Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:487

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201310590/2/R3 en 201310590/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen Maasdonk, herziening [locatie 1], Geffen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310590/2/R3 en 201310590/1/R3.

Datum uitspraak: 4 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Geffen, gemeente Maasdonk,

en

de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdonk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kernen Maasdonk, herziening [locatie 1], Geffen" vastgesteld.

Bij besluit van 24 september 2013 heeft het college van burgemeester wethouders een omgevingsvergunning voor de bouw van een bedrijfswoning en een bijgebouw op het perceel [locatie 1] verleend.

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzitter verzocht ten aanzien van deze besluiten een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 januari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.C. van Eekeren, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand en A.H.J. van der Putten, en de raad en het college, vertegenwoordigd door R. Borst en ing. J.A.M. Coppens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Coördinatieregeling

2. De besluiten van 24 september 2013 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

De omstandigheid dat de met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro gecoördineerde besluiten ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro voor de mogelijkheid van beroep worden aangemerkt als één besluit, neemt niet weg dat de beroepen tegen de desbetreffende besluiten ieder binnen het eigen beoordelingskader dienen te worden beoordeeld.

Het plan

3. Het plan is opgesteld ten behoeve van de bouw van een bedrijfswoning en een bijgebouw bij een transportbedrijf op het perceel [locatie 1] te Geffen.

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De voorzitter toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

5. [appellant] voert onder meer aan dat de raad niet had mogen uitgaan van het bestaan van een bouwvergunning uit 1979 voor een bedrijfswoning op het perceel. De realisering van een bedrijfswoning aan de [locatie 1] zal volgens hem belemmeringen opleveren voor zijn vleeskalverenbedrijf aan de [locatie 2], dan wel hem dwingen extra investeringen te plegen om de geurhinder van het bedrijf terug te dringen. Zijns inziens is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat het perceel aan de [locatie 1] buiten de bebouwde kom is gelegen. Volgens hem ligt het perceel binnen de bebouwde kom en had de raad daarom moeten uitgaan van een geurnorm van 3,0 odour units per kubieke meter lucht (hierna: ou/m³), behorende bij een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en niet van 14,0 ou/m³, behorende bij een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

Hij voert voorts aan dat hij over een omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur binnen zijn bouwblok beschikt en dat hij voornemens is zijn bedrijf te verbreden of uit te breiden met het houden van zoogkoeien. De raad heeft zich volgens hem ten onrechte op het standpunt gesteld dat de mogelijkheden van zijn bedrijf al worden beperkt door de aanwezigheid van de woningen aan de Meidoornstraat. Zijn bedrijf beschikt over een centraal afzuigsysteem, waardoor de emissiepunten van de stallen op eenvoudige wijze naar de noordoostkant kunnen worden verplaatst. Eventuele wijziging of uitbreiding van het bedrijf wordt daarom niet door de woningen aan de Meidoornstraat belemmerd, maar wel door de geplande bedrijfswoning, aldus [appellant].

5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) wordt voldaan en dat ter plaatse van de voorziene bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

5.2. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom, meer bedraagt dan 3 ou/m3.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom, meer bedraagt dan 14 ou/m3.

5.3. Niet in geschil is dat het plangebied en de directe omgeving daarvan in een concentratiegebied liggen als bedoeld in artikel 1 van de Wgv. Bij de beoordeling van de vraag of het plangebied in de bebouwde kom is gelegen, is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv van belang, of het gebied zich naar de aard van de omgeving kenmerkt door aaneengesloten bebouwing met een overwegende woon- en verblijffunctie waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18).

Vast staat dat het plan voorziet in een bedrijfswoning op een bedrijventerrein waarop zich beperkte bedrijfsbebouwing bevindt. De raad heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het hier grotendeels loodsen voor opslag betreft en dat op het terrein slechts een beperkt aantal mensen verblijft. Van een duidelijke verdichting van de woonbebouwing kan pas worden gesproken ter hoogte van de kern van Geffen ten westen van het industrieterrein. Ten oosten van het terrein bevinden zich hoofdzakelijk verspreid liggende agrarische bedrijven. Gelet op het voorgaande heeft de raad terecht gesteld dat het plangebied niet binnen de bebouwde kom ligt.

Ingevolge het hiervoor in 5.2 weergegeven artikel 3, aanhef en onder b, van de Wgv, mag de geurbelasting op geurgevoelige objecten ten gevolge van het bedrijf niet meer bedragen dan 14 ou/m³. Van deze normstelling is voor deze locatie niet bij gemeentelijke verordening afgeweken. Volgens de raad bedraagt de geurbelasting van de veehouderij van [appellant] ter plaatse van de voorgenomen bebouwing minder dan 14 ou/m³. Niet is gebleken dat de berekening van de raad onjuist is.

