Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4753

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201309488/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft DNB een verzoek van [appellant] tot inzage in zijn persoonsgegevens voor zover die zijn opgenomen in onderzoeksdossiers afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 1:24
Wet op het financieel toezicht 1:89
Wet op het financieel toezicht 1:92
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 1
Wet bescherming persoonsgegevens 2
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/51 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JBP 2015/19 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JBP 2015/76 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
RF 2015/55
JONDR 2015/672
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309488/1/A3.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2013 in zaak nr. 13/1991 in het geding tussen:

[appellant]

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft DNB een verzoek van [appellant] tot inzage in zijn persoonsgegevens voor zover die zijn opgenomen in onderzoeksdossiers afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft DNB het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit voor zover dat ziet op de afwijzing van het verzoek vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft hierop een nadere reactie ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om van de onderzoeksdossiers kennis te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G. van Dam en mr. T. Lucas, beiden advocaat te Amsterdam, en DNB, vertegenwoordigd door M. Steenbakker, mr. drs. A.D.S. Hoeblal en S.J.Q. Mutsaerts, allen werkzaam bij DNB, bijgestaan door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

De Afdeling heeft aanleiding gezien het onderzoek in de zaak te heropenen en de beslissing aan te houden in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling bij verwijzingsuitspraak van 1 augustus 2012 in de zaken nrs. 201108135/1/A3 en 201110165/1/A3 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

Bij arrest van 17 juli 2014 in de gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, inzake Y.S., tegen de minister onderscheidenlijk de minister tegen M. en tegen S. (ECLI:EU:C:2014:2081; hierna: het arrest) heeft het Hof deze vragen beantwoord.

[appellant] en DNB hebben een reactie ingediend.

Voorts hebben zij ingestemd met het achterwege laten van een nadere behandeling van de zaak ter zitting.

De Afdeling heeft het onderzoek daarop gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Ingevolge artikel 2 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281; hierna: de Privacyrichtlijn) wordt in de zin van deze richtlijn verstaan onder:

a) "persoonsgegevens", iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna "betrokkene" te noemen; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;

b) "verwerking van persoonsgegevens", hierna "verwerking" te noemen, elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procédés, het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

c) "bestand van persoonsgegevens", hierna "bestand" te noemen, elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze;

[…].

Ingevolge artikel 3, eerste lid, zijn de bepalingen van deze richtlijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, waarborgen de lidstaten elke betrokkene het recht vrijelijk en zonder beperking, met redelijke tussenpozen en zonder bovenmatige vertraging of kosten van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

- uitsluitsel omtrent het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens, alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en de ontvangers of categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;

- verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de gegevens;

- […].

Ingevolge artikel 13, eerste lid, kunnen de lidstaten wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in artikel 12 bedoelde rechten en plichten indien dit noodzakelijk is ter vrijwaring van

a) de veiligheid van de Staat;

b) de landsverdediging;

c) de openbare veiligheid;

d) het voorkomen, het onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen;

e) een belangrijk economisch of financieel belang van een Lidstaat of van de Europese Unie, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden;

f) een taak op het gebied van controle, inspectie of regelgeving, verbonden, ook al is dit incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de onder c), d) en e), bedoelde gevallen;

g) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

c. bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen;

(…).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is deze wet van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 43 kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

a. de veiligheid van de staat;

b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of

e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 1:24, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) is prudentieel toezicht gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

Ingevolge het tweede lid heeft DNB, op de grondslag van deze wet, tot taak het prudentieel toezicht op financiële ondernemingen uit te oefenen en te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot de financiële markten.

Ingevolge het derde lid kan DNB, indien een verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betrekking heeft op de soliditeit van op de financiële markten werkzame ondernemingen of de stabiliteit van het financiële stelsel, bij algemene maatregel van bestuur worden belast met de uitvoering en handhaving van de bij of krachtens die verordening gestelde regels.

Ingevolge het vierde lid kunnen bij ministeriële regeling ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop DNB de taak, bedoeld in het tweede lid, uitoefent.

Ingevolge artikel 1:89, eerste lid, is het een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Awb zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie als bedoeld in artikel 1:90, eerste lid, onderscheidenlijk 1:91, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

Ingevolge het tweede lid kan de toezichthouder in afwijking van het eerste lid met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot de afzonderlijke personen.

