Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201301736/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:BY8233, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellante sub 2] een monumentenvergunning te verlenen voor het aanbrengen van een LED-scherm aan de voorgevel van het pand op het perceel Kleine Gartmanplantsoen 15-17 te Amsterdam (hierna: het City Theater).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301736/1/A1.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum,

2. [appellante sub 2A], gevestigd te [plaats], en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Evema Beheer B.V., [appellante sub 2B] en Emro Beheer Amsterdam B.V., alle gevestigd te Amsterdam, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellante sub 2]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2013 in zaak nr. 12/2115 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het dagelijks bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellante sub 2] een monumentenvergunning te verlenen voor het aanbrengen van een LED-scherm aan de voorgevel van het pand op het perceel Kleine Gartmanplantsoen 15-17 te Amsterdam (hierna: het City Theater).

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellante sub 2] een bouwvergunning te verlenen voor het aanbrengen van een LED-scherm aan de voorgevel van het City Theater.

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante sub 2] tegen de besluiten van 2 augustus 2010 en 18 augustus 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 maart 2012 vernietigd, het besluit van 18 augustus 2012 herroepen, het dagelijks bestuur opgedragen de ter zake van de van rechtswege verleende vergunning in acht te nemen publicatieverplichtingen na te leven, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 maart 2012 voor zover dit het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2012 betreft en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2010 te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het dagelijks bestuur en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur en [appellante sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante sub 2] tegen het besluit van 2 augustus 2010 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 juni 2013 heeft [appellante sub 2] hiertegen gronden aangevoerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2013, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.C. van Elewoud, werkzaam bij het stadsdeel, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, en B.J. van Gelder, zijn verschenen.

Overwegingen

Monumentenvergunning

1. Ingevolge artikel 10 van de Monumentenverordening stadsdeel Amsterdam-Centrum 2005 (hierna: de Monumentenverordening) is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het dagelijks bestuur of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:

a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een gemeentelijk monument te herstellen te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of de monumentale waarden in gevaar worden gebracht.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, brengt het dagelijks bestuur de aanvraag en ingebrachte zienswijze terstond ter kennis van de Commissie voor Welstand en Monumenten en vraagt de laatstgenoemde Commissie om advies voordat zij beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 10.

Ingevolge het zesde lid, kan het dagelijks bestuur aan een vergunning als bedoeld in artikel 10 voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.

Ingevolge artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.

2. Het pand waaraan het LED-scherm is voorzien, is een gemeentelijk monument. Voor het bouwplan is een monumentenvergunning vereist ingevolge artikel 10 van de Monumentenverordening. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een positief advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: de Commissie), nu het een advies onder voorbehoud van voorwaarden is en de voorwaarden niet aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden, omdat deze niet zien op het belang van de monumentenzorg. Het advies is volgens hem voorts onvoldoende gemotiveerd, nu niet is aangegeven aan welke monumenten- en welstandscriteria de aanvraag is getoetst.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur niet afdoende kenbaar heeft gemotiveerd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de voorwaarden niet zien op het bij het waarborgen van de monumentenzorg te betrekken elementen. Volgens de rechtbank hebben de voorwaarden, gelet op het advies van de Commissie, betrekking op de bescherming van (de uitstraling van) het monument, zodat niet valt in te zien waarom deze niet in het belang van de monumentenzorg handhaafbaar zouden zijn. Volgens de rechtbank kunnen de door de Commissie geadviseerde voorwaarden aan de monumentenvergunning worden verbonden en is, anders dan het dagelijks bestuur meent, sprake van een positief monumentenadvies.

4. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alle voorwaarden die door de Commissie van belang zijn geacht in het kader van de monumentenzorg aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden en geen sprake is van een negatief advies.

