Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
201402381/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:1249, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning voor het vergroten in hoogte en lengte van een garage/berging met carport op het perceel [locatie] te Blauwestad.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/741
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402381/1/A1.

Datum uitspraak: 31 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Blauwestad, gemeente Oldambt,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2014 in zaak nr. 13/903 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning voor het vergroten in hoogte en lengte van een garage/berging met carport op het perceel [locatie] te Blauwestad.

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door H. van Houten en M.L. Beute, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant] zijn hogerberoepsgrond met betrekking tot het bestemmingsplan "Blauwestad 2012" ingetrokken.

2. De bij besluit van 18 februari 2013 verleende omgevingsvergunning voorziet in de bouw van een carport met een lengte van vijf meter. De carport is voorzien in het verlengde van de op de erfgrens geplaatste garage waarbij de overkapping van de carport één geheel vormt met het garagedak. Aan de voorzijde rust de overkapping op twee palen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de carport in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat in het welstandsadvies van Libau Welstands- en Monumentenzorg Groningen (hierna: de welstandscommissie) van 13 februari 2013 is opgenomen dat het bouwplan onder meer is getoetst aan het Beeldkwaliteitsplan Het Riet van 20 november 2006 (hierna: het Beeldkwaliteitsplan) en zonder wijziging akkoord is bevonden. Volgens [appellant] dient de grens tussen de openbare ruimte en de woning en de carport volgens het Beeldkwaliteitsplan echter minimaal 10 meter te bedragen en is de carport op kortere afstand van de openbare ruimte gerealiseerd. Bovendien is de carport in strijd met het Beeldkwaliteitsplan voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw gebouwd, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2014 in zaak nr. 201302554/1/A1; www.raadvanstate.nl) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

3.1. In het Beeldkwaliteitsplan, dat onderdeel uitmaakt van het gemeentelijke welstandsbeleid, is op pagina 21 opgenomen: "In de vorige paragraaf is de positie van de woning op de kavel behandeld. In de verkooptekening wordt dit op de kavel door middel van een ‘bouwvlak kavel’ vastgelegd. Dit bouwvlak betekent in de eerste plaats dat de voortuin en een strook naast de woning niet bebouwd gaat worden (…) Binnen het ‘bouwvlak kavel’ krijgt men de vrijheid om zelf de plek van de woning en de bijgebouwen (garages, schuren en bergingen) te bepalen. (…) Afhankelijk van de positie van het bouwvlak op de kavel, is de minimale diepte van de voortuin 10, 15 of 20 meter." Op pagina 27 is opgenomen: "Bijgebouwen zijn boothuizen, garages etc. Al deze bijgebouwen dienen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw geplaatst te worden."

3.2. Daargelaten of de carport het bouwvlak en de voorgevellijn in geringe mate overschrijdt, de carport kan niet worden aangemerkt als een gebouw en derhalve evenmin als een bijgebouw in de zin van het Beeldkwaliteitsplan. De carport vormt geen voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte, omdat deze alleen aan de achterzijde een wand heeft. De bij de erfgrens geplante haag die volgens [appellant] mogelijk tot aan het dak van de carport zal groeien, kan niet als een wand worden aangemerkt. Nu de door [appellant] bedoelde criteria uit het Beeldkwaliteitsplan alleen betrekking hebben op bijgebouwen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de carport in strijd is met deze, hiervoor onder 3.1. vermelde, vereisten en het college daarom het welstandsadvies van 13 februari 2013 niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] in zijn hogerberoepschrift betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle eisen uit het Beeldkwaliteitsplan, wordt overwogen dat dit betoog niet nader is onderbouwd, zodat het reeds om die reden niet kan leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014

270-724.