Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201408292/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:7619, Overig
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college aan de stichting Stichting Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University (hierna: Meru) omgevingsvergunning verleend voor het slopen van het rijksmonument St. Ludwig op het perceel Station 24 te Vlodrop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408292/2/A1.

Datum uitspraak: 19 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de stichting Stichting Cuypersgenootschap, gevestigd te Linne, gemeente Maasgouw, de stichting Stichting Burgercomité St. Ludwig, gevestigd te Vlodrop, gemeente Roerdalen, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende de hoger beroepen van:

1. Stichting Cuypersgenootschap,

2. Stichting Burgercomité,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 september 2014 in zaken nrs. 13/481, 13/498 en 13/2143 in het geding tussen:

Stichting Cuypersgenootschap,

Stichting Burgercomité

en

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college aan de stichting Stichting Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University (hierna: Meru) omgevingsvergunning verleend voor het slopen van het rijksmonument St. Ludwig op het perceel Station 24 te Vlodrop.

Bij besluit van 11 september 2012 heeft het college de bij besluit van 21 oktober 2009 aan Meru opgelegde last onder dwangsom opgeschort tot het moment waarop de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit "slopen van een monument" onherroepelijk is geworden.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het college het daartegen door Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2014 heeft de rechtbank de door Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité tegen de besluiten van

15 januari 2013 en 4 juni 2013 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité hoger beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 oktober 2014, waar Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité, vertegenwoordigd door L. Dubbelaar, bijgestaan door [gemachtigde], het college, vertegenwoordigd door K.J. Rouffa en G.W. Timmermans, beiden werkzaam bij de gemeente, en Meru, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek hervat op een nadere zitting op 19 november 2014, waar Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité, vertegenwoordigd door L. Dubbelaar en A.J.H. op de Kamp, bijgestaan door [gemachtigde], het college, vertegenwoordigd door K.J. Rouffa en G.W. Timmermans, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door R. Pince van der Aa, en Meru, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Meru is sinds 1984 eigenaar van het uit 1904-1909 daterende complex Sankt Ludwig in Vlodrop. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft bij besluit van 9 oktober 1997 het complex aangewezen als rijksmonument. De omgevingsvergunning voorziet in de sloop van het rijksmonument St. Ludwig.

3. Het verzoek van Stichting Burgercomité en Stichting Cuypersgenootschap strekt er toe dat de besluiten van 15 januari 2013, 11 september 2012 en 4 juni 2013 worden geschorst tot de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.

4. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken, of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 2.15 bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 wordt bij de toepassing van deze wet rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Ingevolge het tot 1 oktober 2010 geldende artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge het tot 1 oktober 2010 geldende artikel 19, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders dan wel Onze minister aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.

5. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206461/1 overwogen dat een sloopvergunning op grond van artikel 11, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1998 kan worden verleend indien in het concrete geval de belangen van de aanvrager afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument, naar het oordeel van de vergunningverlener in redelijkheid dienen te prevaleren. Voorts heeft zij overwogen dat de vergunningverlener bij zijn besluitvorming voldoende inzicht dient te geven in de gemaakte belangenafweging en het besluit zorgvuldig dient voor te bereiden en de rechtbank een dergelijk besluit gelet op de discretionaire bevoegdheid van het tot verlening van vergunning bevoegd gezag terughoudend dient te toetsen. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel deze jurisprudentie onder vigeur van de Wabo niet langer van toepassing te achten.

5.1. Stichting Burgercomité betoogt dat de rechtbank de strekking van artikel 2.15 van de Wabo niet heeft onderkend en geen sprake is van een discretionaire bevoegdheid. Volgens Stichting Burgercomité heeft de rechtbank in dit kader ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206461/1 en 21 januari 2009 in zaak nr. 200802511/1) kan uit de wetsgeschiedenis noch uit de jurisprudentie worden afgeleid dat slechts een vergunning tot sloop van een monument kan worden verleend indien er een uitzonderlijke noodzaak tot sloop bestaat en sprake is van bijzondere omstandigheden, en kan een vergunning ingevolge artikel 11, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1988 worden verleend indien in het concrete geval de belangen van de aanvrager, afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument, naar het oordeel van de vergunningverlener in redelijkheid dienen te prevaleren.