Ingevolge artikel 1:92 kan de toezichthouder in afwijking van artikel 1:89, eerste lid, vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een instantie die is belast met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of aan een deskundige die door een dergelijke instantie met een opdracht is belast, voorzover de verlangde gegevens of inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die opdracht.

Ingevolge het tweede lid stelt de instantie, bedoeld in het eerste lid, indien deze het voornemen heeft toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de toezichthouder vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage of een afschrift van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of 126a van het Wetboek van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de Wet op de economische delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 1:89, eerste lid, voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de toezichthouder in de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.

3. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft [appellant] een verzoek op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wbp bij DNB ingediend. Hij heeft verzocht om inzage dan wel verstrekking van alle hem betreffende persoonsgegevens die door DNB worden verwerkt. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 oktober 2012 heeft DNB het verzoek afgewezen voor zover het persoonsgegevens zijn, die niet door of namens [appellant] aan DNB zijn verstrekt.

4. DNB heeft zich hangende beroep onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013 in zaak nr. 201112022/1/A3 op het nadere standpunt gesteld dat de Wbp niet van toepassing is, omdat geen sprake is van een bestand als bedoeld in de Wbp. De persoonsgegevens van [appellant] bevinden zich in het ‘intern record management’ systeem van DNB, dat wordt gebruikt als digitaal archief. Documenten, die DNB opstelt of verkrijgt, worden daarin opgeslagen aan de hand van een mappenstructuur ten behoeve van lopende toezichtdossiers. In dit systeem kan met een zoekterm, zoals een naam, gezocht worden. Dan komen slechts mappen met de titels van de vertrouwelijke onderzoeksdossiers waarin de gezochte naam voorkomt naar voren. De persoonsgegevens van [appellant] komen uitsluitend op willekeurige basis voor in de toezichtvertrouwelijke documenten die zijn opgeslagen in het digitale archief. Het gaat niet om persoonsgegevens die in een gestructureerd geheel of samenhangende verzameling op grond van meer dan één kenmerk verzameld zijn, aldus DNB.

5. De rechtbank heeft vastgesteld dat de onderzoeksdossiers waarin de naam van [appellant] op verschillende plaatsen voorkomt, geen onderdeel uitmaken van een bestand in de zin van de Wbp. DNB heeft daarom ten onrechte de Wbp aan de weigering ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft het bij haar bestreden besluit om die reden vernietigd, voor zover het verzoek is afgewezen. Omdat DNB zich in beroep op het nadere, naar het oordeel van de rechtbank juiste, standpunt heeft gesteld dat de Wbp niet van toepassing is, heeft zij evenwel aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand te laten.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB zich in beroep terecht op het nadere standpunt heeft gesteld dat de Wbp niet van toepassing is. Hij voert aan dat DNB beschikt over een ‘intern record management’ systeem zodat sprake is van geheel geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en aan de vraag of is voldaan aan een bestand, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Privacyrichtlijn en artikel 2, eerste lid, van de Wbp, niet kan worden toegekomen. De in voormelde bepalingen opgenomen zinsnede "die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen." ziet alleen op "de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens" en niet op - zoals hier aan de orde - "de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens". Dit wordt volgens [appellant] bevestigd door wat is vermeld in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997/98, 25892, nr. 3, blz. 53 en 69).

6.1. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb de door DNB overgelegde documenten ingezien. Deze documenten zijn voor een deel door DNB van onder toezicht staande instellingen ontvangen. Medewerkers van DNB hebben deze documenten ingescand en door middel van de computer digitaal opgeslagen in het ‘intern record management’ systeem. Andere documenten zijn door medewerkers van DNB gemaakt met een computerprogramma en door middel van de computer digitaal opgeslagen in het ‘intern record management’ systeem.

6.2. Deze digitale wijze van verzamelen van documenten die persoonsgegevens bevatten, is een vorm van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wbp. Dit artikel is de implementatie van artikel 3, eerste lid, van de Privacyrichtlijn.

In de bewoordingen van beide bepalingen wordt geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens onderscheiden van niet-geautomatiseerde verwerking.

