Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201403844/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Van Schaiklaan ongenummerd te Soerendonk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403844/1/R3.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Soerendonk, gemeente Cranendonck,

en

het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Van Schaiklaan ongenummerd te Soerendonk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Hoorne, en het college, vertegenwoordigd door V. Herzberg en J. Kantelberg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan vindt zijn grondslag in het geldende bestemmingsplan "Kom Soerendonk" (hierna: het bestemmingsplan) uit 2007. In het bestemmingsplan heeft de locatie ten westen van het perceel Van Schaiklaan 2 de bestemming "Woondoeleinden 1" en de gebiedsaanduiding "Wijzigingsbevoegdheid 3". De locatie is niet voorzien van een bouwvlak. Ter plaatse mogen bijgebouwen buiten een bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge artikel 19, aanhef en onder c, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van de toevoeging van een bouwvlak voor de bouw van woningen, voor zover gelegen binnen het op de plankaart aangegeven gebied met de aanduiding "Wijzigingsbevoegdheid 3", met dien verstande dat daarbij moet worden voldaan aan de overige binnen deze bestemming geldende voorschriften en mits:

1. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen;

2. dit inpasbaar is vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt;

3. het inpasbaar is in het gemeentelijke woningbouwprogramma;

4. er niet meer dan één woning wordt gebouwd;

5. de goothoogte van de woning niet meer dan 7 m bedraagt;

6. de (nok)hoogte van de woning niet meer dan 10 m bedraagt.

Bij het bestemmingsplan is als bijlage 2 opgenomen een lijst met nieuwbouwmogelijkheden. Deze lijst vermeldt dat op de locatie ten westen van het perceel Van Schaiklaan 2 de nieuwbouw van één woning mogelijk is.

2. Het wijzigingsplan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning op de locatie Van Schaiklaan ongenummerd ten westen van het perceel Van Schaiklaan 2. Het wijzigingsplan kent aan de locatie Van Schaiklaan ongenummerd de bestemming "Wonen" en de aanduiding "Bouwvlak" toe. Binnen het bouwvlak mag een woning worden opgericht met een maximale goothoogte van 5,50 m en een maximale bouwhoogte van 9 m.

3. [appellant], die woont op het perceel [locatie] dat gedeeltelijk grenst aan de achterzijde van het plangebied, betoogt dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de wijzigingsvoorwaarden, als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder c, sub 1 en 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Hiertoe stelt hij dat het voorziene bouwvlak uit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt niet inpasbaar is. Het perceel is veel te smal voor de bouw van een woning, aldus [appellant]. [appellant] stelt dat alleen is gekeken naar de inpassing in het straatbeeld en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn belangen.

Daarnaast is er volgens [appellant] ter plaatse van de bouwlocatie sprake van milieuhygiënische belemmeringen voor de bouw van de woning.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden, als opgenomen in artikel 19, aanhef en onder c, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Het college stelt onder verwijzing naar de plantoelichting dat de voorziene bebouwing stedenbouwkundig en ruimtelijk inpasbaar in de omgeving is en dat de bouwlocatie en het bouwvlak hiervoor niet te klein zijn. Voorts zijn de belangen van omwonenden in aanmerking genomen.

Het college stelt zich onder verwijzing naar de plantoelichting op het standpunt dat zich op de bouwlocatie geen milieuhygiënische belemmeringen voordoen voor de bouw van de woning en wijst daarbij op het rapport van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van 21 juni 2012, dat als bijlage 1 bij het wijzigingsplan is opgenomen.

3.2. Het plangebied beslaat ongeveer 295 m² en heeft een frontbreedte van 16 m. De naastgelegen percelen hebben een frontbreedte van ongeveer 18 m. Het wijzigingsplan voorziet in een bouwvlak van 100 m² voor de bouw van een woning met een frontbreedte van maximaal 10 m, waarbij een afstand van 3 m van de woning tot de zijdelingse perceelsgrenzen in acht wordt genomen alsmede een afstand van 5 m vanaf de perceelsgrens aan de voorzijde. De voorziene woning sluit aan bij de bestaande, aangrenzende woonwijk. Het plangebied ligt in een gemengde omgeving in de kom van de kern Soerendonk. In de directe omgeving van het plangebied liggen, behalve de woonwijk, ook het gemeenschapshuis van Soerendonk, detailhandel in de vorm van een parketbedrijf, opslagloodsen en een school. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwlocatie en het bouwvlak niet te klein zijn en dat de voorziene bebouwing stedenbouwkundig en ruimtelijk inpasbaar is in de omgeving.