5.3. Weliswaar is de redactie van artikel 2.15 van de Wabo ten opzichte van het tot 1 oktober 2010 geldende artikel 11, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1998 enigszins gewijzigd, maar naar voorlopig oordeel is daarmee, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 107, Kamerstukken II 2007/08, 30 844, nr.11, blz. 6-7, Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, pag. 20 en (Kamerstukken I 2007/08, 30 844, D, blz. 34), door de wetgever uitdrukkelijk niet beoogd een ander toetsingskader in de Wabo op te nemen voor omgevingsvergunningen voor rijksmonumenten dan het toetsingskader dat van toepassing was op aanvragen om monumentenvergunningen krachtens artikel 11, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de onder de Monumentenwet 1988 tot stand gekomen jurisprudentie van de Afdeling ter zake niet dient te worden voortgezet onder de Wabo. Dit betekent dat het college bij een beslissing omtrent een aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen van een rijksmonument beoordelingsvrijheid toekomt. Het college dient bij deze beslissing de belangen van de aanvrager af te wegen tegen het algemeen belang dat is gediend met het behoud van het rijksmonument. De rechtbank heeft het resultaat van deze belangenafweging terecht terughoudend getoetst en beoordeeld of het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot vergunningverlening heeft kunnen besluiten. Anders dan Stichting Burgercomité voorstaat volgt uit artikel 2.15 van de Wabo niet dat uitsluitend gewicht mag worden toegekend aan het belang van het behoud van het monument, dan wel dat dit belang steeds moet prevaleren boven het belang van de aanvrager bij sloop van het monument.

6. Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet tot vergunningverlening heeft kunnen overgaan, nu het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet. Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de belangen van Meru zwaarder kon laten wegen dan de belangen gediend met behoud van het rijksmonument St. Ludwig. Volgens hen rechtvaardigen de belangen van Meru de sloop niet en heeft het college onvoldoende gewicht toegekend aan de monumentale waarde van het rijksmonument. Zij voeren in dat kader aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hergebruik door Meru of herbestemming geen reële optie is. Volgens Stichting Cuypersgenootschap is dit standpunt gebaseerd op de onjuiste aanname dat de vedische principes van Meru in de weg staan aan het gebruik van het rijksmonument St. Ludwig door Meru en de onjuiste aanname dat mede op grond van het bestemmingsplan alleen een woonzorgfunctie tot de eventuele mogelijkheden voor herbestemming behoort. Zij wijst in dit kader op het bij de rechtbank overgelegde rapport "Toetsing van het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning voor sloop van het rijksmonument College St. Ludwig met onderzoek herbestemmingsscenario’s" van 15 april 2013, alsmede op het rapport van adviesbureau TAK architecten "A-1444 klooster St. Ludwig te Vlodrop" van 17 november 2014. Stichting Burgercomité betoogt verder dat de vedische principes van Meru geen reden zijn voor sloop van het rijksmonument St. Ludwig en ook de door Meru gestelde exploitatie- en onderhoudskosten niet van belang zijn, omdat nergens is vastgelegd dat Meru voor de volledige restauratie en exploitatie zou moeten opdraaien. Stichting Cuypersgenootschap betoogt voorts dat het college ten onrechte heeft meegewogen dat de onderhoudstoestand van St. Ludwig de laatste jaren verder is verslechterd zonder uitzicht op verbetering, nu de huidige staat van het monument aan Meru te wijten is, gelet op de illegale sloopactiviteiten aan de voorbouw van het rijksmonument en het bewust laten vervallen van het rijksmonument. Zij betoogt dat het college daartegen actief dient te handhaven. De sloop van het rijksmonument St. Ludwig is volgens haar in strijd met de doelstelling van het rijk om de op de lijst van beschermde monumenten opgenomen objecten of complexen te behouden, hetgeen volgens haar ook blijkt uit het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 20 april 2012. Voorts betogen Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité dat de rechtbank heeft miskend dat het college met vooringenomenheid heeft gehandeld.

