Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:492

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201400152/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:10351, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 85
Vreemdelingenwet 2000 91
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/108

Uitspraak

201400152/1/V2.

Datum uitspraak: 7 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 december 2013 in zaken nrs. 13/30376 en 13/30377 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris onderscheidenlijk de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De staatssecretaris onderscheidenlijk de vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in de hogerberoepschriften is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

1.1. De hoger beroepen zijn kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Afdeling ziet aanleiding uit een oogpunt van finale geschilbeslechting te onderzoeken of grond bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn doop in Nederland, in Afghanistan een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe heeft hij betoogd dat zijn vroegere - moslim - vrienden in Nederland vanwege zijn bekering niet meer met hem bevriend willen zijn. Voorts heeft hij verwezen naar algemene informatie waaruit blijkt dat de situatie voor bekeerlingen in Afghanistan onveilig is.

2.1. In het kader van het hoger beroep heeft de staatssecretaris in reactie hierop in de eerste plaats naar voren gebracht, dat de door de vreemdeling ingebrachte verklaringen ter staving van zijn problemen met zijn omgeving in Nederland, niet als een objectieve bron kunnen worden aangemerkt, nu uit deze verklaringen niet blijkt dat de opstellers getuige zijn geweest van de gestelde problemen en zij slechts de niet onderbouwde verklaringen van de vreemdeling hebben opgetekend. Nog afgezien daarvan, heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris daarmee geenszins aannemelijk gemaakt dat hij in Afghanistan een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM omdat men hem aldaar het zijn van christen toedicht.

Daarnaast heeft de staatssecretaris aangevoerd dat de verklaring van de vreemdeling dat zijn vroegere vrienden niet meer met hem bevriend willen zijn, zonder enige onderbouwing niet wordt gevolgd. Bovendien volgt hieruit niet dat in Afghanistan en in het bijzonder binnen de islamitische gemeenschap, bekend zou zijn geraakt dat de vreemdeling zich al dan niet oprecht heeft bekeerd tot het christendom, aldus de staatssecretaris.

2.2. De vreemdeling heeft slechts gesteld dat zijn woon- en leefomgeving in Afghanistan ervan op de hoogte is dat hij is gedoopt zonder dit op enigerlei wijze te staven. Met zijn betoog dat zijn vroegere vrienden in Nederland niets meer met hem te maken willen hebben omdat zij menen dat hij is bekeerd, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij in Afghanistan als christen wordt beschouwd. Ook met de verwijzing naar een algemeen en niet specifiek op zijn persoon betrekking hebbend artikel van Jubilee Campaign heeft de vreemdeling dit niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de vreemdeling het risico op schending van artikel 3 van het EVRM in Afghanistan dat hij stelt te lopen omdat men hem aldaar in ieder geval een bekering tot het christendom toedicht, niet aannemelijk gemaakt. Het vorenstaande in aanmerking genomen, bestaat dan ook aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 november 2013 geheel in stand blijven;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2014

238.