Over het overigens niet nader onderbouwde betoog dat er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bouw van de woning overweegt de Afdeling dat bij de voorbereiding van het wijzigingsplan een bodemonderzoek is uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn opgenomen in eerdergenoemd rapport. Uit het rapport volgt dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorziene ontwikkeling. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige gebreken vertoont, dat het college zich niet op de conclusie van dit rapport heeft mogen baseren.

Gelet hierop voldoet het plan aan de wijzigingsvoorwaarden, als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder c, sub 1 en 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. [appellant] kan zich niet verenigen met de in het wijzigingsplan voorziene bouwmogelijkheden. Hij betoogt allereerst dat het wijzigingsplan ten onrechte voorziet in de bouw van een woning met een maximale bouwhoogte van 9 m. [appellant] stelt dat in verband met deze bouwhoogte en de bijbehorende forse schaduwwerking het woon- en leefklimaat op zijn perceel onaanvaardbaar zal worden aangetast.

Voorts vreest [appellant] dat het woon- en leefklimaat op zijn perceel onaanvaardbaar zal worden aangetast vanwege verminderde privacy als gevolg van zicht vanuit de voorziene woning alsook vanwege de te ruime bouwmogelijkheden voor bijgebouwen.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat eventuele schaduwwerking op het perceel van [appellant] als gevolg van de voorziene bebouwing minimaal is. In dit verband heeft het college een bezonningsstudie laten uitvoeren.

Over de door [appellant] gestelde aantasting van privacy stelt het college dat de voorziene ontwikkeling past in de bestaande structuur van de omgeving, te weten een woongebied met een relatief hoge bebouwingsdichtheid. Het college wijst er voorts op dat in het bestemmingsplan aan het voorziene bouwvlak reeds een woonbestemming was toegekend, zodat de bouwlocatie ook in de voorheen geldende planologische situatie als tuin kon worden gebruikt. Nu ook in de voorheen geldende planologische situatie zicht op het perceel van [appellant] mogelijk was, stelt het college zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet leidt tot een onevenredige toename van aantasting van de privacy van [appellant].

Het college stelt zich, onder verwijzing naar de in het bestemmingsplan op de bouwlocatie toegestane bouwmogelijkheden, op het standpunt dat het wijzigingsplan slechts voorziet in een marginale toename van bouwmogelijkheden voor bijgebouwen. Het college wijst erop dat deze slechts ziet op de bouwhoogte voor bijgebouwen en dat een maximale bouwhoogte van 5 m voor bijgebouwen niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het perceel van [appellant].

4.2. Het perceel van [appellant] is ongeveer 65 m diep. Het laatste deel van de achtertuin van [appellant] grenst zijdelings aan de voorziene bouwlocatie Van Schaiklaan ongenummerd. Het wijzigingsplan voorziet voor deze locatie in een bouwvlak van 10 m bij 10 m, waarvan maximaal 70% mag worden bebouwd. Binnen het bouwvlak mag een woning worden opgericht met een maximale goothoogte van 5,50 m en een maximale bouwhoogte van 9 m. Buiten het bouwvlak mogen bijgebouwen worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 5 m.

In de voorheen geldende planologische situatie mochten op de bouwlocatie, die niet was voorzien van een bouwvlak, bijgebouwen worden opgericht.

