Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
201311117/3/A2 en andere
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Bij uitspraken van 25 februari 2014 in de in de bijlage genoemde zaaknummers heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 13 augustus 2012 in de evenzeer in de bijlage genoemde zaaknummers kennelijk ongegrond verklaard. Een van de gelijkluidende uitspraken is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311117/3/A2 en de overige in de bijlage opgenomen zaaknummers.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) van:

de in de bijlage vermelde partijen,

opposanten,

tegen de uitspraken van de Afdeling van 25 februari 2014 in de in de bijlage genoemde zaaknummers.

Procesverloop

Bij uitspraken van 25 februari 2014 in de in de bijlage genoemde zaaknummers heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 13 augustus 2012 in de evenzeer in de bijlage genoemde zaaknummers kennelijk ongegrond verklaard. Een van de gelijkluidende uitspraken is aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben opposanten verzet gedaan.

De Afdeling heeft de verzetten ter zitting behandeld op 9 mei 2014, waar opposanten, vertegenwoordigd door mr. G.L.J.J. Keulers, werkzaam bij Adriaansen & Keulers Belastingadviseurs / juridisch adviesbureau zijn verschenen. Voorts is ter zitting de heffingsambtenaar van de gemeente Sittard-Geleen, vertegenwoordigd door mr. X.P.C. Wynands, advocaat te Roermond, gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de Afdeling ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling, dat wil zeggen zonder behandeling van de zaak ter zitting, is overgegaan wegens - in dit geval - kennelijke ongegrondheid van het hoger beroep.

3. In de uitspraken waarvan verzet heeft de Afdeling overwogen dat de weigering van een verzoek om terugbetaling van onverschuldigd betaalde baatbelasting niet vatbaar is voor beroep bij de belastingrechter. Evenmin staat tegen een dergelijke weigering beroep open bij de algemene bestuursrechter aangezien die slechts bevoegd zou zijn kennis te nemen van het beroep tegen de weigering, indien hij bevoegd zou zijn te oordelen over beroepen tegen de aanslagen baatbelasting, hetgeen niet het geval is. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over de weigering en zich mitsdien terecht onbevoegd verklaard, aldus de Afdeling.

4. Opposanten voeren aan dat er in de uitspraken waarvan verzet aan voorbij is gegaan dat zij hebben verzocht om nadeelcompensatie en niet om terugbetaling van onverschuldigd betaalde baatbelasting en dat de algemene bestuursrechter bevoegd is om kennis te nemen van de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie.

4.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, in afwijking van artikel 8:1 van de Awb, slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

4.2. Het Gerechtshof Arnhem heeft bij uitspraak van 29 december 2009 geoordeeld dat de Verordening baatbelasting centrum Geleen 1997, op grond waarvan de heffingsambtenaar van opposanten baatbelasting heeft geheven, verbindende kracht mist. De Hoge Raad heeft het hiertegen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen ingestelde cassatieberoep bij arrest van 28 januari 2011 ongegrond verklaard.

Opposanten stellen schade te hebben geleden als gevolg van de door hen betaalde aanslagen baatbelasting en hebben, naar ter zitting bij de Afdeling is gesteld en door de heffingsambtenaar niet is bestreden, om nadeelcompensatie verzocht. Die verzoeken zijn afgewezen.

Bij uitspraken van 13 augustus 2012 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de daartegen door opposanten ingestelde beroepen. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het niet gaat om ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen en voor bezwaar vatbare beschikkingen.

Bij uitspraken van 28 november 2013 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de daartegen door opposanten ingestelde hoger beroepen, doch de griffier gelast de beroepschriften door te zenden aan de Afdeling. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de besluiten van de heffingsambtenaar niet ingevolge de belastingwet zijn genomen en evenmin belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen zijn als bedoeld in artikel 26 van de AWR, zodat tegen de uitspraken van de rechtbank van 13 augustus 2012 geen hoger beroep bij het hof kan worden ingesteld. Volgens het hof hadden opposanten tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep bij de Afdeling moeten instellen.

4.3. Nu tegen de uitspraken van het hof van 28 november 2013 geen cassatieberoep is ingesteld en de cassatietermijn is verstreken, is het oordeel van de belastingrechter dat hij onbevoegd is om van de beroepen van opposanten kennis te nemen in rechte onaantastbaar. De Afdeling ziet geen aanleiding tot een andersluidend oordeel over de bevoegdheid van het hof. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de besluiten van de heffingsambtenaar waarbij de verzoeken van opposanten om nadeelcompensatie zijn afgewezen geen ingevolge de belastingwet genomen besluiten als bedoeld in artikel 26 van de AWR zijn, zodat tegen die afwijzing geen beroep kan worden ingesteld bij de belastingrechter. Daaraan kan niet afdoen dat volgens de in het bestuursrecht geldende jurisprudentie de rechtmatigheid van een schadebesluit dient te worden beoordeeld aan de hand van de regels die gelden voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het schadeveroorzakende besluit. Deze jurisprudentie creëert bij de belastingrechter geen rechtsingang en schept geen bevoegdheid tot het voeren van een rechtsgeding ten overstaan van de belastingrechter in een geschil omtrent een verzoek tot nadeelcompensatie als hier aan de orde (vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 1 juni 2010; ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9567). Tot slot geeft het door de heffingsambtenaar genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1797) geen aanleiding over het vorenstaande anders te oordelen. In die zaak ging het om de weigering een door belanghebbende gevraagde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast te stellen. De Hoge Raad overwoog dat hoofdstuk 4 van de Awb een aanknopingspunt biedt om de belastingrechter bevoegd te achten te oordelen over een beroep tegen die weigering indien de belastingrechter ook bevoegd was te oordelen over het onderliggende besluit. Die situatie deed zich echter in het door de Hoge Raad berechte geval niet voor. In de thans bij de Afdeling aan de orde zijnde situatie biedt hoofdstuk 4 van de Awb, noch een andere regeling een dergelijk aanknopingspunt.

4.4. Tegen de afwijzing van de verzoeken om nadeelcompensatie staat evenmin beroep open bij de algemene bestuursrechter. Het enkele feit dat het gaat om verzoeken om nadeelcompensatie maakt op zichzelf niet dat de algemene bestuursrechter bevoegd is om kennis te nemen van beroepen tegen beslissingen op die verzoeken. De algemene bestuursrechter is slechts bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen die beslissingen indien hij ook bevoegd zou zijn te oordelen over een beroep tegen de uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf die de gestelde schade veroorzaakt, in dit geval de aanslagen baatbelasting (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 in zaak nr. H01.96.0578/Q01, AB 1997, 229). Ingevolge artikel 26 van de AWR is de belastingrechter en derhalve niet de algemene bestuursrechter bevoegd te oordelen over een beroep tegen een aanslag baatbelasting.

4.5. Het vorenstaande betekent dat, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over de afwijzing van het verzoek van appellanten. De rechtbank heeft zich mitsdien terecht onbevoegd verklaard. Ingevolge artikel 8:71 van de Awb is de burgerlijke rechter aan die beslissing gebonden.

5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat, hoewel aan opposanten kan worden toegegeven dat in de uitspraak waarvan verzet, anders dan volgt uit hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, niet is vermeld dat zij hebben verzocht om nadeelcompensatie, dit niet afdoet aan het aan die uitspraak ten grondslag liggende uitgangspunt dat in gevallen als hier aan de orde uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen de afwijzing. Het in verzet aangevoerde kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de Afdeling de hoger beroepen ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard.

6. De verzetten zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de verzetten ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

502.