Dat artikel 3 van de Privacyrichtlijn beoogt onderscheid tussen deze twee wijzen van verwerkingen te maken blijkt mede uit de overwegingen 15 en 27 van de bij de Privacyrichtlijn behorende preambule. In overweging 15 staat dat verwerking van persoonsgegevens slechts onder deze richtlijn valt als zij geautomatiseerd is of als de betrokken gegevens zijn opgeslagen of zullen worden opgeslagen in een bestand dat gestructureerd is volgens specifieke persoonscriteria. In overweging 27 staat dat de bescherming van personen zowel op automatische als op niet-automatische verwerking van toepassing is en dat wat de niet-automatische verwerking betreft alleen bestanden en geen ongestructureerde dossiers onder de richtlijn vallen. Hieruit en ook uit de tekst in de Franse, Engelse en Duitse taalversies van artikel 3, eerste lid, van de Privacyrichtlijn en overweging 27 van de preambule blijkt het oogmerk om geautomatiseerd verwerkte persoonsgegevens ook onder de reikwijdte van de Privacyrichtlijn te brengen als het geheel van de verwerkte gegevens niet is aan te merken als een bestand in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van de Privacyrichtlijn, omdat het bij geautomatiseerde verwerking gemakkelijker is dan bij niet-geautomatiseerde verwerking om persoonsgegevens te zoeken en te vinden.

6.3. Nu de tekst van de artikelen 2, eerste lid, van de Wbp en 3, eerste lid, van de Privacyrichtlijn duidelijk is, kan wat hierover in de memorie van toelichting bij de Wbp is vermeld (Kamerstukken II 1997/98, 25892, nr. 3, blz. 53) daaraan niet afdoen.

Gezien het vorenstaande volgt uit de bewoordingen van artikel 2, eerste lid, van de Wbp en artikel 3, eerste lid, van de Privacyrichtlijn, gelezen in samenhang met de overwegingen uit de preambule bij die richtlijn, dat het in geval van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens niet van belang is of deze gegevens een bestand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wbp, vormen.

Met dit oordeel sluit de Afdeling aan bij hetgeen is overwogen in de uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201304235/1/A3.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 18 februari 2013 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden. Daarbij zullen mede worden betrokken de reacties van partijen op het arrest.

8. DNB heeft aan de afwijzing van het verzoek artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp ten grondslag gelegd. DNB heeft in dat verband gewezen op artikel 1:89 van de Wft. De daarin vervatte geheimhoudingsverplichting die op DNB rust, dient mede ter bescherming van de rechten van onder toezicht staande instellingen en hun medewerkers die aan DNB vertrouwelijke informatie hebben verstrekt. Deze instellingen mogen ervan uitgaan dat de door hen versterkte informatie in beginsel geheim blijft. Artikel 1:89 van de Wft dient dan ook ter bescherming van een ieder die in het kader van de toezichthoudende taken van DNB informatie aan DNB heeft verstrekt. DNB heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet aan het verzoek hoeft te worden voldaan als de inwilliging daarvan de rechten en vrijheden van DNB onevenredig zou aantasten. Onder "anderen" in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp moet immers ook begrepen worden de verantwoordelijke, in dit geval DNB. Indien de gevraagde persoonsgegevens die zich in de onderzoeksdossiers bevinden voor inzage vatbaar zijn, kunnen de opstellers van deze documenten zich belemmerd voelen in de vrijheid om argumenten en overwegingen naar voren te brengen die bij het onderzoek van belang kunnen zijn. Dit zou kunnen leiden tot het niet vermelden van dergelijke argumenten en overwegingen, waardoor de vereiste zorgvuldigheid in het onderzoek wordt bedreigd. Derhalve dient het belang van de ongestoorde gedachtewisseling door de medewerkers van DNB te prevaleren boven het belang van [appellant] bij inzage in zijn persoonsgegevens. Voor zover het de categorie onderzoeksdossiers in het kader van toezicht betreft, heeft DNB aan de afwijzing van het verzoek tevens artikel 43, aanhef en onder b en d, van de Wbp ten grondslag gelegd. DNB heeft zich op het standpunt gesteld dat de toezichtsinformatie waarover zij beschikt en waarin persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt relevant kan zijn in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten door het openbaar ministerie in algemene zin. Op grond van artikel 1:92 van de Wft is DNB bevoegd om informatie uit te wisselen met het openbaar ministerie in het kader van voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.

