Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:496

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
201210607/3/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:21680, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college een projectbesluit genomen en aan [appellante sub 3] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een gebouw met de functies kinderopvang, kantoorruimte en verhuurbare ruimte op het perceel tussen de Veenweg ongenummerd kavel V0 en de Meervalsingel ter hoogte van de Goudkarpersingel te Den Haag. Voorts heeft het college ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de Bouwverordening Den Haag verleend van de parkeereis voor de aanleg van 7 parkeerplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210607/3/A1.

Datum uitspraak: 19 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D], allen wonend te Den Haag (hierna: [appellant sub 1] en anderen),

2. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

3. [appellante sub 3], wonend te Delft,

4. [appellant sub 4], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 december 2011 en 10 oktober 2012 in zaken nrs. 11/1894, 11/1895 , 11/2203 en 11/2707 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen,

[appellant sub 4],

[wederpartij A] en [wederpartij B], beiden wonend te Den Haag (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college een projectbesluit genomen en aan [appellante sub 3] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een gebouw met de functies kinderopvang, kantoorruimte en verhuurbare ruimte op het perceel tussen de Veenweg ongenummerd kavel V0 en de Meervalsingel ter hoogte van de Goudkarpersingel te Den Haag. Voorts heeft het college ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de Bouwverordening Den Haag verleend van de parkeereis voor de aanleg van 7 parkeerplaatsen.

Bij tussenuitspraak van 14 december 2011 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden de gebreken in dat besluit te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2012 heeft het college het besluit van 27 januari 2011 nader gemotiveerd.

Bij uitspraak van 10 oktober 2012 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en [wederpartij] tegen het besluit van 27 januari 2011 ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen, het college,

[appellante sub 3] en [appellant sub 4] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en anderen, het college en [appellante sub 3] hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4] heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 26 april 2013 heeft het college opnieuw een projectbesluit genomen en aan [appellante sub 3] bouwvergunning eerste fase verleend voor het voormelde bouwplan. Voorts heeft het college opnieuw ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening verleend voor zeven parkeerplaatsen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. A. van der Leest, het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. Smittenaar-van der Geer, werkzaam bij de gemeente, [appellante sub 3], bijgestaan door mr. D.A. Cleton, en [appellant sub 4], bijgestaan door mr. M.E. Jendsen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij A] gehoord.

Bij tussenuitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201210607/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 26 april 2013 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft het college de besluiten van 27 januari 2011 en 26 april 2013 ingetrokken, opnieuw een projectbesluit genomen en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een gebouw met de functies kinderopvang, kantoorruimte en verhuurbare ruimte op het perceel tussen de Veenweg ongenummerd kavel V0 en de Meervalsingel ter hoogte van de Goudkarpersingel te Den Haag. Voorts heeft het college ontheffing van de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening opgenomen parkeereis verleend voor een tekort van 12 parkeerplaatsen.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] hebben een zienswijze ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college een schriftelijke reactie gegeven.

[appellant sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 17 juli 2013 overwogen dat het besluit van 26 april 2013 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat in het besluit onvoldoende is gegarandeerd dat de geluidsbelasting ten gevolge van de vestiging van de kinderopvang ter plaatse niet zodanig zal toenemen dat nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden, het college bij de berekening van de parkeerbehoefte ten onrechte niet is uitgegaan van het in de bouwaanvraag vermelde bruto vloeroppervlak van het bouwplan en het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van de Nota parkeernormen Den Haag (hierna: de nota) een loopafstand van 350 m acceptabel acht.

De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om het besluit van 26 april 2013 te herstellen op de in die uitspraak omschreven wijze. Daartoe wordt verwezen naar overweging 16 in de tussenuitspraak.

2. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 7 oktober 2013 de besluiten van 27 januari 2011 en 26 april 2013 ingetrokken en opnieuw beslist op de aanvraag en een projectbesluit genomen en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwplan. Voorts heeft het college met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening ten aanzien van 12 parkeerplaatsen ontheffing verleend van de in het eerste lid opgenomen eis om deze op eigen terrein aan te leggen.

