Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4760

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201403935/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:2141, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft de RDW het kentekenbewijs behorende bij [kentekennummer] (hierna: het kentekenbewijs) met ingang van die datum ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403935/1/A1.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 maart 2014 in zaak nr. 13/5259 in het geding tussen:

[appellante]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft de RDW het kentekenbewijs behorende bij [kentekennummer] (hierna: het kentekenbewijs) met ingang van die datum ongeldig verklaard.

Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft de RDW het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2014, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. C.B.J. Maenhout, werkzaam bij de RDW, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is sinds 31 juli 2012 in het bezit van een personenauto met het [kenteken]. Op 24 april 2013 heeft een onderzoeker van het Permanent Auto Team (hierna: het PAT) van de politie Zeeland-West-Brabant een onderzoek ingesteld naar de identiteit van het desbetreffende voertuig. Uit dat onderzoek is gebleken dat het voertuig is voorzien van gestolen onderdelen waardoor de identiteit van het voertuig niet kon worden vastgesteld.

2. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) dient door de RDW aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.

Ingevolge het tweede lid dient ter zake van de in het eerste lid bedoelde opgave overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de RDW een kentekenbewijs te zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig.

Ingevolge het vijfde lid dienen motorrijtuigen overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een bepaalde afwijking van die gegevens is toegestaan.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder a, zijn voor overtreding van het eerste tot en met het vijfde lid, voor zover het betreft een motorrijtuig, aansprakelijk de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, onder f, zoals dat gold ten tijde van belang, kan een kentekenbewijs, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, ongeldig worden verklaard in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.

Ingevolge artikel 1, derde lid, wordt degene aan wie een kentekenbewijs is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Regeling tot uitvoering van de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Regeling voertuigen), zoals dat gold ten tijde van belang, wordt het voertuigidentificatienummer (hierna: VIN) vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in bijlage I.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage I bij de Regeling voertuigen wordt verstaan onder:

- hoofdonderdelen van een voertuig voorzien van een volledig zelfdragende carrosserie: carrosserie en aandrijflijn;

- samengesteld voertuig: een voertuig, waarvan de hoofdonderdelen afkomstig zijn van twee of meer voertuigen;

- VIN: een gestructureerde combinatie van tekens die de fabrikant oorspronkelijk aan ieder voertuig heeft gegeven, met het doel om, zonder gebruikmaking van verdere informatie, ieder voertuig eenduidig te identificeren.

Ingevolge artikel 7, zesde lid, wordt, indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, geen VIN vastgesteld.

Ingevolge artikel 37, derde lid, aanhef en onder d, van het Kentekenreglement, zoals dat gold ten tijde van belang, kan de RDW een kentekenbewijs ongeldig verklaren indien naar het oordeel van deze dienst blijkt dat degene aan wie dat bewijs is afgegeven, opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de RDW het kentekenbewijs op goede gronden ongeldig heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat het VIN dat in het kentekenbewijs is opgenomen is aangetroffen op het desbetreffende voertuig, zodat de identiteit van het voertuig is vast te stellen. Volgens haar is niet aan de hand van te verifiëren gegevens vast komen te staan dat, zoals door de RDW is gesteld, het voertuig is omgekat en gedeeltelijk zou bestaan uit gestolen onderdelen.

3.1. Uit het door de RDW overgelegde identificatierapport van 24 april 2013 volgt dat de zelfdragende carrosserie niet te identificeren is en anderzijds de aandrijflijn afkomstig blijkt te zijn van diefstal, waardoor de identiteit van het voertuig niet meer is vast te stellen. [appellante] heeft enkel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat het identificatierapport is gebaseerd op onjuiste gegevens. Anders dan [appellante] betoogt, is niet van belang of de RDW destijds bij de afgifte van het kentekenbewijs al dan niet duidelijk had kunnen maken dat de identiteit van het voertuig niet was vast te stellen, maar is van belang of de identiteit op het moment van de controle door het PAT was vast te stellen. Nu dat gelet op het identificatierapport niet mogelijk was, behoort het afgegeven kentekenbewijs niet meer bij het voertuig. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] niet langer kan worden beschouwd als eigenaar in de zin van de WVW, waarmee wordt bedoeld, eigenaar van een voertuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven.

Gelet op al het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de RDW in redelijkheid van haar bevoegdheid om het kentekenbewijs ongeldig te verklaren gebruik heeft kunnen maken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Fransen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

531-776.