4.1. De Commissie heeft in haar advies van 3 maart 2010 verklaard geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een monumentenvergunning. Zij heeft daaromtrent het volgende overwogen:

"De commissie gaat vanwege het in de architectuur geïntegreerde reclamevak, de karakteriserende kunstlichttoepassingen van de architect Jan Wils en de locatie in het "centrum van vermaak", in dit specifieke geval akkoord met het plaatsen van het LED-scherm. Zij geeft daarbij nadrukkelijk als voorwaarde aan dat de door het stadsdeel gestelde voorwaarden ten aanzien van de bedrijfsuren, de lichtsterkte en de frequentie van beelden opgenomen worden in de vergunning.". In de brief van het dagelijks bestuur aan de Commissie van 12 februari 2010 is over deze voorwaarden het volgende vermeld:

"(..)2. Lichtsterkte: Data-display stelt voor om in de daglichtsituatie een grenswaarde van 1200 candela/m2 aan te houden (de lichtsterkte is instelbaar tussen 0 en 5500 cd/m2). De richtlijnen van de NSVV (algemene Richtlijnen betreffende lichthinder Deel 4 Reclameverlichting) geven echter voor een scherm groter dan 10 m2 een grenswaarde van 800 cd/m2 aan (stadscentrum/industriegebied) en 600 cd/m2 voor stedelijk gebied. Voorstel van het stadsdeel is om de grenswaarde van 600 cd/m2 te hanteren, met name ter voorkoming van een onevenwichtig gevelbeeld. Dit geldt echter alleen in de daglichtsituatie. In de nachtsituatie zal de lichtsterkte verminderd moeten worden om de balans niet te verstoren. Het lijkt vooralsnog niet exact aan te geven tot welk niveau de reductie moet plaatsvinden. Dat is afhankelijk van het totale gevelbeeld, waarbij de verlichting van de trappenhuizen, het interne verlichtingsniveau van de horecaruimte onder het scherm, van de verlichte naamsaanduidingen en van de lichtlijnen op de toneeltoren een grote rol spelen. Uitgaande van de lichtemissie van een huiskamer-plasmascherm van 450 cd/m2 zou vooralsnog een maximum op dit niveau acceptabel moeten zijn. Dat betekent dat het scherm overdag op ca. 12% en in de donkere uren op ca. 8% van de maximaal mogelijke lichtopbrengst moet worden begrensd.

3.Bedrijfsuren: Voorstel van het stadsdeel is om de bedrijfsuren te koppelen aan de openingsuren van de horecavoorziening, omdat dat onderdeel van het complex de ruimste openingstijden heeft (zondag t/m donderdag van 09:00 uur tot 03:00 uur en op vrijdag en zaterdag van 09:00 uur tot 04:00 uur). M.a.w. door de weeks dient het scherm uitgeschakeld te zijn tussen 03:00 uur en 09:00 uur en in het weekend tussen 04:00 uur en 09:00 uur. (..)

5. Frequentie/wisseling van beeld: Uitgangspunt van het stadsdeel is de rustige uitstraling van het gevelbeeld, in principe mag alleen gebruik gemaakt worden van stilstaande het gehele beeldscherm vullende beelden, met een minimale duur van 5 minuten per beeld. Beeldwisseling zou d.m.v. overvloeien van minimaal 5 seconden moeten plaatsvinden.(..).

