Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201407144/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:7061, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201407144/1/V2.

Datum uitspraak: 23 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 augustus 2014 in zaak nr. 13/31202 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, voor zover thans van belang, dat de rechtbank bij haar oordeel dat het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen, de argumenten die hij aan zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, ten onrechte grotendeels buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat hij daarmee deugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling, voor zover dat betrekking heeft op de gestelde gebeurtenissen in 2012, ongeloofwaardig is.

1.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 13 december 2013 in zaak nr. 201301501/1/V2) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een asielzoeker in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling terughoudend toetsen. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering in voornemen en besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het door hem ingenomen standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft kunnen stellen.

1.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit en het daarin ingelaste voornemen, zoals nader toegelicht in het bij de rechtbank uitgebrachte verweerschrift, op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling gestelde bedreiging van zijn familie door de Karuna-groep en de ontvoering van zijn zuster en zijn vriend in 2012 ongeloofwaardig zijn. Weliswaar zijn in 2007 de zwagers van de vreemdeling onder meer vanwege hun problemen met de Karuna-groep in Nederland als vluchteling erkend en zijn hun echtgenotes, zusters van de vreemdeling, hen in 2008 nagereisd, maar de staatssecretaris acht niet geloofwaardig dat de vreemdeling en zijn familie in 2012 opnieuw in de negatieve belangstelling van deze groepering zijn komen te staan. Hiertoe acht hij van belang dat volgens de verklaringen van de vreemdeling niet is gebleken dat de Karuna-groep tussen 2009 en 2012 interesse in zijn familie had. Voorts valt volgens de staatssecretaris niet in te zien waarom de Karuna-groep, zoals de vreemdeling heeft verklaard, pas weer in 2012 zou willen dat de zwagers van de vreemdeling terugkeren naar Sri Lanka, nu hun problemen met deze groepering destijds verband hielden met de omstandigheid dat zij niet waren verschenen voor een herhalingsoefening van de Liberation Tigers of Tamil Elam (hierna: de LTTE), een separatistische organisatie waarvan het leger al in 2009 was verslagen. De enkele vermelding in het algemeen ambtsbericht inzake Sri Lanka van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 juni 2013 (hierna: het ambtsbericht van 2013), dat de Karuna-groep mensen ontvoert, maakt de gestelde ontvoering volgens de staatssecretaris evenmin geloofwaardig. Uit het ambtsbericht volgt immers ook dat ontvoeringen met name plaatsvinden om losgeld te krijgen, terwijl er in dit geval niet om losgeld is verzocht en bovendien de ouders van de vreemdeling naar eigen zeggen niet vermogend zijn. Voor zover de vreemdeling heeft verklaard dat hij het doelwit van de ontvoerders was en dat zijn vriend daarom ten onrechte door hen was meegenomen, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat de ontvoerders, na ontdekking van de gemaakte fout, deze vriend niet in vrijheid zouden hebben gesteld. Volgens de staatssecretaris kunnen de door de vreemdeling overgelegde verklaringen van derden niet aan zijn standpunt afdoen. De verklaringen van een Sri Lankaanse advocaat en dominee van onderscheidenlijk 17 september 2013 en 10 oktober 2013 zijn op verzoek van de vreemdeling opgesteld, terwijl uit de verklaringen van medewerkers van stichting Nidos van onderscheidenlijk 21 en 22 oktober 2013 slechts volgt dat de vreemdeling angstig is, hetgeen veel oorzaken kan hebben.

1.3. Anders dan waarvan de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak is uitgegaan, heeft de staatssecretaris, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is weergegeven, aan zijn standpunt dat de verklaringen van de vreemdeling over de ontvoering in 2012 niet geloofwaardig zijn, niet alleen het tijdsverloop sinds de eerdere gebeurtenissen ten grondslag gelegd. Hij heeft daarnaast gemotiveerd uiteengezet dat, gelet op de verklaringen van de vreemdeling over de periode tussen 2009 en 2012 en de omstandigheid dat het leger van de LTTE al in 2009 was verslagen, de hernieuwde belangstelling van de Karuna-groep voor de vreemdeling en zijn familie in 2012 niet geloofwaardig is. Daarbij heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, betrokken dat de zwagers van de vreemdeling in 2007 wegens gegronde vrees voor deze groepering in Nederland als vluchteling zijn toegelaten. De staatssecretaris heeft voorts toegelicht waarom, los van de bevreemdingwekkend geachte verklaring van de vreemdeling dat zijn vriend bij vergissing was ontvoerd, ook in het licht van het ambtsbericht van 2013 de verklaringen van de vreemdeling over de ontvoering in 2012 niet aannemelijk zijn. Op grond van de enkele stelling dat dit ambtsbericht niet uitsluit dat ontvoeringen ook om andere redenen dan het verkrijgen van losgeld plaatsvinden, heeft de staatssecretaris die verklaringen niet aannemelijk hoeven achten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich met de onder 1.2 weergegeven motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het besluit van 12 november 2013 deugdelijk gemotiveerd.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 november 2013 alsnog ongegrond verklaren.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 augustus 2014 in zaak nr. 13/31202;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Prins

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014

363-802.