Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201401883/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:534, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401883/1/V2.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 februari 2014 in zaak nr. 13/22457 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 februari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

In het kader van de toepassing van de artikelen 8:29 en 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben de vreemdeling en de staatssecretaris desgevraagd toestemming verleend om mede op grondslag van de verzochte inlichtingen en stukken over het jaarverslag 2011 van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD onderscheidenlijk het AIVD-jaarverslag) uitspraak te doen.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2014, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Sewnath, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, en mr. A.L. de Mik, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Hetgeen de vreemdeling in de grieven 1, 2 en 3 aanvoert over de redenen waarom zij China heeft verlaten, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2. In het tweede deel van grief 3 en in grief 4 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als Oeigoer bij terugkeer naar China een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De vreemdeling voert onder meer aan dat zij risico zal lopen wegens haar door de staatssecretaris geloofwaardig geachte deelname aan een demonstratie van Oeigoeren voor de Chinese ambassade in Den Haag, omdat zij daardoor in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten staat of zal komen te staan. Zij verwijst in dit verband onder meer naar het algemeen ambtsbericht inzake China van december 2012 (hierna: het algemeen ambtsbericht) en het thematisch ambtsbericht Oeigoeren en Tibetanen in China 2013-2014 van maart 2014 (hierna: het thematisch ambtsbericht) van de minister van Buitenlandse Zaken, en het AIVD-jaarverslag.

2.1. In paragraaf 3.4.2 van het algemeen ambtsbericht, is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"Internationale mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch roepen op geen Oeigoeren naar China terug te sturen, die door de Chinese autoriteiten verdacht worden van betrokkenheid bij pro-onafhankelijkheidsgroepen of andere activiteiten die worden beschouwd als terrorisme, religieus extremisme of separatisme. De vrees bestaat dat teruggestuurde Oeigoeren eenmaal terug in China mishandeling, foltering en wellicht de doodstraf te wachten staat."

In paragraaf 2.5 van het thematisch ambtsbericht staat informatie van dezelfde strekking.

2.2. In paragraaf 2.3 van het thematisch ambtsbericht is, voor zover thans van belang, voorts het volgende vermeld:

"In 2013 was er vergeleken met de vorige verslagperiode sprake van toenemende onrust in Xinjiang, met de ernstigste gewelddadige incidenten sinds bij de onlusten van juli 2009 ongeveer 200 doden vielen. Tijdens de maanden durende onrust kwamen tot en met juli 2013 minstens 56 mensen om. Alleen al eind juni 2013 vielen bij verschillende gewelddadige incidenten in de steden Lukqun en Hotan minstens 35 dodelijke slachtoffers. Door gebrek aan toegang is het niet mogelijk om een uitputtend overzicht van incidenten te geven. Ook is onbekend in welke mate personen in Xinjiang worden gemonitord of gedetineerd door de Chinese autoriteiten.

President Xi Jinping kondigde strengere veiligheidsmaatregelen af en er werden paramilitaire troepen naar Xinjiang gestuurd. Minstens tweehonderd Oeigoerse demonstranten werden gearresteerd. Tijdens het Derde Plenum van het Centraal Comité van de CCP in november 2013 werd de oprichting aangekondigd van een Nationale Veiligheidscommissie, die zich ook moet richten op de bestrijding van de three evils (terrorisme, separatisme en religieus extremisme).

(…)

Sinds de aanslag van eind juni 2013 in Lukqun bereidden de Chinese autoriteiten zich voor op mogelijke nieuwe gewelddadige aanslagen. Er was sprake van groot machtsvertoon van de People’s Armed Police (PAP), klopjachten op vermeende separatisten, bedreigingen van mensen die kennis zouden kunnen hebben van mogelijke separatisten, hard optreden tegen mensen die "leugens" verspreidden en politiecontroles op messen, andere wapens en "separatistische propaganda".

(…)

Vrijwel maandelijks vinden er gewelddadige incidenten in Xinjiang plaats. Zo kwamen in november 2013 elf en in december 2013 zestien mensen om bij botsingen met de politie."

