Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
201402980/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:2681, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402980/1/V1.

Datum uitspraak: 29 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 maart 2014 in zaken nrs. 12/850 en 13/29981 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 3 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 20 november 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het door de vreemdeling tegen het besluit van 10 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 maart 2014 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 3 januari 2012 en 20 november 2013 door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorgangers.

2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, door aan het besluit van 20 november 2013 de adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 2 oktober 2012, 23 januari 2013 en 11 september 2013 (hierna: de BMA-adviezen) ten grondslag te leggen, niet aan de op hem rustende vergewisplicht heeft voldaan, nu het BMA en de behandelaars van de vreemdeling zijn uitgegaan van verschillende medische feiten, zodat de BMA-adviezen op een onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de - volgens hem zich hier voordoende - omstandigheid dat tussen het BMA en de behandelaars een verschil van inzicht bestaat over de uit de medische feiten te trekken conclusie over de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan, op zichzelf niet betekent dat het door het BMA verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Daarbij wijst de staatssecretaris op de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2014 in zaak nr. 201305765/1/V3.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Voorts strekt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat die adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat volgens de BMA-adviezen, daaronder begrepen het hierna onder 2.3 te noemen expertiserapport van 9 juli 2013, het BMA bij de vreemdeling geen suïcidaliteit en geen potentieel levensbedreigende situatie in relatie tot de posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) en de depressie verwacht. De behandelaars daarentegen stellen dat de vreemdeling valt in een hoge risicogroep voor suïcide en dat er een zeer groot suïciderisico is dat voortkomt uit zijn psychiatrisch ziektebeeld, waaronder zijn PTSS en depressie. Hieruit volgt, aldus de rechtbank, dat het BMA en de behandelaars zijn uitgegaan van verschillende medische feiten en dat de BMA-adviezen op een onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

2.3. Het BMA heeft op 2 oktober 2012 advies aan de staatssecretaris uitgebracht over de medische toestand van de vreemdeling. Bij het opstellen van dit advies heeft het BMA gebruikgemaakt van medische informatie van de behandelend psycholoog, tevens psychotherapeut, en de psychiater van Stichting Centrum '45 (hierna: de behandelaars) van 31 juli 2012. Het advies vermeldt dat de vreemdeling een chronische PTSS heeft en een episode van een matige depressie zonder psychotische verschijnselen. Hij heeft last van nachtmerries, herbelevingen, schrikachtigheid, vermijdingsgedrag, 'hyperarousal', somberheid en uitputting. Bij een dreigende gedwongen terugkeer naar Afghanistan heeft hij eenmaal suïcidale voornemens gehad. Hierbij heeft hij opzettelijk een arm verwond. Voorts vermeldt het advies dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat een medische noodsituatie zal ontstaan. Daarbij heeft het BMA in aanmerking genomen dat er geen suïcidedreiging is door ziekte, dat de vreemdeling niet, al dan niet gedwongen, is opgenomen en dat geen crisissituaties door psychotische klachten bekend zijn.

Bij brief van 24 oktober 2012 hebben de behandelaars in reactie op het BMA-advies van 2 oktober 2012 verklaard dat, gezien de zeer kwetsbare persoonlijkheidsstructuur van de vreemdeling, die hem overgevoelig maakt voor spanning, leidend tot impulsdoorbraken dan wel zelfbeschadigend gedrag, zij de kans op suïcidaal gedrag bij uitblijven van medische behandeling als reëel schatten.

Op verzoek van de staatssecretaris heeft het BMA daarop bij aanvullend advies van 23 januari 2013 gereageerd en verklaard dat de medische informatie van Stichting Centrum '45 geen aanleiding vormt om het BMA-advies van 2 oktober 2012 te wijzigen.

