Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:52

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201303870/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ4695, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 32.000,00 wegens 4 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303870/1/V6.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

2. [appellante], gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 21 maart 2013 in zaak nr. 12/1781 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 32.000,00 wegens 4 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 13 juli 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 juli 2012 vernietigd, het besluit van 12 augustus 2010 herroepen, de boete vastgesteld op € 28.800,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, bijgestaan door A. Koopstra en E.T.M. Liebrand, inspecteurs van de Inspectie SZW, allen werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. W.J.Th. Bustin, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Volgens paragraaf 24 van de Uitvoeringsregels Wav behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav (hierna: de Uitvoeringsregels) - voor zover luidend ten tijde van belang - kan voor vreemdelingen die arbeid verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van hun opleiding voor maximaal een jaar een tewerkstellingsvergunning worden verleend zonder toepassing van artikel 8, eerste lid, onder a, b en d, van de Wav. Voorwaarde voor toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid is dat deze stagiairs reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd in hun herkomstland. Voor alle in de paragraaf bedoelde stages dient uit een door de desbetreffende onderwijsinstelling afgegeven verklaring te blijken dat de stage een noodzakelijk onderdeel uitmaakt van het onderwijsprogramma. Tevens dient een gefaseerd stageprogramma te worden overgelegd waaruit blijkt wat de inhoud van de stage is. Het aantal stagiairs per werkgever dient beperkt te blijven tot 10% van het vaste personeelsbestand, met een minimum van 2.

Volgens artikel 9 van de Beleidsregels CWI uitvoering Wav (hierna: de Beleidsregels) - voor zover luidend ten tijde van belang - is het niveau van de opleiding mede bepalend voor de duur van de stage in Nederland. De in het stageprogramma opgenomen leerdoelen dienen in overeenstemming te zijn met het opleidingsniveau.

Het hoger beroep van [appellante]

2. Vaststaat dat de Centrale organisatie werk en inkomen voor de vier bij [appellante] tewerkgestelde Indonesische stagiairs op 1 februari 2008 tewerkstellingsvergunningen heeft verleend voor het verrichten van arbeid als stagiair en deze vergunningen nadien niet heeft ingetrokken.

De minister heeft, zich baserend op het daartoe opgestelde boeterapport van - thans - de Inspectie SZW van 5 februari 2010, in het besluit van 13 juli 2012 zijn standpunt gehandhaafd dat de werkzaamheden van de vier stagiairs bij [appellante], een vestiging van [hotels], in de periode van april tot en met 22 augustus 2008 niet overeenkomstig paragraaf 24 van de Uitvoeringsregels en artikel 9 van de Beleidsregels hebben plaatsgevonden. Aangezien [appellante] ten tijde van belang niet over de vereiste tewerkstellingsvergunningen voor het verrichten van reguliere werkzaamheden beschikte, is artikel 2, eerste lid, van de Wav overtreden, aldus de minister. Het zwaartepunt ligt volgens de minister bij het niet naleven van het Begeleid praktijkgericht stageprogramma STP-visie, meer specifiek het om de twee maanden rouleren naar een andere afdeling binnen [appellante].

3. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201303863/1/V6 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de werkzaamheden van 28 stagiairs bij de verschillende vestigingen van [hotels] - waaronder [appellante] - het in artikel 2, eerste lid, van de Wav vervatte verbod is overtreden. Gelet op de overwegingen 3.1 tot en met 3.5 van die uitspraak slaagt het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bevoegd was haar een boete op te leggen.

4. In hoger beroep is onbestreden het oordeel van de rechtbank dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden en voorts dat die overschrijding - die volledig aan de minister is te wijten - niet gerechtvaardigd is. Aangezien uit overweging 3 volgt dat de boete ten onrechte is opgelegd, bestaat aanleiding de minister met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen - uitgaande van een bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond - tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan [appellante] als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

Het hoger beroep van de minister

5. Het betoog van de minister behelst de klacht dat de rechtbank bij de verlaging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn een onjuist percentage heeft toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3 en 4 is overwogen, heeft de minister geen belang bij de beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.

Conclusie

6. Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. Het hoger beroep van de minister is niet-ontvankelijk. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank behoort te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren en het besluit van 13 juli 2012 vernietigen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen, zal de Afdeling op na te melden wijze in de zaak voorzien.

7. De minister moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet-ontvankelijk;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 21 maart 2013 in zaak nr. 12/1781;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2012, kenmerk WBJA/JA-WAV/2010/18701/BOB;

V. herroept het besluit van 12 augustus 2010, kenmerk 071020117/03;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om aan [appellante] te betalen een bedrag aan schadevergoeding van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.435,00 (zegge: tweeduizendvierhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 788,00 (zegge: zevenhonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

XI. bepaalt dat van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Heer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

636.