6.1. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen grond voor het oordeel dat de monumentale waarde van het rijksmonument St. Ludwig niet zou zijn onderkend door het college. Het college heeft het negatieve advies over de sloopaanvraag van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van 20 april 2012 en het ongedateerde nadere advies van de Rijksdienst, die uitsluitend zien op het belang bij het behoud van het rijksmonument, en het negatieve advies van de monumentencommissie van de gemeente Roerdalen van 26 maart 2012 bij zijn besluitvorming betrokken. Het college heeft terecht de belangen die zijn gediend met het behoud van het rijksmonument afgewogen tegen de belangen die zijn gediend met sloop ervan. Het heeft daartoe de monumentale waarde van het rijksmonument St. Ludwig, zoals dit naar voren komt in de negatieve adviezen van de Rijksdienst en de monumentencommissie afgewogen tegen het belang van Meru, de mogelijkheden van herbestemming en de kosten van herbestemming of hergebruik.

6.2. Vanwege het ontbreken van de benodigde specialistische kennis heeft het college Adviesbureau Hylkema Consultants (hierna: Hylkema) ingeschakeld, welk bureau in opdracht van het college de aanvraag en de daarbij ingediende bijlagen heeft beoordeeld. Deze beoordeling is neergelegd in het rapport van Hylkema van 22 mei 2012 en het naar aanleiding van door Meru ingediende aanvullende bijlagen opgestelde rapport van 29 augustus 2012.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen belang in beginsel is gediend met behoud van het monument en zwaar weegt, maar dat behoud van het monument niet is verzekerd door van sloop af te zien. Daarvoor is nodig dat het gebouw wordt hersteld, gerestaureerd en gerenoveerd, dat er een geschikte bestemming voor wordt gevonden en dat het wordt geëxploiteerd op een wijze die past bij het monument en die aansluit bij de omgeving waar het ligt. Als herbestemming van het monument niet mogelijk is, is het risico reëel dat het monument in verval zal raken. Daarmee is het algemeen belang niet gediend.

Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat van Meru als eigenaar van het rijksmonument mag worden verwacht dat zij nagaat of haar programma van eisen kan worden ingepast in het monument, maar dat is gebleken dat zij niet bereid is en zij ook niet kan worden verplicht om aan het gebouw voor eigen rekening en risico een andere functie te geven. Het behoud van het monument door eigen gebruik door de eigenaar is volgens het college in beginsel dan ook een reële optie. Het college heeft aangegeven dat de Vedische principes die Meru aanhangt bij de vraag of St. Ludwig kan worden herbestemd geen rol spelen, maar wel kan worden geconcludeerd dat de eigenaar niet met het gebouw uit de voeten kan op basis van deze principes. Meru kan in verband met het monument haar masterplan niet (volledig) realiseren. Zij heeft echter de mogelijkheid om haar masterplan af te stemmen op de aanwezigheid van het monument niet of onvoldoende benut. Dit bezwaar moet daarom voor rekening van Meru blijven en kan geen argument zijn voor sloop van St. Ludwig, aldus het college.