Bij brief van 12 februari 2013 hebben de behandelaars gesteld dat zij bij de vreemdeling een ernstig risico op suïcide constateren. Hij lijdt onder heftige angsten, herbelevingen en nachtmerries. De PTSS is onverminderd aanwezig. Daarnaast lijdt hij aan stemmingsstoornissen, gebrekkige impulscontrole en depressie. De behandelaars constateren bij de vreemdeling een zichtbaar hoge lijdensdruk. In zijn gedachten is hij frequent bezig met suïcide. Hij denkt hierbij aan het inslikken van mesjes. Onderbreking van de behandeling beschouwen zij als medisch onaanvaardbaar.

Naar aanleiding van de verkregen medische informatie heeft het BMA het noodzakelijk geacht om de vreemdeling te laten oproepen voor een expertise-onderzoek. Het onderzoek, verricht door een psychiater, tevens neuroloog, met assistentie van een psycholoog, heeft op 19 juni 2013 plaatsgevonden. Bij dit onderzoek, neergelegd in het expertiserapport van 9 juli 2013, is de medische informatie van de behandelaars betrokken. Volgens het expertiserapport constateren de opstellers op dit moment bij de vreemdeling geen suïcidaliteit. In het verleden, in 2011, zou hij wel een scheermesje hebben ingeslikt toen hij dreigde te worden uitgezet. Hij zegt wel regelmatig aan suïcide te denken. Bekende risicofactoren, zoals middelenmisbruik of een psychotische depressie, doen zich in elk geval niet voor. Een al dan niet gedwongen psychiatrische opname is niet aan de orde geweest. Naast een toename van stress en spanning bij het uitblijven van een medische behandeling verwachten de opstellers een mild beeld van medicatie-ontwenning van enkele dagen tot enkele weken. Bij een verergering van stress kan een heropflakkering van suïcidale uitingen optreden. Een situatie van aanwezige suïcidaliteit is volgens het expertiserapport niet van toepassing.

Vervolgens heeft het BMA op 11 september 2013 wederom een aanvullend advies uitgebracht en geconcludeerd dat het BMA-advies van 2 oktober 2012 gehandhaafd kan blijven. Het BMA verwacht geen medische noodsituatie door een potentieel levensbedreigende situatie in het kader van een psychiatrisch ziektebeeld. Het constateert geen suïcidaliteit, suïcidepoging, gedwongen opname of maatregelen in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Het ziet geen aanwijzingen voor een gebrekkige impulscontrole op grond van psychiatrisch onderzoek van de persoonlijkheid.

Bij in beroep overlegde brieven van 22 oktober 2013 en 9 januari 2014 en bij faxbericht van 3 februari 2014 hebben de behandelaars in reactie op het expertiserapport en laatstvermeld BMA-advies verklaard dat zij de vreemdeling als een ernstige psychiatrische patiënt beschouwen die niet zonder poliklinische behandeling kan. Zij zijn het, hoewel zij het actueel risico op suïcide volgens bij de brief van 22 oktober 2013 gevoegde onderzoeksuitslagen als matig van ernst beschouwen, absoluut oneens met de conclusie in het expertiserapport over de suïcidaliteit. Volgens hen heeft de vreemdeling de suïcidaliteit in het kader van de diagnose PTSS en depressie en is de ernstige suïcidepoging in 2011 gedaan tegen de achtergrond van zijn psychiatrische ziektebeeld. Zij constateren dat de vreemdeling nog dagelijks urenlang gedachten aan de dood heeft en dat hij nadenkt over verschillende manieren waarop hij zich van het leven kan beroven. Van het voorgeschreven middel sertraline, waarvan de behandelaars de dosering recent hebben verhoogd, gaat soms een rustgevend effect uit. Zij spreken nog steeds van een zeer zorgelijke situatie.

2.4. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het BMA en de behandelaars bij het beoordelen van de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet van dezelfde medische feiten zijn uitgegaan. Het BMA heeft de verklaringen van de behandelaars, die in verschillende fases van de procedure zijn opgesteld, in zijn advisering betrokken en heeft ter beantwoording van de vraag of de vreemdeling suïcidaal is een psychiater, tevens neuroloog, ingeschakeld, die niet bij de behandeling van de vreemdeling is betrokken en bij zijn onderzoek van de vreemdeling kennis heeft genomen van de op dat moment voorhanden bevindingen van de behandelaars.