4.2. De Afdeling volgt het dagelijks bestuur niet in zijn betoog dat het advies negatief is ongeacht de vraag of de in het advies vermelde voorwaarden aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden. Uit het advies van de Commissie kan worden afgeleid dat zij in beginsel positief is over de aanvraag om monumentenvergunning. De monumentenvergunning kan volgens haar onder voorwaarden worden verleend. Daaruit volgt dat het dagelijks bestuur diende te motiveren waarom het geen monumentenvergunning onder voorwaarden wenste te verlenen. Die motivering kan niet worden gevonden in zijn standpunt dat de voorwaarden niet aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door de monumentencommissie bedoelde voorwaarden met betrekking tot de bedrijfsuren, de lichtsterkte en de frequentie van beelden op het LED-scherm kunnen worden geacht in het belang van de monumentenzorg als bedoeld in artikel 12, zesde lid, van de Monumentenverordening te zijn, nu deze voorwaarden betrekking hebben op het voorkomen van het verstoren van het monument. Zo moet het LED-scherm worden uitgeschakeld, indien het gebouw gesloten en dus donker is, moet de lichtsterkte verminderd worden als het buiten donker is en mag het beeld in verband met het uitgangspunt van een rustige uitstraling van het gevelbeeld niet te snel wisselen. Er is geen grond voor het oordeel dat, zoals het dagelijks bestuur betoogt, voorschriften die zien op het gebruik van het LED-scherm niet in het belang van de monumentenzorg zijn. Dit volgt niet uit de door hem genoemde uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 20 november 2003 in zaak nr. 200303380/1 en 200303380/2. In die zaak betrof het voorschriften die beoogden vervuiling van een kerk door het branden van kaarsen en wierook nagenoeg geheel of geheel uit te sluiten en zou het verbinden van die voorschriften aan de monumentenvergunning in strijd komen met het bepaalde in artikel 2 en artikel 18 van de Monumentenwet en niet met artikel 19, eerste lid, van die wet dat vergelijkbaar is met artikel 12, zesde lid, van de Monumentenverordening en waarin is bepaald dat de minister aan een monumentenvergunning voorschriften kan verbinden in het belang van de (archeologische) monumentenzorg.

4.3. Voor zover het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door de Commissie geadviseerde voorwaarden niet aan de bouwvergunning mogen worden verbonden, mist dit betoog feitelijke grondslag. De rechtbank is slechts in het kader van de monumentenvergunning ingegaan op deze voorwaarden.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het besluit op bezwaar van 20 augustus 2012, voor zover het de weigering monumentenvergunning te verlenen betreft, onvoldoende is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

5. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat met betrekking tot de monumentenvergunning slechts één weg open stond na vernietiging van het besluit van 20 maart 2012, namelijk het alsnog verlenen van de monumentenvergunning, al dan niet onder voorwaarden. In dit kader voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de "content" van het LED-scherm, zijnde de inhoud van de beelden op het LED-scherm, niet relevant is voor de monumentale waarden van het pand en dat het voeren van reclame in algemene zin, dat wil zeggen zonder onderscheid naar "content", onherroepelijk is vergund, zodat de "content" van het LED-scherm geen grond kan bieden voor weigering van de monumentenvergunning, dan wel het verbinden van "content"-voorwaarden aan de monumentenvergunning, en het vragen van nader advies aan de Commissie juridisch ontoelaatbaar is.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het advies van de monumentencommissie geen betrekking heeft op de inhoud van de beelden op het scherm. Zij hoefde zich derhalve in het kader van de vraag of het college, gelet op het advies van de monumentencommissie, de weigering monumentenvergunning te verlenen voldoende heeft gemotiveerd, niet uit te laten over de vraag of een voorschrift met betrekking tot de inhoud van de beelden op het LED-scherm aan de monumentenvergunning kan worden verbonden. Anders dan [appellante sub 2], blijkens haar toelichting ter zitting, meent, ligt in de aangevallen uitspraak geen impliciet oordeel over die vraag besloten. De rechtbank heeft immers overwogen dat voor zover het dagelijks bestuur van mening was dat het advies niet volledig of onduidelijk was in verband met de door het dagelijks bestuur gewenste voorwaarde ten aanzien van de inhoud van de beelden, het op zijn weg had gelegen om op dat punt een nadere motivering aan de Commissie te vragen. Voorts heeft zij overwogen geen ruimte te zien om tot finale geschilbeslechting te komen met betrekking tot de monumentenvergunning, nu voor het dagelijks bestuur verschillende routes te bewandelen zijn, zoals het alsnog verlenen van de vergunning of het inwinnen van nader advies bij de Commissie.

Het betoog faalt.

Bouwvergunning

6. Het pand waaraan het voorziene LED-scherm is bevestigd is gelegen op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Leidse- en Weteringbuurt 1998" de bestemming "Gemengde Doeleinden" rust.

7. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu de monumentenvergunning niet verleend kan worden, uit artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet volgt dat de bouwvergunning geweigerd moet worden. Het dagelijks bestuur heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften. Het bouwplan is volgens hem geheel voorzien buiten het bouwvlak met de bestemming "Gemengde Doeleinden" en boven gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Openbare Ruimte" rust. Het bouwplan is in strijd met deze bestemming, aldus het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat het slechts medewerking wil verlenen aan het bouwplan indien dit geen forse inbreuk op de woon- en leefomgeving met zich brengt, maar dat de door hem gewenste voorwaarden met betrekking tot het gebruik van het LED-scherm, zoals neergelegd in zijn brief van 27 oktober 2010, niet aan de bouwvergunning verbonden mogen worden en er bovendien een negatief welstandsadvies ligt, gelet op het advies van de Commissie van 3 maart 2010. Het advies van 3 maart 2010 voldoet volgens het dagelijks bestuur bovendien niet aan de zorgvuldigheidseisen, nu niet duidelijk is aan welke regels/criteria de commissie heeft getoetst en hoe de voorwaarden verband houden met de toetsing aan de welstandsnota, zodat dit advies niet aan het verlenen van een bouwvergunning ten grondslag gelegd kan worden.

8. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn bestemd tot openbare ruimte aangewezen voor rijwegen, bruggen, ongebouwde parkeervoorzieningen, fiets- en voetpaden, pleinen en openbaar groen en het behoud en herstel van de cultuur-historische waarden van stoepen, alsmede van bruggen die op kaart nr. LWB03MON zijn aangeduid met "orde 1" en "orde 2".

Ingevolge het derde lid, mogen op de tot openbare ruimte bestemde gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge het bepaalde onder g, bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 5 meter.

Ingevolge artikel 11 is het toegestaan om de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen en bebouwingsgrenzen te overschrijden ten behoeve van:

1. stoepen, stoeptreden, funderingen, plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, Franse balkons, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 0,20 meter bedraagt; (..).

9. Vast staat dat een LED-scherm, als de onderhavige, in strijd is met de bestemming "Openbare Ruimte". Partijen zijn verdeeld over de vraag of het LED-scherm is voorzien boven gronden met deze bestemming en zo ja, hoe groot deze overschrijding van de bestemmingsgrens tussen de bestemming "Gemengde Doeleinden" en de bestemming "Openbare Ruimte" is.

10. De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, nu de overschrijding van de bestemmingsgrens tussen de bestemming "Gemengde Doeleinden" en de bestemming "Openbare Ruimte" minder bedraagt dan 0,20 meter, zodat deze ingevolge artikel 11, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften is toegestaan. Nu het dagelijks bestuur niet binnen de beslistermijn van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet heeft beslist en niet is gebleken van een besluit tot verdaging van de beslissing, was volgens de rechtbank, gelet op artikel 46, vierde lid, van de Woningwet, reeds voor het besluit van 18 augustus 2010 een bouwvergunning van rechtswege tot stand gekomen.

11. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een bouwvergunning van rechtswege is verleend, nu het bouwplan in strijd met artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften en artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van toepassing is, omdat de overschrijding van de bestemmingsgrens meer dan 0,20 meter bedraagt. Volgens het dagelijks bestuur is de rechtbank bij het vaststellen van de omvang van de overschrijding ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat uit de bouwtekening volgt dat de afstand van het LED-scherm tot de bebouwing (die volgens hem gelijk loopt met de bestemmingsgrens) 28,5 cm bedraagt.

