Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201404078/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2012 heeft het COa een verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404078/1/A3.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 april 2014 in zaak nr. 13/932 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (lees: het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers; hierna: het COa).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2012 heeft het COa een verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2013 heeft het COa het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Bij besluit van 16 september 2013 heeft het COa het besluit van 28 juni 2013 gedeeltelijk herzien, een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en de weigering van de volledige openbaarmaking van de verstrekte documenten onder een gewijzigde motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het COa heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om kennis te nemen van de geheime stukken.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 6 november 2014.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge het derde lid is het tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

2. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op een procedure tussen een vreemdeling en het COa, betreffende een afwijzende beslissing van het COa op een verzoek van de vreemdeling tot vergoeding van de kosten van een contra-expertise van een taalanalyse, die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, heeft behandeld.

3. Bij besluit van 28 juni 2013 heeft het COa aan [appellant] een aantal documenten gedeeltelijk verstrekt. Voor zover het passages heeft geweigerd heeft het zich beroepen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob. Voor zover het documenten in zijn geheel heeft geweigerd heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat deze documenten reeds openbaar zijn. Het COa heeft deze documenten als service wel aan [appellant] verstrekt.

Bij besluit van 16 september 2013, gecorrigeerd bij brief van 7 oktober 2013, heeft het COa het besluit van 28 juni 2013 gedeeltelijk herzien, een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en per verstrekt document nader gemotiveerd waarom gegevens zijn weggelakt. Hierbij beroept het COa zich naast de hiervoor genoemde artikelen, ook op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob. Verder heeft het COa meer documenten in zijn geheel geweigerd, omdat deze reeds openbaar zijn dan wel omdat die documenten geen bestuurlijke aangelegenheid betreffen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit van 16 september 2013 vermelde opsomming van de documenten waarvan hij om openbaarmaking heeft verzocht volledig was. In de uitspraak van de rechtbank in de desbetreffende procedure van de vreemdeling tegen het COa, die als service aan [appellant] is verstrekt, staat vermeld dat de vreemdeling een viertal uitspraken aan de rechtbank heeft toegezonden. Het COa moet als verweerder in die zaak die uitspraken toegezonden hebben gekregen. Deze correspondentie heeft het COa echter niet als dossierstuk in die procedure genoemd. In de uitspraak van de rechtbank worden ook het beroepschrift en het besluit tot heropening van het onderzoek na zitting genoemd. Deze heeft het COa evenmin in de in het besluit van 16 september 2013 vermelde opsomming opgenomen. Verder wordt in het door het COa verstrekte verweerschrift dat in de desbetreffende procedure is ingediend correspondentie genoemd, zoals faxen en brieven, die het COa eveneens niet in de opsomming heeft genoemd. Deze documenten heeft het COa ten onrechte zonder motivering geweigerd te verstrekken, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend, aldus [appellant].

Voorts heeft de rechtbank miskend dat de gevraagde documenten niet alleen persoonsgegevens bevatten, maar ook juridische analyses en overwegingen. Deze passages hadden openbaar moeten worden gemaakt, aldus [appellant].

4.1. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de geheime stukken.

In de documenten die het COa openbaar heeft gemaakt, zijn alleen de gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob weggelakt. Voor zover de verstrekte documenten juridische analyses en overwegingen bevatten, zijn die, anders dan [appellant] heeft betoogd, openbaar gemaakt.

Voorts heeft het COa de door [appellant] genoemde brieven en faxen in de in het besluit van 16 september 2013 vermelde opsomming genoemd en grotendeels openbaar gemaakt. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat met de fax van de advocaat van 24 december 2010 de fax van 22 december 2010 wordt bedoeld, die op de eerstgenoemde datum is verzonden.

In zoverre faalt het betoog.

4.2. Ter zake van de vier uitspraken die de vreemdeling aan de rechtbank heeft toegezonden, heeft het COa zich op het standpunt gesteld dat deze reeds openbaar zijn, zodat de Wob daarop niet van toepassing is. Aldus is het COa er evenwel aan voorbij gegaan dat [appellant] heeft verzocht om de brief waarbij de rechtbank de aan haar toegezonden uitspraken heeft doorgezonden naar het COa. [appellant] betoogt terecht dat deze brief, met eventuele bijlagen, betrekking heeft op de procedure tussen de vreemdeling en het COa en derhalve had behoren te worden opgenomen in de opsomming van documenten. Hetzelfde geldt voor het beroepschrift en het besluit tot heropening van het onderzoek na zitting. Dit zijn beide documenten die bij uitstek betrekking hebben op de procedure tussen de vreemdeling en het COa. Het COa heeft het verzoek van [appellant] ten onrechte in zoverre niet inhoudelijk beoordeeld op grond van de Wob en de in die wet opgenomen weigeringsgronden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt in zoverre.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank zijn beroep gegrond had moeten verklaren, nu zijn beroepsgrond dat het COa in het besluit van 16 september 2013 een onjuiste proceskostenvergoeding heeft uitsproken slaagt. Een gegrond beroep had vervolgens moeten leiden tot een volledige vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten, aldus [appellant].

5.1. Dit betoog slaagt. [appellant] heeft in zijn aanvullend beroepschrift van 17 september 2013 betoogd dat het COa ten onrechte het telefonisch horen niet gelijk heeft gesteld met het bijwonen van een hoorzitting en de daarvoor gemaakte kosten niet heeft vergoed. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het COa alsnog veroordeeld tot het vergoeden van die kosten. De rechtbank had het beroep van [appellant] derhalve gegrond moeten verklaren en het COa tevens moeten veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] in beroep gemaakte proceskosten.

Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant] verder over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling heeft aangevoerd geen bespreking. De Afdeling zal de proceskostenvergoeding zelf in de einduitspraak vaststellen.

6. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beslechting van het geschil aanleiding het COa op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in 4.2 vermelde gebreken in het besluit van 16 september 2013 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. Het COa dient daartoe met toepassing van de Wob opnieuw het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van zijn verzoek te beoordelen, voor zover dat ziet op de genoemde documenten. Dit nieuwe besluit dient het COa binnen vier weken na de verzending van deze tussenuitspraak aan [appellant] en de Afdeling toe te zenden.

7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op om binnen vier weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overweging 6 de daar omschreven gebreken te herstellen en het besluit aan [appellant] en de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

434-773.