Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201404014/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Leiden Bio Science Park en station" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/588
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404014/1/R4.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats] onderscheidenlijk Leiden,

en

de raad van de gemeente Leiden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Leiden Bio Science Park en station" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door A.B.F. Nijssen en E.W. Zeelenberg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het gebied ruwweg begrensd door de snelweg A44, de Wassenaarseweg, de Albinusdreef, de Sandifortdreef, het Stationsplein en de Plesmanlaan, en heeft een conserverend karakter.

3. [appellant] is sinds 2008 erfpachter van het perceel [locatie] te Leiden, daarbij inbegrepen de op dat perceel gevestigde ambulancepost. De erfpachtsom is afgekocht tot 23 december 2061. Sinds de Regionale Ambulance Voorziening Hollands Midden (hierna: de RAV) de huuroverovereenkomst voor die ambulancepost per 31 december 2011 heeft opgezegd en is verhuisd naar een nieuwe locatie, staat de ambulancepost op het perceel [locatie] leeg. In het thans voorliggende bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van groen - ambulancegebouw" toegekend.

4. [appellant] stelt dat de aan het perceel toegekende bestemming "Groen" in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht, omdat die bestemming niet binnen de planperiode uitvoerbaar is. De raad heeft weliswaar aangegeven het perceel op termijn een groene invulling te willen geven, maar onduidelijk is op welke wijze de raad dat wenst te realiseren. Op dit moment bevindt zich op het perceel immers een ambulancegebouw, dat volgens het aan het perceel toegekende bebouwingspercentage van 80 nog uitgebreid zou kunnen worden en dat [appellant] zonder tegenprestatie in ieder geval niet voornemens is om af te breken, terwijl de raad niet bereid is gebleken over te gaan tot onteigening, minnelijke werving of grondruil.

Voorts kan volgens [appellant] de aan het perceel toegekende aanduiding "specifieke vorm van groen - ambulancevervoer" de toets aan de goede ruimtelijke ordening evenmin doorstaan, omdat ook die aanduiding niet binnen de planperiode uitvoerbaar is. Daartoe voert hij aan dat het perceel momenteel feitelijk niet in gebruik is als ambulancepost en dat de kans nihil is dat daar in de toekomst, althans binnen de planperiode, verandering in komt. Immers, de RAV is per 31 december 2011 gevestigd in een ander, groter pand aan de Vondellaan te Leiden, terwijl er ingevolge artikel 4, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Tijdelijke wet ambulancezorg per regio slechts één regionale ambulancevoorziening is voorzien en het andere partijen zodoende verboden is ambulancezorg te verlenen. Derhalve heeft de raad ten onrechte geen nieuwe ruimtelijke afweging gemaakt met betrekking tot een passende en uitvoerbare bestemming voor het perceel en is het bestreden besluit ook op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd, aldus [appellant].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel, mede onder de invloed van tijdsdruk die het gevolg is van de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen, conserverend is bestemd. Omdat het gebruik van de in het vorige bestemmingsplan toegekende bestemming "Post voor ambulancevervoer e.d." volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 niet langer is toegestaan, is aan het perceel de bestemming "Groen" toegekend, hetgeen aansluit bij de toekomstvisie van de raad op dit perceel. Gelet op de aanduiding "specifieke vorm van groen - ambulancegebouw" blijven de gebruiksmogelijkheden van het pand evenwel dezelfde als onder het vorige plan het geval was. Reeds hierom zijn de toegekende bestemming en aanduiding niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening, aldus de raad.

4.2. Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van tien jaar telkens opnieuw vastgesteld. Uit deze bepaling volgt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat, onverminderd de verlengingsmogelijkheid voor de raad die is neergelegd in artikel 3.1, derde lid, van de Wro. Het is in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode van 10 jaar zullen worden verwezenlijkt.

4.3. Aan het perceel is de bestemming "Groen" toegekend. Niet in geschil is dat die bestemming - ook voor de tot het perceel behorende gronden waarop thans niet het ambulancegebouw is gevestigd - niet overeenkomt met de bestaande situatie. Door de raad is evenwel niet gemotiveerd hoe hij voornemens is om die bestemming niettemin te verwezenlijken. Dit klemt temeer nu [appellant] zonder tegenprestatie niet voornemens is daaraan zijn medewerking te verlenen, terwijl de raad niet bereid is gebleken over te gaan tot onteigening, minnelijke werving of grondruil. Dat, zoals de raad ter zitting heeft gesteld, niet geheel valt uit te sluiten dat die bereidheid binnen de planperiode alsnog zal ontstaan, maakt dat niet anders. Zoals de raad eveneens ter zitting naar voren heeft gebracht, is voormelde mogelijkheid om over te gaan tot onteigening, minnelijke werving of grondruil in de besluitvorming onder ogen gezien, maar is daar vervolgens bewust van afgezien. In het licht daarvan is de Afdeling van oordeel dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen zicht bestond op het verwezenlijken van de aan het perceel toegekende bestemming, zodat het plan in zoverre niet binnen de planperiode uitvoerbaar is.

In zoverre slaagt het betoog.

4.4. Daarnaast is aan het perceel de aanduiding "specifieke vorm van groen - ambulancegebouw" toegekend, waarvoor is aangesloten bij de in het voorheen geldende plan aan het perceel toegekende bestemming. In zoverre is derhalve conserverend bestemd. Zoals de raad ook erkent, zijn de omstandigheden inmiddels evenwel ingrijpend veranderd. Niet in geschil is immers dat het perceel niet langer in gebruik is als ambulancepost en dat geen reëel zicht bestaat op hervatting van dat gebruik. Reeds hierom is de Afdeling van oordeel dat geen zicht bestaat op het verwezenlijken van de aan het perceel toegekende aanduiding en dat het plan derhalve ook in zoverre niet binnen de planperiode uitvoerbaar is.

Voor zover de raad ter zitting nog heeft gewezen op de rol die tijdsdruk heeft gespeeld bij de beslissing om conserverend te bestemmen en heeft benadrukt graag met [appellant] in overleg te blijven over het gebruik van het perceel, maakt dat het voorgaande niet anders, nu daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het uitvoerbaarheidsvereiste. Daaraan voegt de Afdeling toe dat voormeld overleg kennelijk niet strekt tot verwezenlijking van de toegekende aanduiding, maar tot de mogelijkheid die aanduiding te wijzigen, dan wel, via het verlenen van een omgevingsvergunning, een gebruik van het perceel toe te staan dat afwijkt van die aanduiding.

Ook in zoverre slaagt het betoog.

5. Het beroep is gegrond. Het bestemmingsplan dient te worden vernietigd, voor zover daarin aan het perceel [locatie] te Leiden de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van groen - ambulancegebouw" is toegekend.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Leiden van 23 januari 2014 waarbij het bestemmingsplan "Leiden Bio Science Park en station" is vastgesteld voor zover daarin aan het perceel [locatie] te Leiden de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van groen - ambulancegebouw" is toegekend;

III. draagt de raad van de gemeente Leiden op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Leiden tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

V. gelast dat de raad van de gemeente Leiden aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Michiels w.g. Wijker-Dekker

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

562.