Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201409166/3/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5886, Overig
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409166/3/V3.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), van 6 november 2014 in zaken nrs. 14/22341 en 14/22342 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 12 december 2014, in zaak nr. 201409166/2/V3, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet totdat na de behandeling van het verzoek ter zitting uitspraak is gedaan.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 december 2014, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. G.J. van Kammen, advocaat te Leeuwarden, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdeling is aangekondigd dat hij op korte termijn met toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening), wordt overgedragen aan Italië. Het verzoek is erop gericht dit gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep te voorkomen.

2. De vreemdeling heeft zich in het kader van zijn verzoek, gelezen in samenhang met het door hem ingediende hogerberoepschrift, op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit artikel 3.118a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals luidend vanaf 1 januari 2014, niet volgt dat de staatssecretaris eerst na het uitbrengen van een daartoe strekkend voornemen een andere lidstaat om overname of terugname mag verzoeken. Ter zitting heeft de vreemdeling toegelicht dat de trage informatievoorziening door de staatsecretaris tijdens de procedure hem de mogelijkheid heeft ontnomen de Italiaanse autoriteiten aan te schrijven met het verzoek het claimverzoek te weigeren, nu hij eerst met zijn gemachtigde in contact is gebracht toen het claimakkoord al tot stand was gekomen. Voorts klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur heeft geschonden, door ten aanzien van hem een claimverzoek aan de Italiaanse autoriteiten te versturen, terwijl dit bij andere vreemdelingen met een vergelijkbaar reisrelaas niet is gebeurd.

3. Niet in geschil is dat de vreemdeling in april 2014 uit zee is opgepikt door de Italiaanse autoriteiten, dat zijn personalia in Italië zijn geregistreerd en dat hij daar vervolgens een aantal dagen heeft verbleven. Evenmin in geschil is dat de Italiaanse autoriteiten niet binnen twee maanden hebben gereageerd op het claimverzoek tot overname van de staatssecretaris van 25 juni 2014, waardoor de Italiaanse autoriteiten ingevolge artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening sinds 26 augustus 2014 verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling.

4. Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris niet in overeenstemming heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3.118a van het Vb 2000 kan, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2014 in zaak nr. 201404229/1/V3, niet worden gevolgd. Voor zover de vreemdeling betoogt dat hij, doordat hij pas in contact met zijn gemachtigde is gebracht na de totstandkoming van het claimakkoord, in zijn belangen is geschaad, omdat hij daardoor de Italiaanse autoriteiten niet heeft kunnen aanschrijven, overweegt de voorzieningenrechter dat, zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 10 december 2013 in zaak C-394/12, Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt (ECLI:EU:C:2013:813), de keuze van het toepasselijke verantwoordelijkheidscriterium en het tot stand brengen van een claimakkoord een aangelegenheid tussen de betrokken lidstaten betreft en de Dublinverordening aan de vreemdeling in zoverre geen subjectieve rechten toekent.

5. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 september 2009 in zaak nr. 200806602/1/V1), het gelijkheidsbeginsel een consistent en dus doordacht bestuursbeleid vergt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt bij zijn optreden in individuele vergelijkbare gevallen. Het bewaken van de consistentie van het eigen optreden is bij uitstek de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur.

De staatssecretaris heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij in beginsel een claimverzoek naar Italië stuurt voor elke vreemdeling waarvoor voldoende indirect bewijs, in de zin van artikel 22, derde lid, onder b, van de Dublinverordening bestaat dat die vreemdeling via dat land illegaal het grondgebied van de lidstaten is binnengekomen. De omstandigheid dat in sommige gevallen de mogelijkheid tot het versturen van een claimverzoek aan Italië niet of te laat is onderkend en dat in de praktijk niet iedere vreemdeling die heeft verklaard via Italië het grondgebied van de lidstaten te zijn binnengekomen - succesvol - bij dat land kan worden geclaimd, betekent niet dat de staatssecretaris door, conform zijn algemene gedragslijn, waar voldoende indirect bewijs voorligt en een claimakkoord kan worden bereikt vreemdelingen aan Italië over te dragen in strijd met voormeld beginsel handelt. Daarbij is voorts van belang dat, zoals is uiteengezet in punten 51 tot en met 55 van voormeld arrest van het Hof van Justitie van 10 december 2013, de Dublinverordening gebaseerd is op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waardoor het verzoek van een asielzoeker grotendeels volgens dezelfde regels zal worden behandeld ongeacht welke lidstaat op grond van die verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, zodat de aanvraag van de vreemdeling in Italië op vergelijkbare wijze en omkleed met vergelijkbare waarborgen zal worden behandeld als in Nederland het geval zou zijn geweest. De vreemdeling heeft niet onderbouwd dat dit uitgangspunt in zijn geval geen opgeld doet.

6. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorziening, als verzocht, te treffen.

7. Gelet op voornoemde uitspraak van 12 december 2014 ziet de voorzieningenrechter aanleiding de staatssecretaris op na te melden wijze in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af.

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Verbeek

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

574-796.