Het college heeft aan het op 7 oktober 2013 genomen projectbesluit beperkende voorwaarden verbonden, die zien op de tijden en het aantal kinderen dat gelijktijdig buiten mag spelen. Het heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van DHV van 4 december 2012. De volgende voorwaarden zijn aan het projectbesluit verbonden:

- er zullen in het gebouw Knotzhoeve maximaal 7 groepen kinderdagverblijf en 3 groepen buitenschoolse opvang aanwezig zijn;

- de Knotzhoeve is geopend van maandag tot en met vrijdag van 7.00 tot 18.30 uur;

- de kinderen worden gebracht tussen 7.00 en 8.30 uur en weer opgehaald tussen 16.30 en 18.30 uur;

- er zullen maximaal 30 kinderen van het kinderdagverblijf tegelijk gedurende maximaal 2 x 1,5 uur buiten spelen;

- er zullen maximaal 10 kinderen van de buitenschoolse opvang tegelijk gedurende maximaal 1,5 uur buiten spelen.

Bij de berekening van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan heeft het college het in de bouwaanvraag vermelde bruto vloeroppervlak in aanmerking genomen. Het stelt zich in het besluit van 7 oktober 2013 op het standpunt dat vanwege het bouwplan 22 parkeerplaatsen benodigd zijn, waarvan 10 op eigen terrein zullen worden aangelegd. Het college heeft aan zijn beslissing om voor 12 parkeerplaatsen ontheffing te verlenen van de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening opgenomen parkeereis ten grondslag gelegd dat binnen een loopafstand van 100 m vanaf de locatie waar de kinderopvang zal worden gevestigd voldoende parkeerruimte beschikbaar is en het bezettingspercentage van de aanwezige parkeerruimte na realisering van de kinderopvang onder de 80% zal blijven.

3. Het besluit van 7 oktober 2013 wordt gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betogen in hun zienswijzen dat nog steeds niet is gegarandeerd dat na vestiging van de kinderopvang ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gerealiseerd. [appellant sub 4] voert hiertoe aan dat het aan het besluit ten grondslag liggende rapport van DHV van 4 december 2012 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de aan het projectbesluit verbonden voorwaarden niet toereikend zijn om te garanderen dat wordt voldaan aan de door DHV in aanmerking genomen uitgangspunten. Voorts voert hij aan dat de aan het projectbesluit verbonden voorwaarden niet handhaafbaar zijn. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het bij het besluit van 26 april 2013 behorende inrichtingsplan "Art & Design Landscaping B.V." thans geen onderdeel meer uitmaakt van het besluit en het derhalve niet duidelijk is wat precies het van de bouwvergunning deel uitmakende inrichtingsplan is, hoe de inrichting van de tuin is voorzien en of een geluidwerend scherm geplaatst moet worden.

4.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat niet gesteld of gebleken is dat het rapport van DHV van 4 december 2012 niet juist is of dat het niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Voor zover [appellant sub 4] heeft beoogd zich te keren tegen deze overweging van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

4.2. De aan het projectbesluit verbonden voorwaarden zien onder meer op het maximaal aantal kinderen dat tegelijk buiten speelt en het maximaal aantal uren per dag dat wordt buiten gespeeld. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat deze voorwaarden niet handhaafbaar zijn en niet toereikend om te kunnen garanderen dat het maximaal aantal gelijktijdig buiten spelende kinderen niet hoger zal zijn dan waarvan DHV is uitgegaan. Dat op basis van de voorwaarden 40 kinderen gelijktijdige buiten zouden kunnen spelen leidt niet tot die conclusie. In het akoestisch rapport van DHV is er van uitgegaan dat maximaal 30 kinderen van het kinderdagverblijf en maximaal 10 kinderen van de buitenschoolse opvang gelijktijdig in de buitenspeeltuin van de Knotzhoeve zullen spelen, zodat bij de berekening van de te verwachten geluidsbelasting rekening is gehouden met 40 gelijktijdig daar buiten spelende kinderen. Nu de aan het projectbesluit verbonden voorwaarden ook van toepassing zullen zijn tijdens de schoolvakanties, bestaat evenmin aanleiding om aan te nemen dat de kinderen tijdens de schoolvakanties daar vaker buiten zullen spelen. Het betoog van [appellant sub 4] faalt.