2.5. Nu de behandelaars en het BMA bij het beoordelen van de gezondheidstoestand van de vreemdeling van dezelfde medische feiten zijn uitgegaan en de staatssecretaris, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling (voormelde uitspraak van 6 januari 2014) terecht aanvoert dat een verschil van inzicht tussen de behandelaars en het BMA over de uit de medische feiten te trekken conclusie over de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan, op zichzelf niet betekent dat de BMA-adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, heeft de staatssecretaris terecht de BMA-adviezen aan het besluit van 20 november 2013 ten grondslag gelegd.

De grief slaagt.

3. Uit hetgeen is overwogen onder 2.5. volgt dat de tweede grief, gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de staatssecretaris het besluit van 3 januari 2012 niet op zorgvuldige wijze heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd, nu hij daaraan een BMA-advies van gelijke strekking van 4 augustus 2011 ten grondslag heeft gelegd, ook slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 3 januari 2012 en 20 november 2013 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. Uit 2.5 en 3 volgt dat de staatssecretaris zijn standpunt dat geen medische noodsituatie zal ontstaan terecht op de BMA-adviezen heeft gebaseerd. Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van de BMA-adviezen, voor zover het BMA daarin concludeert dat de reis van de vreemdeling naar zijn land van herkomst, Afghanistan, uit medisch oogpunt niet op bezwaren stuit, treft geen doel. In het advies van 2 oktober 2012 heeft het BMA de vraag of de vreemdeling in staat is te reizen bevestigend beantwoord met daarbij de opmerking dat, gezien eerdere ervaringen bij een gedwongen terugkeer, begeleiding door de Koninklijke Marechaussee zinvol voorkomt. In het advies van 11 september 2013 heeft het BMA geconcludeerd dat fysieke overdracht als reisvereiste niet nodig is, omdat bij aankomst geen noodzaak tot direct medisch handelen wegens psychische klachten bestaat. Anders dan de vreemdeling betoogt, valt niet in te zien dat dit advies in zoverre niet inzichtelijk is. Daarbij is van belang dat het BMA de vraag naar de medische noodsituatie en de vraag naar de medische vereisten om een zorgvuldige reis te waarborgen los van elkaar beoordeelt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nr. 201000132/1/V1).

Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over de noodzaak van mantelzorg in Afghanistan leidt evenmin tot het beoogde doel, reeds omdat uit de BMA-adviezen volgt dat de vreemdeling uit medisch oogpunt niet afhankelijk is van mantelzorg.

6. De vreemdeling betoogt ten slotte dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn betoog dat hij wegens zijn medische situatie bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

6.1. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM; D. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 2 mei 1997, nr. 30240/96; Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 6 februari 2001, nr. 44599/98 en N. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 mei 2008, nr. 26565/05; alle: www.echr.coe.int) kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

Uit die rechtspraak, waarvan het EHRM in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk een overzicht geeft, kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie de paragrafen 42 tot en met 45 van voormeld arrest).

Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat dergelijke uitzonderlijke omstandigheden ook aan de orde zijn als een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die wel in een vergevorderd stadium verkeert, maar niet een direct levensbedreigend stadium heeft bereikt of dat laatste stadium na uitzetting evenmin direct of nagenoeg direct zal bereiken; in die gevallen staat artikel 3 van het EVRM niet aan uitzetting van een vreemdeling met medische problemen in de weg.

6.2. Nu de staatssecretaris op grond van de BMA-adviezen terecht geen medische noodsituatie heeft aangenomen, heeft hij zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM voordoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014 in zaak nr. 201310606/1/V4).

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 maart 2014 in zaken nrs. 12/850 en 13/29981;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, leden,

in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2014

32.