Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
201307268/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:5190, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 24 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307268/1/V2.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juli 2013 in zaken nrs. 12/33120, 12/33121, 12/37401 en 12/37402 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4], mede voor haar minderjarige [dochter]; (hierna tezamen: de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 16 juli 2013 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij uit het oogpunt van zorgvuldigheid in ieder geval in het rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 19 december 2012 (hierna: het iMMO-rapport) aanleiding had moeten zien om de dochter te horen. De staatssecretaris voert hiertoe aan dat niet in geschil is dat ten tijde van de besluitvorming geen aanleiding bestond om ook de dochter te horen. Nu de vreemdelingen ook in beroep niet hebben gesteld dat, gelet op het iMMO-rapport, ook de dochter had moeten worden gehoord, is de rechtbank volgens de staatssecretaris buiten de omvang van het geschil getreden. Zij is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de besluiten van 24 september 2012 om die reden in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand zijn gekomen, aldus de staatssecretaris.

3. De rechtbank heeft het door de vreemdelingen in beroep overgelegde iMMO-rapport op grond van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) betrokken bij haar beoordeling. Zij heeft overwogen dat de besluiten van 24 september 2012 in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand zijn gekomen, omdat de staatssecretaris, gelet op in ieder geval het iMMO-rapport, heeft nagelaten ook de dochter te horen. Uit het beroepschrift van de vreemdelingen blijkt echter niet dat zij de door de rechtbank gehanteerde vernietigingsgrond als beroepsgrond hebben aangevoerd. Nu voor de rechtbank voorts geen aanleiding bestond de rechtsgronden in die zin ambtshalve aan te vullen en ten slotte evenmin een voorschrift van openbare orde is geschonden, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geschil getreden. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 24 september 2012 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdelingen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

5. De vreemdelingen hebben in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris zich in het kader van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij vervalste taskera's hebben overgelegd. Hiertoe voeren zij aan dat uit de omstandigheid dat bepaalde gegevens van de taskera's zijn verdwenen, niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van vervalsing. Voorts voeren zij aan dat de vraag of zij al dan niet vervalste documenten hebben overgelegd, niet kan worden betrokken bij de beoordeling of zij toerekenbaar geen documenten hebben overgelegd.

5.1. De staatssecretaris heeft zich in het kader van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu de vreemdelingen de gebruikte paspoorten en de tickets niet onder dwang aan de reisagent hebben afgestaan dan wel onder dwang hebben weggegooid, reeds daarom het ontbreken van die documenten aan hen is toe te rekenen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2014 in zaak nr. 201303437/1/V4). Voormeld standpunt kan de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 dragen, zodat hetgeen de vreemdelingen hebben aangevoerd over de al dan niet vervalste taskera's geen bespreking behoeft. De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdelingen hebben in beroep voorts aangevoerd dat de besluiten van 24 september 2012 onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat de staatssecretaris de uitkomst van het iMMO-onderzoek niet heeft afgewacht.

6.1. De vreemdelingen hebben in hun zienswijze, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), R.C. tegen Zweden, van 9 maart 2010, nr. 41827/07 (www.echr.coe.int), vermeld dat zij medische informatie hebben opgevraagd over de situatie van de dochter en een aantal vragen hebben voorgelegd aan het iMMO, waarop nog geen antwoord is ontvangen. Volgens de vreemdelingen zou dit consequenties kunnen hebben voor beoordeling van de geloofwaardigheid van hun asielrelaas. De staatssecretaris heeft zich in de besluiten van 24 september 2012 op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de vreemdelingen hebben gesteld medische informatie te hebben opgevraagd en vragen te hebben voorgelegd aan het iMMO niet voldoende is om de besluitvorming aan te houden. Hiertoe heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdelingen geen (medische) stukken hebben overgelegd, waardoor de relevantie van voormeld arrest van het EHRM van 9 maart 2010 niet kan worden beoordeeld. In zijn verweerschrift van 23 mei 2013 heeft de staatssecretaris hieraan toegevoegd dat het rapport alleen ziet op de dochter die zelf niet is gehoord. Het rapport kan bovendien bij de beoordeling in beroep worden betrokken, aldus de staatssecretaris. De vreemdelingen hebben pas bij brief van 21 september 2012 een e-mail bericht van het iMMO van 12 juli 2012 overgelegd waarin staat dat het iMMO aanknopingspunten ziet voor het doen van een onderzoek, maar dat een definitieve beslissing pas wordt genomen als een daartoe strekkende aanvraag wordt ingediend. Bij brief van 11 oktober 2012 hebben de vreemdelingen een brief van het iMMO van 10 oktober 2012 overgelegd waarin staat dat het iMMO aanleiding ziet voor het verrichten van medisch onderzoek bij de dochter. Nu de vreemdelingen tijdens de besluitvormingsfase niet hebben kunnen aangeven binnen welke termijn het rapport daadwerkelijk beschikbaar zou zijn, heeft de staatssecretaris reeds om die reden niet ten onrechte zijn besluitvorming niet uitgesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2010 in zaak nr. 201000561/1/V3). De beroepsgrond faalt.

7. Aan hun aanvragen hebben de vreemdelingen, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat kort na de geboorte van de dochter is toegezegd dat zij met een neef van haar vader zou trouwen. Deze [neef] heeft op een gegeven moment, toen de dochter veertien jaar was, de wens uitgesproken om met de dochter te trouwen. De dochter heeft geweigerd met [neef] te trouwen, omdat hij veel ouder is en verslaafd aan drugs. Hierdoor zijn de vreemdelingen in onmin geraakt met de rest van de familie en zijn zij met de dood bedreigd.