11.1. Vast staat dat het pand waaraan het LED-scherm is voorzien ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds bestond. Het dagelijks bestuur heeft zich, gelet hierop, op het standpunt kunnen stellen dat de voorgevel van deze bestaande bebouwing gelijk loopt met de op de plankaart weergegeven bestemmingsgrens tussen de bestemmingen "Gemengde doeleinden" en "Openbare ruimte". Het door [appellante sub 2] ter zake aangevoerde biedt geen grond voor een ander oordeel. Dat de bestemmingsgrens een dikke zwarte lijn is op de plankaart zodat volgens haar niet duidelijk is waar de voorgevel zich precies bevindt ten opzichte van de bestemmingsgrens en de stelling dat de topografische ondergrond van de plankaart onduidelijk is, zijn daarvoor onvoldoende. [appellante sub 2] heeft voorts haar stelling dat het denkbaar is dat door de wijziging van de gevel in het kader van het City Theater de voorgevel naar binnen is verplaatst niet met bewijsstukken gestaafd.

Uit het voorgaande volgt dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het LED-scherm is voorzien boven gronden met de bestemming "Openbare Ruimte". Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand van het LED-scherm tot de op de bouwtekening aangegeven voorgevelrooilijn 5,7 cm bedraagt en dat dit overeenkomt met een werkelijke afstand van 28,5 cm. De overschrijding van de bestemmingsgrens bedraagt derhalve meer dan 0,20 meter, zodat artikel 11, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften reeds daarom niet van toepassing is en het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop is geen bouwvergunning van rechtswege ontstaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

12. De Afdeling zal alsnog de overige bij de rechtbank tegen het besluit van 20 maart 2012 aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze de weigering bouwvergunning te verlenen betreffen, beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

13. [appellante sub 2] heeft betoogt dat voor het bouwplan geen vrijstelling hoeft te worden verleend, omdat die reeds is verleend bij het besluit van 25 februari 2011 en het onderhavige bouwplan een latere ondergeschikte wijziging betreft.

13.1. Dit betoog faalt. Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 25 februari 2011, naar aanleiding van een aanvraag van [appellante sub 2] waarvan de in de brief van het dagelijks bestuur van 27 oktober 2010 genoemde voorwaarden deel uitmaken, omgevingsvergunning verleend voor een LED-scherm. De onderhavige aanvraag ziet niet op een wijziging ten opzichte van de omgevingsvergunning van 25 februari 2011, maar op het gehele LED-scherm. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 15 juli 2009 in zaken nrs. 200805354/1 en 200900135/1), kan niet als eenmaal met vrijstelling een bouwvergunning is verleend, op basis van dezelfde vrijstelling nadien voor een nieuw bouwplan bouwvergunning worden verleend.

14. [appellante sub 2] heeft betoogd dat het college bij de weigering bouwvergunning te verlenen heeft miskend dat het advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten van 3 maart 2010 positief is en de voorwaarden aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden.

14.1. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen volgt dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voorwaarden in het advies van de Commissie niet aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden. Nu de weigering bouwvergunning te verlenen, waaronder de weigering ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen en het standpunt dat sprake is van een negatief welstandsadvies, is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de voorwaarden in het advies van de commissie niet aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden, is het besluit op bezwaar van 20 maart 2012 ook voor zover het de weigering bouwvergunning te verlenen betreft onvoldoende gemotiveerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat voor zover het dagelijks bestuur zich op het standpunt stelt dat het advies van de Commissie op het punt van de redelijke eisen van welstand gebrekkig is, het in dit geval op zijn weg had gelegen om de Commissie om een nader advies te verzoeken.

Het betoog slaagt.

15. Hetgeen [appellante sub 2] voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot de weigering bouwvergunning te verlenen behoeft geen bespreking.

16. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarin is overwogen dat van rechtswege bouwvergunning is verleend, het besluit van 18 augustus 2012 is herroepen, het dagelijks bestuur is opgedragen de ter zake van de van rechtswege verleende vergunning in acht te nemen publicatieverplichtingen na te leven en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 maart 2012 voor zover dit het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2012 betreft. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, voor het overige te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

17. Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het dagelijks bestuur, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellante sub 2] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2010. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

18. Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van de aangevallen uitspraak de Commissie opnieuw om advies gevraagd. De Commissie heeft in dit nadere advies van 14 mei 2013 toegelicht dat het voorgestelde LED-scherm kan worden gezien als moderne vertaling van het oorspronkelijke "statische" reclamevlak en dat in die zin geen sprake is van aantasting van de monumentale gevelcompositie. Daarbij is opgemerkt dat in het gebruik door de toepassing van grote lichtsterkte en snel wisselende beelden een ongewenst contrast kan ontstaan met het karakter van de jaren ’30 architectuur.