DNB heeft voorts het standpunt ingenomen dat, anders dan waar [appellant] kennelijk van uitgaat, hij met een beroep op artikel 35 van de Wbp - los van de vraag of de weigeringsgronden van artikel 43 van de Wbp van toepassing zijn - niet kan bereiken dat hem bepaalde documenten, die in het bezit zijn van DNB en waarin zijn naam voorkomt, worden verstrekt.

Bij het verstrekken van persoonsgegevens op grond van artikel 35 van de Wbp kan volgens DNB worden volstaan met het verstrekken van een overzicht van verwerkte persoonsgegevens. Een afschrift is niet vereist om [appellant] in de gelegenheid te stellen van de hem betreffende persoonsgegevens kennis te nemen en te controleren of deze gegevens juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de privacyrichtlijn, aldus DNB.

9. [appellant] betoogt dat DNB ten onrechte aan de afwijzing van het verzoek artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp ten grondslag heeft gelegd. Daartoe voert hij aan dat het door DNB gedane beroep op artikel 1:89 van de Wft niet opgaat. De betreffende informatie is niet door DNB verkregen in het kader van de uitoefening van prudentieel toezicht, althans DNB heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij deze informatie wel in dat kader heeft verkregen en dat de verkregen informatie in dat geval vertrouwelijk is. Voorts voert [appellant] onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011 zaak nr. 201005110/1/H3 aan dat het belang van (de medewerkers van) DNB bij een ongestoorde gedachtewisseling geen gewichtig belang is op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op zijn recht op kennisneming. DNB heeft zich dan ook op het onjuiste standpunt gesteld dat belang van (de medewerkers van) DNB bij een ongestoorde gedachtewisseling prevaleert boven zijn belang bij kennisneming van zijn persoonsgegevens. Bovendien is de door DNB gegeven redenering alleen gebaseerd op veronderstellingen.

[appellant] betoogt voorts dat DNB ten onrechte aan de afwijzing van het verzoek, voor zover het onderzoeksdossiers in het kader van toezicht betreft, artikel 43, aanhef en onder b en d, van de Wbp ten grondslag heeft gelegd. Daartoe voert hij aan dat DNB geen beroep heeft kunnen doen op artikel 43, aanhef en onder d, van de Wbp, omdat niet tevens een beroep is gedaan op artikel 43, aanhef en onder c, van de Wbp. Voorts voert [appellant] aan dat DNB artikel 43, aanhef en onder b, van de Wbp onjuist heeft toegepast. De fase van opsporing van strafrechtelijke feiten tegen hem is immers reeds afgerond door het openbaar ministerie. DNB kan geen informatie achterhouden omdat dit mogelijk in de toekomst relevant zou kunnen zijn. Een beroep op artikel 43, aanhef en onder b, van de Wbp is alleen gerechtvaardigd als de aanwezige informatie noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dat is hier niet het geval, aldus [appellant].

10. Het recht op inzage als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft, zo volgt uit het arrest van het Hof, uitsluitend betrekking op de persoon betreffende gegevens die vallen onder het bereik van de Wbp. Over de wijze van verstrekking van deze gegevens heeft het Hof overwogen dat het aan de lidstaten is om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moet krijgen, mits deze in begrijpelijke vorm geschiedt. Voor zover aan de met het recht op inzage nagestreefde doelstelling volledig kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan artikel 12, aanhef en onder a, van de Privacyrichtlijn geen recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin hem betreffende gegevens staan, aldus het Hof. Het volstaat derhalve dat aan de aanvrager, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp, een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van deze persoonsgegevens wordt verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, zodat de aanvrager die gegevens kan controleren op hun juistheid en kan controleren of zij in overeenstemming met de Wbp zijn verwerkt.

De Afdeling stelt vast dat ten aanzien van de onderzoeksdossiers geen volledig overzicht in begrijpelijke vorm van [appellant] betreffende persoonsgegevens is verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Hieraan heeft DNB artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp ten grondslag gelegd en, voor zover het onderzoeksdossiers in het kader van toezicht betreft, tevens artikel 43, aanhef en onder b en d, van de Wbp.