2.3. In het AIVD-jaarverslag is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"De Chinese autoriteiten zijn ook geïnteresseerd in de Chinese minderheden in Nederland en houden deze nauwlettend in de gaten. Vooral Oeigoeren worden streng gecontroleerd en zelfs onder druk gezet om informatie over (contact)personen van de Oeigoerse gemeenschap te verzamelen. China probeert te infiltreren in Oeigoerse verenigingen in Nederland en is op detailniveau op de hoogte van het wel en wee binnen de organisaties. Het doel is grip en controle te krijgen en te houden op deze gemeenschap en te voorkomen dat de Oeigoerse gemeenschap zich effectief organiseert."

2.4. De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat hij, gelet op de algemene situatie voor Oeigoeren in China zoals die blijkt uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en informatie van bijvoorbeeld Amnesty International, asielaanvragen van Oeigoeren zeer zorgvuldig beoordeelt en daarbij rekening houdt met de informatie uit het AIVD-jaarverslag. Indien een Oeigoerse asielzoeker aannemelijk maakt dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van zijn oppositionele activiteiten, ligt verlening van een verblijfsvergunning asiel veelal in de rede. Het enkele indienen van een asielaanvraag, of het enkele deelnemen aan, of aanwezig zijn bij, een demonstratie die de Chinese autoriteiten beschouwen als tegen de Chinese staat gericht, acht hij echter onvoldoende. Dit omdat niet zonder meer aannemelijk is dat de Chinese autoriteiten daarvan op de hoogte zijn. Verder heeft de staatssecretaris desgevraagd toegelicht dat de informatie in het algemeen en thematisch ambtsbericht over de toenemende onrust in Xinjiang en over de getroffen strengere veiligheidsmaatregelen in die regio, hem geen aanleiding heeft gegeven zijn beleid verder te versoepelen, nu die informatie geen betrekking heeft op activiteiten van Oeigoeren in Nederland. Onder verwijzing naar het thematisch ambtsbericht heeft de staatssecretaris er voorts op gewezen dat zijn beleid niet afwijkt van dat in omringende landen.

2.5. Gelet op het AIVD-jaarverslag heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat de Chinese autoriteiten in vergaande mate geïnteresseerd zijn in en kennis hebben van activiteiten van Oeigoeren in Nederland. Daarnaast volgt uit paragraaf 3.4.2 van het algemeen ambtsbericht en paragraaf 2.3 van het thematisch ambtsbericht dat sinds 2012 de onrust in Xinjiang is toegenomen en dat de Chinese autoriteiten daarom strengere veiligheidsmaatregelen treffen, waarbij zij hun aandacht voor Oeigoeren verder hebben verscherpt. Met die informatie, bezien in het licht van het AIVD-jaarverslag, heeft de vreemdeling voorts aannemelijk gemaakt dat de Chinese autoriteiten ook belangstelling hebben voor en kennis hebben van Oeigoeren die, zoals zij, in Nederland hebben deelgenomen aan een demonstratie die de Chinese autoriteiten beschouwen als tegen de Chinese staat gericht en naar China terugkeren.

2.6. Desgevraagd kon de staatssecretaris ter zitting, omdat hij de etniciteit van asielzoekers niet registreert, geen precieze informatie geven over het aantal inwilligende besluiten - in Nederland of in omringende landen - op asielaanvragen van Oeigoeren, en over de verschillen tussen die inwilligingen en de onderhavige afwijzing. Voorts deelde de staatssecretaris desgevraagd mee niet over informatie te beschikken over de behandeling door de Chinese autoriteiten van uit Nederland of omringende landen teruggekeerde Oeigoeren. Onder deze omstandigheden en in het licht van het onder 2.5. overwogene, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt of zullen raken van haar deelname aan de demonstratie en dat de staatssecretaris daarom evenmin deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar China een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2013 in zaak nr. 201109034/1/V2).

Het tweede deel van grief 3 en grief 4 slagen reeds hierom.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2013 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 februari 2014 in zaak nr. 13/22457;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 augustus 2013, V-nummer 278.705.7350;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

284/572-781.