Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201405669/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Beeldentuin - Nieuw en Sint Joosland" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/656

Uitspraak

201405669/1/R2.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Nieuw- en Sint Joosland, gemeente Middelburg,

en

de raad van de gemeente Middelburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Beeldentuin - Nieuw en Sint Joosland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden], initiatiefnemers van de beoogde beeldentuin, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2014, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door D. de Kuijper-Huibregste, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Schop als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om een beeldentuin te realiseren op gronden aan de zuidzijde van percelen aan de Molenweg 25 tot en met 33.

3. [appellant] en anderen betogen dat het plan tot aantasting van hun woon- en leefklimaat leidt. In dat verband voeren zij onder meer aan dat de in het plan voorziene beeldentuin geluidsoverlast veroorzaakt en door de verkeersaantrekkende werking voor een toename van de verkeers- en parkeeroverlast zorgt.

3.1. In de verbeelding is weergegeven dat aan de bedoelde gronden de bestemming "Tuin" en de functieaanduiding "specifieke vorm van tuin - beeldentuin" is toegekend.

3.2. Het plan staat geen ander gebruik van de gronden toe dan als tuin bij de op aangrenzende gronden aanwezige hoofdgebouwen, waar eveneens tentoonstellingen van beeldende kunst kunnen worden georganiseerd met de bedoeling deze te laten bezichtigen. Voorts zijn gebouwen ter plaatse niet toegestaan en zijn evenementen, feesten en het ten gehore brengen van (live)muziek uitgesloten dan wel aan een omgevingsvergunning gebonden. Het standpunt van de raad dat op grond van deze omstandigheden en gelet op de grootte van het terrein waarop de beeldentuin is voorzien, de ruimtelijke uitstraling van de in het plan voorziene beeldentuin zelf beperkt is, komt de Afdeling niet onaannemelijk voor.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat de raad aan zijn standpunt dat het plan niet tot een toename van verkeers- en parkeeroverlast zal leiden geen onderzoek, bijvoorbeeld naar het verwachte bezoekersaantal, ten grondslag heeft gelegd. Voor zover de raad erop heeft gewezen dat de bestaande beeldentuin op de gronden grenzend aan het plangebied maximaal 20 bezoekers per dag heeft, is de Afdeling van oordeel dat daarmee niet inzichtelijk is gemaakt hoeveel bezoekers die al dan niet per auto komen in de nieuwe situatie kunnen worden verwacht. Daarmee is evenmin inzichtelijk of de in het plan voorziene ontwikkeling voor een toename van de parkeeroverlast zorgt, en of de raad in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid bij realisatie van de beeldentuin dan aan het belang van [appellant] en anderen. Nu niet in geschil is dat in de bestaande situatie al sprake is van verkeers- en parkeeroverlast door bezoekers van het theater aan de Molenweg 25, had het op de weg van de raad gelegen om voornoemd standpunt met concrete gegevens te onderbouwen. De Afdeling acht het plan in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

4. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Middelburg van 26 mei 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Beeldentuin - Nieuw en Sint Joosland";

III. draagt de raad van de gemeente Middelburg op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Middelberg aan [appellant] en anderen het door hun voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Helder w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

458-820.