4.3. In het aan het besluit van 7 oktober 2013 ten grondslag gelegde rapport van DHV is uitgegaan van de inrichting van de buitenruimte van de kinderopvang overeenkomstig het inrichtingsplan met daarop vermeld "Art & Design Landscaping B.V.", dat was gewaarmerkt als behorend bij het besluit van 26 april 2013. [appellant sub 1] en anderen hebben terecht aangevoerd dat dit inrichtingsplan deel uitmaakt van de stukken, maar niet is gewaarmerkt als behorend bij het besluit van 7 oktober 2013, terwijl de wel gewaarmerkte situatietekening met nummer W-900 afwijkt van bedoeld inrichtingsplan. Zo is op deze situatietekening geen geluidscherm, maar een hekwerk ingetekend en bevat het geen gedetailleerde inrichting van de buitenruimte.

Het betoog van [appellant sub 1] en anderen slaagt. Nu op basis van de situatietekening een andere inrichting van de buitenruimte mogelijk is, dan waarvan DHV bij het onderzoek is uitgegaan, is niet verzekerd dat de geluidsnormen niet worden overschreden. Voor zover het besluit van 7 oktober 2013 ziet op verlening van de bouwvergunning is het derhalve in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd en dient het in zoverre te worden vernietigd.

4.4. Het college heeft bij brief van 4 december 2013 desgevraagd te kennen gegeven dat het inrichtingsplan "Art & Design Landscaping B.V." per abuis niet was gewaarmerkt als behorend bij het besluit van 7 oktober 2013. Dit thans alsnog als bij het besluit behorend gewaarmerkte inrichtingsplan heeft het college bij de stukken gevoegd. Voorts heeft het college uiteengezet dat de bedoelde situatietekening met nummer W-900 niet ziet op de feitelijke inrichting van de buitenruimte van de voorziene kinderopvang, maar slechts is bedoeld om de situering van de voorziene kinderopvang in de omgeving en op het perceel duidelijk te maken. Het inrichtingsplan en de situatietekening hebben derhalve niet dezelfde strekking. Hiermee heeft het college alsnog voldoende gemotiveerd dat het inrichtingsplan "Art & Landscaping B.V." onderdeel is van de bij besluit van 7 oktober 2013 verleende bouwvergunning en bij de bouw van de kinderopvang in acht dient te worden genomen.

Nu de situatietekening een als bij het besluit van 7 oktober 2013 behorend gewaarmerkt stuk is, wordt het verzoek van het college om die tekening uit het dossier te verwijderen, afgewezen.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen in hun zienswijze hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het bij brief van 4 december 2013 door het college overgelegde gewijzigde rapport van DHV niet ten grondslag kan worden gelegd aan de besluitvorming, nu de wijziging in het rapport van DHV uitsluitend opneming van een andere overzichtstekening van de planlocatie betreft, die niet van invloed is op de door DHV bij het geluidsonderzoek in aanmerking genomen uitgangspunten.

5. Of gelet op vorenstaande aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, zal de Afdeling hierna beoordelen.

6. Dat ten tijde van het besluit van 7 oktober 2013 de vraag naar kinderopvang aantoonbaar is afgenomen en inmiddels geen wachtlijsten meer bestaan, zoals [appellant sub 1] en anderen in hun zienswijze betogen, leidt niet tot vernietiging van het besluit. Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak van 17 juli 2013 heeft overwogen, is de voorziene kinderopvang bedoeld voor chronisch licht zieke kinderen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat niet langer behoefte bestaat aan kinderopvang met aanvullende voorzieningen voor deze doelgroep. Het betoog faalt

7. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] betogen voorts dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat realisering van het bouwplan behoefte aan 22 parkeerplaatsen mee zal brengen. Omdat de berekende parkeerbehoefte aan 22,198 parkeerplaatsen moet worden afgerond naar boven, zijn 23 parkeerplaatsen benodigd. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] dat het college zich voor beantwoording van de vraag of binnen een afstand van 100 meter van het bouwplan in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien niet mocht baseren op het in beroep uitgevoerde parkeeronderzoek en dat het college niet heeft aangetoond dat het toekomstige bezettingspercentage van de aanwezige parkeerruimte onder de 80% zal blijven.

