Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201304177/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:2023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en aanpassen van een varkenshouderij aan [4 locaties] te Baarle-Nassau.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 10
Regeling geurhinder en veehouderij
Regeling geurhinder en veehouderij 2
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 46
Natuurbeschermingswet 1998 46a
Natuurbeschermingswet 1998 47a
Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/151 met annotatie van P.B. Bokelaar

Uitspraak

201304177/1/A4.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Baarle-Nassau (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2013 in zaak nr. 12/3209 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en aanpassen van een varkenshouderij aan [4 locaties] te Baarle-Nassau.

Bij uitspraak van 14 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201304201/1/A4, ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, en het college, vertegenwoordigd door H. van der Borst en ing. J. Klei, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door ir. A.C.H.M. Commissaris, als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Bij besluit van 30 oktober 2007 is voor de inrichting een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Bij het besluit van 15 mei 2012 is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en aanpassen van de inrichting. Hierbij is voorzien in plaatsing van een nieuwe stal, toename van het aantal dieren en verandering van het aantal dieren dat in elk van de stallen wordt gehouden, en wijziging van luchtwassystemen in een deel van de stallen.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft betwist dat de aanvraag om de krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) benodigde vergunning is ingediend voordat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend. Volgens [appellant] had de aanvraag om omgevingsvergunning tevens betrekking moeten hebben op de handelingen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d van de Nbw 1998.

2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Nbw 1998 is titel 1 van hoofdstuk IX van die wet van toepassing op handelingen:

a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en

b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, geldt.

Ingevolge het tweede lid is deze titel niet van toepassing op handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 46a, eerste lid, dat deel uitmaakt van deze titel, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 46, eerste lid.

De artikelen 47 en 47a bevatten soortgelijke bepalingen ten aanzien van handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt.

2.2. Het college en [belanghebbende] hebben gesteld dat [belanghebbende] bij de bij het college ingediende aanvraag om omgevingsvergunning een kopie heeft gevoegd van de door hem voor het uitbreiden en aanpassen van de varkenshouderij bij gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingediende aanvraag om vergunning krachtens de Nbw 1998 voor handelingen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d, met daarop een ontvangststempel van de provincie. [appellant] heeft dit niet betwist. Hieruit blijkt dat ten tijde van de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning reeds een aanvraag voor de krachtens de Nbw 1998 benodigde vergunning was ingediend. Gelet op de artikelen 46, tweede lid, en 47, tweede lid, van de Nbw 1998 behoefde [belanghebbende] er dan ook geen zorg voor te dragen dat de aanvraag om omgevingsvergunning tevens betrekking had op de handelingen, bedoeld in de artikelen 16 en 19d.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat aan de vergunning een voorschrift had moeten worden verbonden, waarin is vastgelegd dat transportbewegingen ten behoeve van de stallen aan de noordzijde van de inrichting langs een route achter de stallen 14, 13, 12, 11 en 19 moeten plaatsvinden. Volgens [appellant] is er bij de berekening van de te verwachten geluidhinder als gevolg van verkeer ten behoeve van de inrichting over de openbare weg in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning van uitgegaan dat deze transportbewegingen langs deze alternatieve route zouden plaatsvinden. Hij wijst op een brief van de burgemeester van 24 april 2013, waarin dit is bevestigd.

3.1. Het college heeft bij de beoordeling van het geluid van wegverkeer van en naar de inrichting de circulaire van 29 februari 1996 "Beoordeling geluidhinder van het wegverkeer in verband met vergunningverlening Wm" van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. In een bij de aanvraag om omgevingsvergunning gevoegd en van die vergunning deel uitmakend memo van M&A Milieuadviesbureau van 29 maart 2012 (hierna: het memo) is de te verwachten geluidhinder als gevolg van verkeer van en naar de inrichting berekend. Bij deze berekening zijn tevens de als interne transportbewegingen aangeduide tractorbewegingen over de tussen het noordelijke en zuidelijke deel van de inrichting gelegen openbare weg betrokken. In het memo is geconcludeerd dat, uitgaande van de daarin onderzochte routes, de in de circulaire aanbevolen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. De door [appellant] genoemde alternatieve route achter de stallen 14, 13, 12, 11 en 19 is in het memo niet onderzocht. Hieruit volgt dat bij de berekening die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, niet van deze alternatieve route is uitgegaan. De door [appellant] aangehaalde opmerking in de brief van de burgemeester van 24 april 2013, dat de aanvraag om omgevingsvergunning er in voorziet dat verkeer van en naar de inrichting achterlangs rijdt, is derhalve onjuist. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de door hem genoemde alternatieve route in een voorschrift had moeten worden vastgelegd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de reductie van geurhinder waarvan het college is uitgegaan, in de praktijk niet wordt bereikt. Volgens [appellant] is de geurhinder toegenomen, mede als gevolg van de uitbreiding van het aantal dieren in de inrichting. [appellant] voert in dit verband aan dat de berekening van de geurhinder met behulp van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 niet overeenkomt met de werkelijkheid, omdat in dit model een keuze moet worden gemaakt tussen de meteogebieden Schiphol en Eindhoven, waar de meteorologische omstandigheden anders zijn dan ter plaatse van de inrichting. Volgens [appellant] had in verband hiermee een voorschrift aan de vergunning verbonden moeten worden, inhoudende dat onderzoek naar de feitelijke geurbelasting ter plaatse moet worden verricht.

4.1. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij worden bij ministeriƫle regeling regels gesteld over de wijze waarop de geurbelasting, bedoeld in artikel 3 van die wet, wordt bepaald.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij, wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010.

4.2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zijn geurberekeningen gevoegd, waarbij de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting is berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010. [appellant] heeft niet betwist dat bij de berekeningen een juiste toepassing is gegeven aan dit verspreidingsmodel. De door hem gestelde omstandigheid dat de berekende geurbelasting niet overeenkomt met de werkelijke geurbelasting, omdat in het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 wordt uitgegaan van meteorologische omstandigheden die niet overeenkomen met de werkelijke omstandigheden ter plaatse van de inrichting, is, wat daar verder van zij, een gevolg van de in de Regeling geurhinder en veehouderij neergelegde keuze voor dit verspreidingsmodel. Het college was gehouden bij de beoordeling gebruik te maken van dit verspreidingsmodel. Hetgeen [appellant] aanvoert, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat het college niet van de bij de aanvraag gevoegde geurberekeningen mocht uitgaan, dan wel dat het college aan de vergunning een voorschrift had moeten verbinden als door [appellant] bepleit.

Het betoog faalt.

5. [appellant] voert verder aan dat niet voor elk van de stallen met de nummers 13, 14, 14a en 14b waarop de omgevingsvergunning mede ziet reeds een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend, terwijl deze stallen wel reeds zijn gerealiseerd.

5.1. De vraag of reeds stallen zijn gerealiseerd zonder daartoe benodigde bouwvergunning of omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen betreft een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde is.

Het betoog faalt.

6. Voor het overige heeft [appellant] volstaan met een verwijzing naar de gronden van het bij de rechtbank ingediende beroep, zonder gemotiveerd aan te voeren dat en waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. De betogen falen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter,

en mr. C.J. Borman en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

462-727.