De tekst van artikel 43, aanhef en onder d, van de Wbp biedt, anders dan [appellant] heeft betoogd, geen aanknopingspunten voor een uitleg van die bepaling die inhoudt dat hierop geen beroep kan worden gedaan als niet tevens een beroep wordt gedaan op artikel 43, aanhef en onder c, van die wet. De wetsgeschiedenis biedt evenmin steun voor een dergelijke uitleg.

Beoordeeld dient te worden of de genoemde weigeringsgronden aan het verstrekken van een overzicht van [appellant] betreffende persoonsgegevens in de weg staan.

10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 februari 2011 in zaak nr. 201005110/1) gaat het bij een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp om gewichtige belangen op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op het recht van de betrokkene op kennisneming en behoort het belang van de ongestoorde gedachtewisseling tussen ambtenaren daar niet toe. Het belang van DNB om zich vertrouwelijk te laten adviseren en het belang van de ambtenaren om in rapporten onbelemmerd argumenten en overwegingen naar voren te brengen die bij het onderzoek van belang kunnen zijn, kunnen niet worden aangemerkt als een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp.

10.2. Zoals DNB onweersproken heeft gesteld gaat de in artikel 1:24 van de Wft bedoelde prudentiële toezichtstaak verder dan uitsluitend het bewaken van de solvabiliteits- en liquiditeitspositie van financiële ondernemingen. DNB ziet er in het kader van die taak onder meer op toe dat sprake is van een beheerste en integere bedrijfsuitoefening. Daaronder valt ook het tegengaan van belangenverstrengeling en het tegengaan dat (werknemers van) financiële ondernemingen strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden.

De Afdeling is, na kennisneming van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde onderzoeksdossiers, van oordeel dat de onderzoeksdossiers informatie bevatten die door DNB is verkregen in het kader van de uitoefening van prudentieel toezicht en vertrouwelijk is.

10.3. Voor zover DNB heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de vertrouwelijkheid en de in artikel 1:89 van de Wft vervatte geheimhoudingsplicht, overweegt de Afdeling dat het onderhavige geval niet ziet op het openbaar maken van de onderzoeksdossiers, maar op het aan [appellant] verstrekken van een overzicht van de in die dossiers vermelde hem betreffende persoonsgegevens. Niet valt in te zien dat het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van (medewerkers van) de onder toezicht staande instellingen, hierbij zonder meer in het geding komt. De door DNB gegeven, niet specifiek op het verzoek van [appellant] toegespitste motivering biedt daarvoor in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het op grond van artikel 1:89, tweede lid, van de Wft voor DNB mogelijk is om mededeling te doen van vertrouwelijk overgelegde gegevens, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.

10.4. Voorts overweegt de Afdeling dat het door DNB ingenomen standpunt, dat de toezichtsinformatie waarover zij beschikt en waarin persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt relevant kan zijn in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten door het openbaar ministerie in algemene zin, ontoereikend is voor een succesvol beroep op de in artikel 43, aanhef en onder b, van de Wbp vervatte weigeringsgrond. Daarvoor is vereist dat wordt duidelijk gemaakt welk concreet met voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten verbonden belang wordt geschonden door honorering van het verzoek om kennisneming als bedoeld in artikel 35 van de Wbp, daarbij in aanmerking genomen dat [appellant] reeds strafrechtelijk is vervolgd. Dat is hier niet gebeurd. Nu het beroep op de in artikel 43, aanhef en onder d, van de Wbp vervatte weigeringsgrond op dezelfde motivering is gebaseerd, ontbeert het besluit van 18 februari 2013 ook in zoverre een toereikende motivering.

11. De conclusie is dat het besluit van 18 februari 2013 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen.

12. Het bij de rechtbank ingestelde beroep is gegrond. Weliswaar is uit de onderzoeksdossiers gedurende de procedure informatie over het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, kenbaar geworden, maar een door DNB vervaardigd volledig overzicht in begrijpelijke vorm ontbreekt. Het is aan DNB om, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden, alsnog aan [appellant] een overzicht als bedoeld in artikel 35 van de Wbp te verstrekken.

De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding DNB op voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen het gebrek in dit besluit te herstellen. DNB dient de Afdeling en [appellant] de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

13. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de naamloze vennootschap De Nederlandsche Bank N.V. op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 18 februari 2013, kenmerk 2013/100579 te herstellen, de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel besluit tot wijziging of een nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Borman w.g. Nell

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

597.