Het college heeft zich verder op grond van de rapporten van Hylkema op het standpunt gesteld dat uit de onderzoeken die bij de aanvraag zijn ingediend, met name het rapport van adviesbureau Twynstra Gudde "Markttoets herbestemming St. Ludwig" van 6 juli 2011, blijkt dat een alternatieve bestemming, gelet op de omvang van het gebouw, de decentrale ligging en de ligging in het Nationaal Park De Meinweg moeilijk is te realiseren. De alternatieve bestemming met de grootste potentie, een woonzorgfunctie, is volgens het college blijkens het rapport van adviesbureau Arcadis van 9 augustus 2012 "Onderzoek herbestemming voormalig College St. Ludwig te Vlodrop tot woonzorgvoorziening" niet te realiseren, gelet op de grote investeringen die daarvoor nodig zijn, en minder gewenst gezien de ligging van de locatie. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het alternatief met de grootste potentie niet haalbaar blijkt, de perspectieven voor andere alternatieven niet gunstiger zijn en het daarom niet anders kan dan concluderen dat het gebouw redelijkerwijs niet voor een andere functie kan worden bestemd. Vanwege het ontbreken van een realiseerbare alternatieve bestemming is behoud van het monument met een alternatieve functie onmogelijk.

Het college heeft zich voorts op grond van de rapporten van Hylkema op het standpunt gesteld dat uit de door Meru bij de aanvraag overgelegde onderzoeken blijkt dat de hoofddraagconstructie van het gebouw zodanig is dat de constructieve veiligheid niet is gegarandeerd en voor enkele vleugels de hoofddraagconstructie opnieuw opgebouwd moet worden. Gelet op de bouwkundige toestand overigens en de mate van aantasting door schimmels en insecten kan alleen een integrale aanpak leiden tot een verantwoord hergebruik. Het college heeft onder meer gewezen op de kostenberekening in het rapport van Hylkema van mei 2012 waarin de kosten die nodig zijn om het rijksmonument St. Ludwig aan te passen aan het Bouwbesluit zijn gevalideerd op € 72.509.728,00 inclusief btw. Het college heeft er verder op gewezen dat realisering van het Meru-programma door nieuwbouw, blijkens onder meer de memo van Arcadis "Memo vergelijking Heijmans-ARCADIS" van 25 oktober 2012, € 64.024.500,00 kost en de totale door Hylkema gevalideerde investeringskosten bij hergebruik van het rijksmonument door Meru € 100.775.344,00 bedragen. Na restauratie is voor het onderhoud van het gebouw, blijkens de ongedateerde aanvulling op het rapport van adviesbureau PRC Kostenmanagement van 29 juni 2011, € 630.000,00 exclusief btw per jaar nodig.

Het college heeft zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt gesteld dat de kosten van herbestemming of hergebruik te hoog zijn om een alternatief gebruik door derden of hergebruik door Meru mogelijk te maken. Dit geheel overziend heeft het college besloten dat het belang van de eigenaar in redelijkheid dient te prevaleren boven de belangen gemoeid met behoud van het rijksmonument en dat de gevraagde vergunning kan worden verleend.

6.3. Naar het voorlopig oordeel biedt het door Stichting Burgercomité en Stichting Cuypersgenootschap aangevoerde onvoldoende grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot voorgaande conclusie heeft kunnen komen en tot vergunningverlening heeft kunnen overgaan.

Anders dan zij betogen, heeft het college in zijn belangenafweging geen gewicht toegekend aan de vedische principes van Meru en het gegeven dat het rijksmonument volgens Meru niet voldoet of kan voldoen aan die principes. Het college heeft dit bezwaar van Meru tegen het behoud van het rijksmonument blijkens het besluit van 15 januari 2013 voor rekening van Meru gelaten. Voor het oordeel dat het college, zoals Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité betogen, de onderhoudstoestand van het rijksmonument niet mee heeft mogen wegen, omdat dit het gevolg is van het handelen van Meru en het niet actief handhavend optreden door het college, bestaat evenmin grond. Het college heeft de feitelijke staat van het rijksmonument terecht als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de onderhavige sloopaanvraag. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité aangevoerde oorzaken van de huidige staat van het rijksmonument, wat daar verder van zij, geen betrekking hebben op de verleende sloopvergunning en in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Bovendien is bij de berekening van de kosten van herbestemming door Arcadis en de berekening van de kosten om het rijksmonument aan te passen aan het Bouwbesluit door Hylkema geen rekening gehouden met de herstelkosten van de aangebrachte schade ten gevolge van de illegale sloopactiviteiten aan de voorbouw. In de berekening van Hylkema van de kosten van hergebruik door Meru van het rijksmonument heeft verder een bijstelling plaatsgevonden in verband met aan Meru te wijten achterstallig onderhoud.

Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de door het college met betrekking tot de mogelijkheden van hergebruik of herbestemming van het rijksmonument aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegde rapporten niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen, dan wel anderszins gebreken vertonen en het college deze rapporten niet bij zijn besluitvorming en de belangenafweging mocht betrekken. Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité hebben de conclusie in deze rapporten dat herbestemming met behoud van het rijksmonument geen reële mogelijkheid is bestreden met het rapport "Toetsing van het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning voor sloop van het rijksmonument College St. Ludwig met onderzoek herbestemmingsscenario’s" van 15 april 2013 en het rapport van adviesbureau TAK architecten "A-1444 klooster St. Ludwig te Vlodrop" van 17 november 2014. Nu het rapport van 15 april 2013 anoniem is valt de deskundigheid van dat rapport niet te verifiëren en komt daaraan niet de betekenis toe die Stichting Burgercomité en Stichting Cuypersgenootschap daaraan gehecht wensen te zien. Bovendien worden in dit rapport zoals de rechtbank terecht heeft overwogen geen concrete, alternatieve, doorgerekende herbestemmingsmogelijkheden vermeld en wordt niet onderbouwd de stelling dat de door het college gehanteerde rapporten onjuistheden bevatten of onvolledig zijn. Het eerst in hoger beroep overgelegde rapport van TAK waarin is geconcludeerd dat er, na een eerste globale analyse, voldoende aanleiding is om te verwachten dat een serieuze herbestemming van het rijksmonument St. Ludwig mogelijk is, is eveneens onvoldoende concreet en geeft geen antwoord op de vraag of herbestemming qua kosten reëel is. Ook dit rapport is derhalve onvoldoende om te weerleggen de conclusie van het college gebaseerd op de gehanteerde rapporten dat herbestemming van het rijksmonument, gelet op de kosten daarvan, niet reëel is. Voorts wordt overwogen dat geen aanleiding bestaat om het onderzoek in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening voort te zetten en Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité in de gelegenheid te stellen een door hen in het vooruitzicht gesteld nader rapport van TAK te overleggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat zij vanaf het ontwerpbesluit in de gelegenheid zijn geweest een deskundig tegenrapport in te brengen en eerst hangende het hoger beroep het summiere rapport van TAK van 17 november 2014 hebben overgelegd. Stichting Cuypersgenootschap en Stichting Burgercomité worden niet gevolgd in de stelling dat zij niet eerder een uitgebreid deskundig tegenrapport hebben kunnen overleggen, omdat zij geen toegang tot het terrein hadden. Ter zitting is komen vast te staan dat zij in maart/april 2013 de gelegenheid hadden om het complex te bekijken en dat namens Stichting Cuypersgenootschap een delegatie ook ter plaatse is geweest, echter zonder een externe deskundige. Voorts is niet aannemelijk dat een deskundige op basis van de voorhanden stukken geen oordeel had kunnen geven over een mogelijke herbestemming.

Van vooringenomenheid bij de onderhavige besluitvorming is de voorzieningenrechter, mede gelet op het voorgaande, niet gebleken. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het college in strijd met artikel 2:4 van de Awb heeft gehandeld door Hylkema in te schakelen. Het college heeft toegelicht dat het Hylkema heeft ingeschakeld, omdat bij het college de expertise ontbrak om alle bij de aanvraag gevoegde rapporten op juistheid en volledigheid te beoordelen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college de advisering door Hylkema als niet objectief had moeten beschouwen.