De vreemdelingen hebben in beroep in dit verband aangevoerd dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hun asielrelaas positieve overtuigingskracht mist en ongeloofwaardig is en dat het door hen in beroep overgelegde iMMO-rapport daaraan niet afdoet. Daartoe hebben zij aangevoerd dat hun verklaringen over de relevante gebeurtenissen - te weten de aanwezigen bij het eerste bezoek van de broer van vreemdeling 1, zijnde de vader van [neef], de suïcidepoging van de dochter, de bijeenkomst van de "ouderen" en de mishandeling van de dochter door [neef] - in grote lijnen met elkaar overeenkomen. De tegengeworpen tegenstrijdigheden hebben geen betrekking op een essentieel onderdeel van het asielrelaas en tasten de andere delen van het asielrelaas niet aan. Hun asielrelaas had op zwaarwegendheid moeten worden getoetst, aldus de vreemdelingen.

7.1. Uit 5.1. volgt dat de staatssecretaris terecht artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdelingen heeft tegengeworpen. Van het relaas van de vreemdelingen moet daarom positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig te kunnen worden geacht (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2010 in zaak nr. 200904160/1/V3).

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling door de bestuursrechter slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

7.2. In de besluiten, waarin de voornemens tot afwijzing van de aanvragen zijn ingelast, heeft de staatssecretaris zich in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdelingen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij bevreemdingwekkende, inconsistente en onderling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over relevante gebeurtenissen die de kern van het asielrelaas vormen. Hij heeft hierbij kunnen betrekken dat vreemdeling 1 heeft verklaard dat bij het eerste bezoek van zijn broer ook diens vrouw meekwam terwijl vreemdeling 4 heeft verklaard dat die broer alleen kwam. Voorts heeft hij bij zijn oordeel kunnen betrekken dat de verklaring van vreemdeling 4 over het moment waarop de dochter zichzelf in haar arm heeft gesneden niet overeenkomt met de verklaringen van de overige vreemdelingen. Daarnaast heeft hij in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de vreemdelingen onderling tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de aanwezigheid van [neef] bij de bijeenkomst van "ouderen". De staatssecretaris heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van de vreemdelingen over de situatie waarin de dochter zou zijn geslagen door [neef] inconsistent zijn. Deze tegenstrijdigheden en inconsistenties hebben, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, betrekking op essentiële onderdelen van het asielrelaas.

Reeds op grond van het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van de vreemdelingen geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Gelet hierop wordt aan beoordeling van de zwaarwegendheid van het relaas niet toegekomen. De beroepsgrond faalt in zoverre.

7.3. Met betrekking tot het iMMO-rapport, dat ziet op de dochter, geldt dat de vreemdelingen met dit rapport de kern van hun asielrelaas, te weten de gestelde bedreigingen door [neef] en zijn familie, de gestelde schaamte over de huwelijksweigering en de gestelde druk vanuit de familie en omgeving vanuit de verwachting dat de dochter zich niet tegen de huwelijksafspraken verzet, hebben willen staven. Volgens het iMMO-rapport zijn de aard en inhoud van de psychische klachten en de bevindingen van de psychologische testen typerend voor de ervaringen van de dochter.

In zijn reactie op het iMMO-rapport, in zijn verweerschrift van 23 mei 2013, heeft de staatssecretaris dit rapport uitdrukkelijk gerelateerd aan zijn oordeel over het desbetreffende deel van het asielrelaas en zich op het standpunt gesteld dat dit deel, hetgeen de kern van het relaas vormt, niet geloofwaardig is. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het iMMO geen gericht lichamelijk onderzoek heeft verricht en het rapport bovendien geen verklaring geeft waarom de overige vreemdelingen tegenstrijdige en inconsistente verklaringen hebben afgelegd.

Nu de staatssecretaris de gestelde bedreigingen door [neef] en zijn familie, de gestelde schaamte over de huwelijksweigering en de gestelde druk vanuit de familie en omgeving, met het oog waarop de vreemdelingen het iMMO-rapport hebben overgelegd, deugdelijk gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht en de vreemdelingen dit deel van het asielrelaas overigens niet hebben gestaafd, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat dit rapport geen sterke aanwijzing vormt in de zin van voormeld arrest van het EHRM van 9 maart 2010 en heeft hij niet ten onrechte afgezien van een nadere beoordeling van het verband tussen de klachten van de dochter en de stellingen van de vreemdelingen over de oorzaak ervan; vergelijk 5.1. en 5.6. van de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 in zaak nr. 201208171/1/V1. De beroepsgrond faalt ook in zoverre.

8. De vreemdelingen hebben in het kader van hun beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdelen 2 en 3 van de Vw 2000 en het traumatabeleid verwezen naar hun zienswijze. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten op die punten ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

8.1. Nu de staatssecretaris in de bestreden besluiten gemotiveerd is ingegaan op hetgeen de vreemdelingen in dit verband in hun zienswijze hebben aangevoerd en de vreemdelingen in beroep hebben nagelaten te onderbouwen waarom zij het daarmee niet eens zijn, faalt deze beroepsgrond eveneens.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juli 2013 in zaken nrs. 12/33120, 12/33121, 12/37401 en 12/37402;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

De voorzitter is verhinderd griffier

de uitspraak te ondertekenen w.g. Yildiz

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

594.