5.4. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 januari 2010, zaak nr. 200807852/1/R2, heeft overwogen volgt uit de overschrijding van de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm uit de Wgv niet zonder meer dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voorts betekent het niet overschrijden van deze norm evenmin dat zonder meer ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

Volgens de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde geurrapporten van bureau De Roever Omgevingsadvies is de achtergrondbelasting rond de voorgenomen bouwlocatie aan de [locatie 1] ongeveer 9 ou/m³. Tussen partijen is niet in geschil dat hiermee bij de huidige bedrijfsvoering van [appellant] op het perceel [locatie 1] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal kunnen worden gegarandeerd.

5.5. Wat betreft de vrees van [appellant] dat hij in de uitbreidings- en wijzigingsmogelijkheden van zijn bedrijf wordt beperkt, heeft hij ter zitting erkend dat de voorziene bedrijfswoning daarvoor onder de geldende geurbepalingen geen extra belemmering vormt, omdat de bedrijfswoning niet is geprojecteerd binnen de bebouwde kom. Geurnormen waarin van een andere situatie wordt uitgegaan liggen thans niet voor. De raad hoefde daar dan ook geen rekening mee te houden.

5.6. Naar het oordeel van de voorzitter valt evenmin in te zien hoe de aanwezigheid van de bedrijfswoning in het geval van gehele dan wel gedeeltelijke omschakeling van het bedrijf van [appellant] naar een zoogkoeienhouderij met gebruikmaking van de inmiddels verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur zou kunnen leiden tot een beperking van diens bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wgv, bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object tenminste 50 m, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor zoogkoeien zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld, zodat in dit geval aan de afstand van 50 meter tussen de veehouderij en de te bouwen bedrijfswoning moet worden voldaan.

Ingevolge artikel 5 moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf minimaal 25 m bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

Uit de stukken blijkt dat aan beide afstanden kan worden voldaan.

5.7. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de raad ten onrechte is uitgegaan van bestaande rechten voor de bouw van de bedrijfswoning op basis van een bouwvergunning uit 1979, overweegt de voorzitter als volgt.

De raad heeft ter zitting verklaard dat volgens het huidige gemeentelijke beleid bedrijfswoningen op een industrieterrein in beginsel niet zijn toegestaan. Hij heeft op dat beleid een uitzondering gemaakt op basis van de volgende feiten en omstandigheden, die - naar ter zitting is gebleken - niet in geschil zijn.

Op 1 juni 1979 is een bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning met garage op het perceel [locatie 1]. Deze is nooit gerealiseerd. De bedrijfswoning is abusievelijk in het bestemmingsplan "Bedrijven 4e herziening" van 1996, noch in het bestemmingsplan "Kernen Maasdonk" van 2006 opgenomen.

Op 28 oktober 1983 heeft het college van de toenmalige gemeente Geffen aan de voormalige eigenaar van het perceel toestemming verleend om het kantoor van zijn bedrijf als bedrijfswoning te bewonen, totdat de nieuwe bedrijfswoning zou zijn gerealiseerd. Het kantoor is aldus vanaf 1982 als bedrijfswoning in gebruik geweest.

De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat de raad onder deze omstandigheden niet in redelijkheid rekening heeft kunnen houden met de in 1979 verleende bouwvergunning.

5.8. [appellant] heeft tevens aangevoerd dat niet is verzekerd dat de bewoning van het kantoor na de realisering van de nieuwe bedrijfswoning zal worden gestaakt. Dit is volgens hem in het plan ten onrechte niet verankerd.

De voorzitter overweegt dat het gebruik van het kantoor als bedrijfswoning volgens artikel 39, derde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Kernen Maasdonk (Geffen)" van 2006 niet onder het overgangsrecht van dat plan valt, dat de bestemming die in het voorliggende plan op het perceel waarop het kantoor gevestigd is bewoning daarvan niet mogelijk maakt en dat de toestemming om het kantoor te bewonen volgens de in 5.7 genoemde brief van 28 oktober 1983 en de plantoelichting vervalt op het moment waarop de nieuwe bedrijfswoning gebouwd is. De voorzitter wijst ten overvloede nog op de overeenkomst die de gemeente met [belanghebbende] heeft gesloten, waarin is bepaald dat de bewoning uiterlijk één jaar nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe bedrijfswoning onherroepelijk is geworden beëindigd dient te zijn, op straffe van een onvoorwaardelijke boete. Ter zitting heeft de raad verklaard strikt op de naleving van de overeenkomst te zullen toezien.

Onder deze omstandigheden is de voorzitter van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het staken van de bewoning van het kantoor niet in de planregels behoefde te worden verzekerd, bijvoorbeeld in de vorm van een voorwaardelijke verplichting.

5.9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van 24 september 2013 ongegrond is.

De omgevingsvergunning

5.10. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het bouwen van de bedrijfswoning had dienen te weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan.

5.11. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van het college van 24 september 2013 is derhalve eveneens ongegrond.

Conclusie

6. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014

240.