7. Met betrekking tot het betoog van Stichting Cuypersgenootschap dat voor het bijenhuisje op het perceel een monumentenvergunning is vereist en het betoog van Stichting Burgercomité dat een aanlegvergunning is vereist voor het aanpassen van het maaiveld, overweegt de voorzieningenrechter dat de onderhavige aanvraag naar zijn voorlopig oordeel geen betrekking heeft op het bijenhuisje of een aanpassing van het maaiveld.

8. Stichting Burgercomité betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroepsgronden met betrekking tot de aanhakende toestemming op grond van de Natuurbeschermingswet 1988 (hierna: de Nbw 1998) en de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet kunnen leiden tot vernietiging van het besluit van 15 januari 2013.

8.1. Dit betoog roept een aantal - deels ambtshalve - te beantwoorden vragen op, die maken dat toepassing van artikel 8:86 van de Awb, zoals verzocht door Meru en het college, niet is aangewezen.

8.2. Vastgesteld wordt dat het college zich thans op het standpunt stelt dat de voor het project benodigde vergunning op grond van de Nbw 1998, alsmede de benodigde ontheffing op grond van de Ffw hadden moeten aanhaken bij de omgevingsvergunning. Dit is niet geschied. De benodigde tijdelijke vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, Nbw 1998 is op 14 augustus 2014 separaat verleend; op 10 juni 2014 is separaat de vereiste ontheffing op grond van artikel 75, derde lid, van de Ffw verstrekt. Vooralsnog wordt geoordeeld dat het college aldus heeft gehandeld in strijd met de artikelen 47a, eerste lid, van de Nbw 1988 en 75c, eerste lid, van de Ffw in samenhang met artikel 4:5, eerste lid van de Awb.

8.3. Uitgaande van aanhakende toestemmingen is de vraag aan de orde of de Stichting Burgercomité belanghebbende is als bedoeld in artikel 8:1 en 1:2 van de Awb bij die aanhakende toestemmingen, welke vraag door de rechtbank niet is beantwoord. Alleen als de stichting, gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden, als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de aanhakende toestemmingen kan worden toegekomen aan de vraag of de relativiteitseis van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke bespreking van haar betoog voor zover gericht tegen de aanhakende toestemmingen, dan wel - indien sprake zou zijn van schending van een rechtsregel - of die rechtsregel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van de Stichting Burgercomité. Vooralsnog wordt getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank op het punt van de toepassing van de relativiteitseis.

8.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet er rekening mee worden gehouden dat het hoger beroep op dit punt slaagt en dat de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking komt. Nu het besluit van 15 januari 2013 is voorbereid en genomen in strijd met artikel 4:5, eerste lid, van de Awb komt dit besluit naar verwachting voor vernietiging in aanmerking.

8.5. Vast is komen te staan staat dat de hiervoor genoemde besluiten van 10 juni 2014 en 14 augustus 2014 zijn gepubliceerd en aannemelijk is geworden dat de Stichting Burgercomité daarmee bekend was. Voorts staat vast dat tegen het besluit van 14 augustus 2014 geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Verder staat vast dat door Stichting Burgercomité geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen het besluit van 10 juni 2014. Tegen dat besluit is uitsluitend door Meru bezwaar gemaakt in verband met de daaraan verbonden voorschriften. Tegen het besluit van 24 oktober 2014 op het bezwaar van Meru staat voor Stichting Burgercomité geen beroep open, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 Awb. Gelet op deze omstandigheden zullen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit naar verwachting in stand kunnen blijven.

9. Met betrekking tot het betoog van Stichting Burgercomité dat de rechtbank heeft miskend dat het college met betrekking tot het besluit van 11 september 2012 tot opschorting van de last onder dwangsom in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb met vooringenomenheid heeft gehandeld, wordt overwogen dat de enkele stelling dat het college met voorbedachten rade heeft gehandeld onvoldoende is voor het oordeel dat artikel 2:4, eerste lid, van de Awb zou zijn geschonden. Naar voorlopig oordeel is het hoger beroep voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het opschortingsbesluit ongegrond.

10. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Kos

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014

580.