Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201403178/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1452, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college [appellant] gelast om voor 1 mei 2013 de stacaravan van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden onder het opleggen van een eenmalige dwangsom van € 7.500,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/640
Module Handhaving Leefomgeving 2015/786

Uitspraak

201403178/1/A1.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Barneveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 maart 2014 in zaak nr. 13/7452 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college [appellant] gelast om voor 1 mei 2013 de stacaravan van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden onder het opleggen van een eenmalige dwangsom van € 7.500,00.

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft het college besloten tot invordering van een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 7.500,00.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2014, heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen deze invorderingsbeschikking.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Brink en ing. M.M. van ‘t Veld, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000 - Wijziging Zeumerseweg 63" rust op het perceel, voor zover gelegen binnen het op de plankaart geprojecteerde bebouwingsvlak, de bestemming "Niet agrarische bedrijven" in de categorie "Valbeveiligingsbedrijf (Bvb)" met de nadere aanduiding "geen buitenopslag (gb)".

Verder rust ingevolge het bestemmingsplan op het perceel, voor zover gelegen buiten het op de plankaart geprojecteerde bebouwingsvlak, de bestemming "Agrarisch gebied I".

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt daarin onder bebouwingsvlak verstaan: een op de plankaart door bebouwingsgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 7 zijn de als "Agrarisch gebied I" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 25 zijn de als "niet agrarische bedrijven" in de categorie "Valbeveiligingsbedrijf (Bvb)" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven in de categorie valbeveiligingsbedrijf.

2. [appellant] is eigenaar van een valbeveiligingsbedrijf dat is gevestigd op het perceel. Verder is [appellant] eigenaar en bewoner van een dienstwoning op het perceel. Op het perceel is een stacaravan geplaatst.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk is waarvan het gebruik ten dienste staat van de dienstwoning. Tevens heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de stacaravan gedeeltelijk is geplaatst buiten het op het perceel geprojecteerde bebouwingsvlak.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de stacaravan geen omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2, aanhef en derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II, bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Hij voert daartoe aan dat de stacaravan is gesitueerd in het achtererfgebied als bedoeld in voormeld artikel.

3.1. Ingevolge artikel 1 van bijlage II, bij het Bor wordt in deze bijlage verstaan onder:

- achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;

- bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

- erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

- hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

Ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II, bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet, niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1° niet hoger dan 3 m,

2° de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m²,

3° als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbhorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m², en

4° functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

3.2. Op het perceel rust, voor zover dat is gelegen buiten het op de plankaart geprojecteerde bebouwingsvlak, de bestemming "Agrarisch gebied I". Het college heeft met de ter zitting overgelegde luchtfoto en situatiekaarten waarop de stacaravan en de grenzen van het op het perceel geprojecteerde bebouwingsvlak zijn ingetekend, deugdelijk gemotiveerd dat de stacaravan gedeeltelijk buiten het bebouwingsvlak en aldus op gronden waarop de bestemming Agrarisch gebied I rust, is geplaatst.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de op de door het college overgelegde kaarten en foto weergegeven situatie onjuist is.

[appellant] stelt tevergeefs dat de door het college overgelegde kaarten door een partijdig en aldus niet deskundig persoon zijn gemaakt.

De enkele omstandigheid dat de door het college overgelegde kaarten en ingetekende luchtfoto zijn gemaakt door een stedenbouwkundige die in dienst is van de gemeente, betekent niet dat die persoon een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.

Voorts kan aan de door [appellant] overgelegde luchtfoto’s met daarop ingetekend de grenzen van het bebouwingsvlak, niet de betekenis worden gehecht die [appellant] daaraan heeft toegekend. Daarbij is van belang dat [appellant] in beroep ter zitting heeft verklaard dat hij dat kaartje zelf heeft gemaakt, waarbij hij er op grond van de op de plankaart ingetekende bestaande bebouwing vanuit is gegaan dat het bebouwingsvlak de grenzen volgt van die bebouwing. Het college heeft evenwel, onder verwijzing naar voormelde situatiekaarten en de vermelding in het bestemmingsplan dat aan de topografische ondergrond met kadastrale aanduidingen geen rechten kunnen worden ontleend voor wat betreft de maatvoering en de situering, voldoende met argumenten onderbouwd dat de op die plankaart ingetekende bebouwing uitsluitend een indicatieve betekenis heeft.

3.3. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de stacaravan deels is gebouwd buiten het op de plankaart geprojecteerde bebouwingsvlak waarop een agrarische bestemming rust.

Het gebruik van de stacaravan ten behoeve van de dienstwoning en de bedrijfsvoering van [appellant] is daarmee in strijd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de gronden die zijn gelegen buiten het bebouwingsvlak geen onderdeel zijn van een erf als bedoeld in artikel 1 van bijlage II, bij het Bor, nu het bestemmingsplan deze inrichting verbiedt. Er kan reeds daarom geen toepassing worden gegeven aan artikel 2, aanhef en derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II, bij het Bor.

Het betoog faalt.

4. Ter voorlichting van [appellant] en om eventuele toekomstige geschillen omtrent de verwijdering van de stacaravan te voorkomen, heeft de rechtbank overwogen dat het niet is toegestaan de stacaravan te gebruiken ten dienste van de dienstwoning op het perceel indien [appellant] de stacaravan binnen het bebouwingsvlak zou plaatsen.