7.1. Dit betoog slaagt. Volgens de nota wordt de uitkomst van de berekende parkeerbehoefte naar boven afgerond op gehele getallen, zodat de parkeerbehoefte van de te realiseren kinderopvang moet worden vastgesteld op 23 parkeerplaatsen. Gelet hierop is het college wederom uitgegaan van een te lage parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De bij besluit van 7 oktober 2013 verleende ontheffing van de in de bouwverordening opgenomen parkeereis dient derhalve eveneens te worden vernietigd, wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het college heeft aan de ontheffing ten grondslag gelegd dat het toekomstige bezettingspercentage binnen een afstand van 100 m van het bouwplan ruim onder de 80% zal blijven, zodat volgens de nota de openbare straat mag worden benut om de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan te faciliteren. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op het in 2012 uitgevoerde parkeeronderzoek, waarvan de Afdeling in de tussenuitspraak van 17 juli 2013 heeft overwogen dat de uitkomsten representatief zijn. Omdat in dit onderzoek een gebied van ongeveer 350 m in aanmerking is genomen, heeft het college de resultaten van de Goudkarpersingel (300 m) gedeeld door drie en de Meervalsingel, welke is gelegen binnen 75 m van het bouwplan, in zijn geheel in aanmerking genomen. Het college heeft geconcludeerd dat 71% van de parkeerruimte in het betreffende deel van de Goudkarpersingel en de Meervalsingel zal worden bezet, indien de 12 parkeerplaatsen die niet op eigen terrein kunnen worden aangelegd daar zullen worden opgevangen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4], onder overlegging van de uitkomsten van door hen zelf uitgevoerde parkeertellingen, hebben aangevoerd over de feitelijke parkeerbezetting ter plaatse ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het college dat de resultaten van de door hem gehanteerde methode representatief zijn voor de situatie ter plaatse, omdat de parkeerplaatsen gelijkmatig over de Goudkarpersingel zijn verdeeld.

7.2. Uit de door het college uitgevoerde berekening volgt dat het bezettingspercentage van de parkeerruimte in het desbetreffende deel van de Goudkarpersingel en in de Meervalsingel ook onder de 80% zal blijven indien vanwege het bouwplan 13 parkeerplaatsen zullen worden gebruikt. Hierin ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening, in stand te laten.

8. Gelet hierop en in verband met de brief van het college van 4 december 2013, bestaat eveneens aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen bouwvergunning in stand te laten.

9. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellante sub 3] ongegrond. De hoger beroepen van het college, [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] zijn gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep van [wederpartij] is ontvangen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingediend door [wederpartij], alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De beslissing van de rechtbank tot vernietiging van het besluit van 27 januari 2011 is juist, zodat de Afdeling de aangevallen uitspraken voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze berusten, zal bevestigen.

De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van 26 april 2013 zijn gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van 7 oktober 2013 zijn eveneens gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover daarbij bouwvergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening is verleend. De Afdeling ziet aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit van 7 oktober 2013 in stand blijven.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, [appellant sub 1A] en anderen en [appellant sub 4] gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 14 december 2011 en 10 oktober 2012 in zaken nrs. 11/1894, 11/1895 , 11/2203 en 11/2707, voor zover daarbij het beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] ontvankelijk is bevonden;

III. verklaart het door [wederpartij A] en [wederpartij B] bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 14 december 2011 en 10 oktober 2012, voor zover deze is vernietigd wat betreft het ontvankelijk geachte beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B];

V. bevestigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag 14 december 2011 en 10 oktober 2012 voor het overige;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 26 april 2013 , kenmerk 200911721/5185721, gegrond;

VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 26 april 2013;

VIII. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en anderen en [appellant sub 4] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 7 oktober 2013 , kenmerk 200911721/5185721, gegrond;

IX. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 7 oktober 2013, voor zover daarbij bouwvergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder a, van de bouwverordening is verleend;

X. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 7 oktober 2013 in stand blijven;

XI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 1A] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

XIV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014

604.