geluidbeperkende maatregelen worden genomen.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet tot een onaanvaardbare aantasting van het verblijfsklimaat in de kantoorpanden van FMH leidt. Volgens de raad neemt de daglichttoetreding ten opzichte van de bestaande situatie, waarin in het plangebied reeds bebouwing aanwezig is, in beperkte mate af. De raad wijst hiertoe op het bezonningsonderzoek van Van Moort & Partners (hierna: het bezonningsonderzoek) dat ten behoeve van het plan is uitgevoerd. De geluidbelasting ter plaatse van de panden van FMH zal ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen slechts in zeer beperkte mate toenemen, aldus de raad.

5.2. In het bezonningsonderzoek is met behulp van een computermodel de schaduwwerking berekend in de bestaande situatie en de nieuwe situatie op 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. De raad heeft gesteld dat hierbij is uitgegaan van het in het plan vastgestelde peil en de maximaal toegestane bouwhoogten. In hetgeen FMH heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van de uitkomsten van het bezonningsonderzoek heeft mogen uitgaan. De Afdeling overweegt daartoe dat op basis van de planschadebeoordeling niet aannemelijk is gemaakt dat in het bezonningsonderzoek niet is uitgegaan van een getrouwe weergave van de bestaande en de voorziene situatie. Evenmin is voldoende inzichtelijk gemaakt in de planschadebeoordeling in hoeverre ten gevolge van het plan dan meer schaduw en een afname van de daglichtintreding zou optreden. De Afdeling overweegt voorts dat het bezonningsonderzoek laat zien dat het verschil in schaduwwerking tussen de bestaande en de nieuwe situatie zeer beperkt is. Alleen op 31 maart en op 31 september om 15.00 uur treedt ten opzichte van de bestaande situatie op een klein deel van de zuidwestgevel van de Amsterdamsestraatweg 28 extra schaduw op. De raad heeft toegelicht dit niet onevenredig te achten, nu dit vooral bij twee ramen tot een verslechtering van de daglichttoetreding leidt. Gelet op het beperkte verschil in schaduwwerking in de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie, alsmede gelet op deze toelichting van de raad, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van lichtinval in de kantoorpanden van FMH.

Voorts staat vast dat de maximumsnelheid op de Amsterdamsestraatweg 30 km/uur bedraagt. Blijkens de plantoelichting bedraagt de verkeerstoename op deze weg door de voorziene ontwikkelingen 316 verkeersbewegingen per etmaal en bedraagt de geluidbelasting op de gevels aan de Amsterdamsestraatweg in de voorziene situatie ten hoogste 56 dB. De raad heeft gesteld dat het plan ten opzichte van de bestaande situatie zal leiden tot een toename van de geluidbelasting met minder dan 1 dB. Gelet op deze geringe toename, alsmede nu een kantoor volgens de raad niet dezelfde bescherming behoeft als een woning, bestaat volgens de raad geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot onaanvaardbare geluidoverlast. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het plan voor het geluidniveau in de kantoorpanden van FMH.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het verblijfsklimaat in de kantoorpanden van FMH.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Fenwick

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

608.