4.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de stacaravan niet ten behoeve van de dienstwoning gebruikt mag worden. [appellant] beroept zich daarbij op artikel 6, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Bor en de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 135).

4.2. Deze hoger beroepsgrond richt zich tegen een overweging van de rechtbank die uitsluitend dient ter voorlichting van [appellant] en niet dragend is voor het dictum van de aangevallen uitspraak.

Als zodanig kan deze grond niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het betoog faalt.

5. De conclusie is derhalve dat de stacaravan in strijd is met het bestemmingsplan en dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist, maar dat deze niet is verleend. Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6. De raad van Barneveld heeft op 28 mei 2013 het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is in september 2014, derhalve na het besluit op bezwaar, in werking getreden.

Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel, voor zover dat is gelegen binnen het op de verbeelding geprojecteerde bebouwingsvlak, de bestemming "Bedrijf - Niet-agrarisch".

Voor zover het perceel is gelegen buiten dat bebouwingsvlak rust op het perceel de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, n en r, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bedrijfswoningen en erven.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat concreet zicht bestaat op legalisering van de stacaravan.

Hij voert daartoe aan dat onder het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de stacaravan met toepassing van artikel 2, aanhef en derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II, bij het Bor omgevingsvergunningsvrij mag worden opgericht. Volgens [appellant] is het bebouwingsvlak dat op het perceel is geprojecteerd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan verruimd waardoor de stacaravan binnen dat bebouwingsvlak is gesitueerd.

Indien desondanks wordt geoordeeld dat de stacaravan deels buiten het bebouwingsvlak is gesitueerd, voert [appellant] aan dat het in de lijn der verwachting ligt dat vanwege het door hem ingestelde beroep tegen het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" het op het perceel geprojecteerde bebouwingsvlak aangepast zal worden.

Verder voert hij aan dat de stacaravan iets kan worden gedraaid waardoor deze alsnog binnen de grenzen van het bebouwingsvlak zal passen.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 juli 2014 in zaak nr. 201310146/1/A1) is om concreet zicht op legalisering aan te nemen in verband met de komst van een nieuw bestemmingsplan ten minste vereist dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarbinnen het gebruik, waar het handhavingsverzoek op ziet, past.

7.2. Het college heeft met de ter zitting overgelegde luchtfoto en situatiekaarten waarop de stacaravan en de grenzen van het op het perceel geprojecteerde bebouwingsvlak zijn ingetekend, deugdelijk gemotiveerd dat de stacaravan gedeeltelijk is gebouwd buiten het bebouwingsvlak op gronden waarop de bestemming "Agrarisch" rust.

Geen van de gebouwen op het perceel is noodzakelijk voor de verwezenlijking van de bestemming "Agrarisch". Op het perceel, voor zover dat is gelegen buiten het bebouwingsvlak, bevindt zich daarom geen hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1 van bijlage II, bij het Bor.

Gelet daarop kan de stacaravan, in ieder geval voor zover die buiten het bebouwingsvlak staat, niet worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van bijlage II, bij het Bor.

Dat het op het perceel geprojecteerde bebouwingsvlak wellicht in de beroepsprocedure zal worden gewijzigd en de stacaravan alsnog binnen de grenzen van het bebouwingsvlak zou kunnen worden geplaatst, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze omstandigheden onvoldoende concreet zijn om betekenis aan te kunnen hechten.

Het betoog faalt derhalve.

8. [appellant] betoogt verder dat het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Hij voert daartoe aan dat een ambtenaar van de gemeente hem in een e-mail heeft toegezegd dat de stacaravan zowel privé als zakelijk mag worden gebruikt.

8.1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Met de door [appellant] overgelegde e-mail is niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [appellant] het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college niet handhavend zou optreden tegen de stacaravan.

9. Voorts betoogt [appellant] dat de hoogte van de aan hem opgelegde dwangsom disproportioneel is.

9.1. [appellant] heeft deze grond en de daaraan ten grondslag liggende feiten niet in beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

12. [appellant] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat het college heeft verklaard dat de invordering zal worden opgeschort tot twee weken nadat de uitspraak is verzonden die de rechtbank heeft gedaan op het door hem ingestelde beroep. [appellant] verwijst daarbij naar het verweerschrift van het college dat het in beroep heeft ingediend.

Verder verwijst [appellant] naar twee e-mails van een ambtenaar van de gemeente van 22 mei 2014 van L.P. Berg, waarin deze te kennen geeft dat na het verlopen van de aanvullende betalingstermijn van de aanmaning de daadwerkelijke invordering niet direct zal plaatsvinden.

12.1. In het verweerschrift van 19 december 2013 heeft het college verklaard dat in het kader van het ingestelde beroep de begunstigingstermijn, op verzoek van [appellant], is opgeschort tot twee weken na de verzenddatum van de uitspraak op het beroepschrift. Op 11 maart 2014 is die uitspraak verzonden. Dat betekent dat twee weken daarna de begunstigingstermijn is verlopen. Gelet hierop heeft het college niet gehandeld in strijd met voormelde verklaring door op 21 mei 2014 te besluiten dat de verbeurde dwangsom wordt ingevorderd.

De door [appellant] overgelegde e-mails leiden niet tot een ander oordeel.

De inhoud ervan heeft geen betrekking op het nemen van het invorderingsbesluit, maar op de daadwerkelijke invordering van het verbeurde bedrag door een deurwaarder.

13. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2014 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

543.