Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201403240/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1433, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403240/1/V6.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2014 in zaak nr. 13/4966 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.F.J.L. van Pelt, advocaat te Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Groenendijk, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

In de Handleiding is vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellante] haar nationaliteit en identiteit niet heeft aangetoond. Aan deze afwijzing heeft hij ten grondslag gelegd dat [appellante] bij het verzoek geen geldig buitenlands reisdocument en geen notariële akte van geboorte met een door een notaris gewaarmerkte kopie van een brondocument heeft overgelegd. De staatssecretaris heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat als brondocument kan gelden een hukou, dat wil zeggen een huishoudregistratieboekje, een verklaring van het Public Security Bureau, de instantie die verantwoordelijk is voor de bevolkingsregistratie in China, of een verklaring van het ziekenhuis waar de vreemdeling is geboren. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert.

4. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan haar betoog dat de staatssecretaris is uitgegaan van een verkeerde lezing van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake China van december 2012 (hierna: het ambtsbericht). De informatie in het ambtsbericht moet worden uitgelegd in het licht van het over het hukou-systeem in Migrantenrecht 2007, nr. 8 verschenen artikel ‘Persoonsregistratie in China en zicht op uitzetting’ van M. Collet, aldus [appellante].

Voorts betoogt [appellante] dat zij, gelet op haar persoonlijke omstandigheden en de algemene situatie in China, al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de vereiste documenten.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 12 oktober 2001 in zaak nr. 200103977/1) kan een algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de staatssecretaris bij zijn besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

4.2. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 in zaak nr. 201208869/1/V6), terecht overwogen dat de in het artikel van Collet beschreven situatie ziet op de hukou-registratie in een niet nader genoemd dorp in China en dat [appellante] daarmee niet heeft aangetoond dat haar hukou-registratie is vernietigd. De rechtbank heeft hierbij terecht mede in aanmerking genomen dat het onderzoek van Collet van eerdere datum is dan het ambtsbericht. Het onderzoek van Collet vormt derhalve geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht, zodat de staatssecretaris terecht van de juistheid en de volledigheid van de in het ambtsbericht vervatte informatie over de hukou-registratie is uitgegaan. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Dat in het ambtsbericht niet uitdrukkelijk is ingegaan op het artikel van Collet, maakt dit niet anders. In zoverre faalt het betoog.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201107027/1/V6) dient de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, met bewijsstukken aan te tonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

4.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert, aangezien zij er niet alles aan heeft gedaan in het bezit te komen van de voor naturalisatie vereiste documenten. [appellante] heeft niet gesteld dat zij niet in het bezit kan worden gesteld van een notariële akte van geboorte met een door een notaris gewaarmerkte kopie van het brondocument. Hiervoor is van belang dat in het ambtsbericht is vermeld dat een persoon, als hij zijn correcte naam, geboortedatum en laatst bekende adres opgeeft, moet zijn terug te vinden in de hukou-registratie en dat de ervaring leert dat de Public Security Bureaus de registraties van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw nog in hun bezit hebben. Voorts is in het ambtsbericht vermeld dat een opgeheven hukou weer kan worden geactiveerd. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet daadwerkelijk pogingen heeft ondernomen om een hukou-registratie te verkrijgen dan wel haar oude hukou-registratie te activeren. Evenmin heeft zij gesteld dat zij heeft getracht een verklaring van het Public Security Bureau of een ziekenhuisverklaring te verkrijgen. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een paspoort. De enkele stelling dat zij recentelijk tevergeefs heeft getracht bij de Chinese ambassade een paspoort te verkrijgen, is hiervoor onvoldoende. Verder kan, zoals de staatssecretaris in het besluit van 21 juni 2013 terecht heeft vermeld, van [appellante] worden verlangd een - professionele - derde in te schakelen teneinde voornoemde documenten te verkrijgen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Voor zover [appellante] betoogt dat het moeilijk is om de voor naturalisatie benodigde documenten te verkrijgen, leidt dit niet tot een ander oordeel, reeds omdat van haar kan worden verlangd dat zij hiertoe daadwerkelijk pogingen onderneemt. Dat zij hiervoor, naar zij stelt, geen geld heeft, komt voor haar risico.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

164-800.