19. Het dagelijks bestuur heeft bij het besluit van 4 juni 2013 het door [appellante sub 2] tegen het besluit van 2 augustus 2012 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het advies van de Commissie van 3 maart 2010 als het nadere advies van 14 mei 2013 moeten worden beschouwd als negatief advies met betrekking tot de aanvraag, nu de aanvraag ziet op onbegrensde reclamedoeleinden en het monumentale belang blijkens de adviezen niet is gediend met onbegrensd gebruik ten behoeve van reclamedoeleinden. Het dagelijks bestuur stelt zich verder op het standpunt dat aan de monumentenvergunning geen voorschriften met betrekking tot het feitelijke gebruik van het LED-scherm kunnen worden verbonden.

20. [appellante sub 2] heeft ter zitting haar beroepsgronden dat niet is gewaarborgd dat de bezwaarschriftencommissie op een voldoende onafhankelijke, objectieve en onbevangen wijze, zonder de schijn van vooringenomenheid en/of belangenverstrengeling heeft geadviseerd en dat in strijd met artikel 7:13, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is gehandeld ingetrokken.

21. De Afdeling volgt het dagelijks bestuur niet in zijn standpunt dat het advies van 14 mei 2013 moet worden beschouwd als negatief advies met betrekking tot de aanvraag, nu aan de aanvraag geen voorwaarden zijn verbonden zodat deze ziet op onbegrensde reclamedoeleinden en nu het monumentale belang blijkens de adviezen van 3 maart 2010 en 14 mei 2013 niet is gediend met onbegrensd gebruik ten behoeve van reclamedoeleinden. Uit het nadere advies van de Commissie van 14 mei 2013 kan worden afgeleid dat zij het in het advies van 3 maart 2010 ingenomen standpunt handhaaft. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen houdt dit in dat de monumentenvergunning volgens haar onder voorwaarden kan worden verleend, zodat het dagelijks bestuur dient te motiveren waarom het geen monumentenvergunning onder voorwaarden wenst te verlenen.

[appellante sub 2] betoogt terecht dat het dagelijks bestuur zich in het besluit van 4 juni 2013, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen, ten onrechte opnieuw op het standpunt heeft gesteld dat de door de Commissie geadviseerde voorwaarden met betrekking tot het gebruik van het LED-scherm niet aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden. Nu het dagelijks bestuur voorts geen andere motivering heeft gegeven voor de weigering monumentenvergunning te verlenen, is het besluit op bezwaar van 4 juni 2013 dan ook onvoldoende gemotiveerd.

Uit het voorgaande volgt reeds dat het besluit van 4 juni 2013 voor vernietiging in aanmerking komt. Hetgeen [appellante sub 2] voor het overige heeft aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking.

22. Het beroep tegen het besluit van 4 juni 2013 is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

23. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld die [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2013 in zaak nr. 12/2115, voor zover daarin is overwogen dat van rechtswege bouwvergunning is verleend, het besluit van 18 augustus 2012 is herroepen, het dagelijks bestuur is opgedragen de ter zake van de van rechtswege verleende vergunning in acht te nemen publicatieverplichtingen na te leven en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 maart 2012 voor zover dit het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2012 betreft;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2013, kenmerk BJZ 98-10-0238 en 98-10-0239, gegrond;

V. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van 4 juni 2013, kenmerk BJZ 98-10-0238 en 98-10-0239;

VI. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum tot vergoeding van de bij [appellante sub 2A] en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Evema Beheer B.V., [appellante sub 2B] en Emro Beheer Amsterdam B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum aan [appellante sub 2A] en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Evema Beheer B.V., [appellante sub 2B] en Emro Beheer Amsterdam B.V. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

580.