De in opdracht van het college uitgevoerde bezonningsstudie geeft inzicht in de schaduwwerking van de voorziene bebouwing op het perceel van [appellant]. Hierbij zijn bezonningsdiagrammen opgesteld voor verschillende tijdstippen op 21 juni en 21 december, wanneer de hoogste respectievelijk de laagste zonnebaan aan de hemel staat. Bij de berekeningen voor de schaduwwerking is uitgegaan van enerzijds de voorheen geldende planologische situatie, waarbij rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan "Kom Soerendonk", en anderzijds de nieuwe situatie, die het wijzigingsplan mogelijk maakt. Uit de bezonningsdiagrammen volgt dat in de nieuwe situatie de schaduwwerking op het perceel van [appellant] in zeer beperkte mate zal toenemen.

4.3. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Bij de bezonningsstudie is de schaduwwerking van de voorziene bebouwing op het perceel van [appellant] bezien bij de hoogste en de laagste zonnebaan aan de hemel. Daarmee is de worst-case scenario wat betreft schaduwwerking voor het perceel van [appellant] in aanmerking genomen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de effecten van de schaduwwerking in het voor- en najaar ten onrechte niet zijn onderzocht. Anders dan ter zitting door [appellant] is gesteld, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bezonningsstudie ontoereikend is. Hierbij is mede van belang dat bij de bezonningsstudie de schaduwwerking van de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan en van het thans voorliggende wijzigingsplan met elkaar zijn vergeleken. Uit de bezonningsstudie volgt weliswaar dat [appellant] op zijn perceel een lichte toename van schaduwhinder zal ondervinden van de in het wijzigingsplan voorziene ontwikkeling, maar gelet op de omstandigheid dat op het perceel van [appellant] reeds schaduwwerking plaatsvindt als gevolg van bestaande bebouwing, alsmede in aanmerking genomen dat het een stedelijke omgeving betreft, acht de Afdeling de lichte toename van schaduwwerking niet zodanig dat het college niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij het op de bouwlocatie voorzien in een woning, dan aan het belang van [appellant] bij het behoud van de voorheen geldende planologische situatie.

Het is aannemelijk dat het realiseren van de voorziene bebouwing enige invloed zal hebben op het woon- en leefklimaat van [appellant] vanwege verminderde privacy en vanwege de verruiming van de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen. [appellant] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van een zodanig onevenredige aantasting, dat het college het wijzigingsplan niet had mogen vaststellen. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de afstand tussen de voorziene bebouwing en de woning van [appellant] ongeveer 20 m is. Voorts is van belang dat het ook in de voorheen geldende planologische situatie was toegestaan op de bouwlocatie bijgebouwen op te richten.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het college bij de vaststelling van het wijzigingsplan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het toestaan van de uitoefening van een aan huis verbonden beroep voor de parkeerdruk, de verkeersintensiteit en de geluidbelasting als gevolg daarvan. Hij vreest voor een onaanvaardbare toename van parkeerdruk en verkeersbewegingen. Hiervoor is in het plan ten onrechte geen regeling opgenomen, aldus [appellant].

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een aan huis verbonden beroep een ondergeschikte functie aan het wonen moet zijn en dat in het plan hieraan wordt voldaan. In het plan zijn ruimtelijke randvoorwaarden opgenomen om te waarborgen dat de uitoefening van een aan huis verbonden beroep verenigbaar is met de woonfunctie. Het college stelt dat daarin is geregeld dat het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte mag veroorzaken.

5.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.6, van de planregels van het wijzigingsplan wordt onder een aan huis verbonden beroep verstaan de uitoefening van een beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. aan huis verbonden beroepen;

c. parkeervoorzieningen;

d. tuinen, erven en verharding;

e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4.2, is binnen de bestemming "Wonen" de uitoefening van een aan huis verbonden beroep toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m2;

b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;

c. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep;

d. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving;

e. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

5.3. Volgens de plantoelichting is voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen uitgegaan van de parkeerkencijfers van het kennisplatform CROW. Volgens deze parkeerkencijfers is de parkeernorm voor een vrijstaande woning in een weinig stedelijk gebied in het restgebied van de bebouwde kom minimaal 1,9 en maximaal 2,7 parkeerplaatsen. Bij de voorbereiding van het plan is voor de voorziene woning rekening gehouden met de realisering van twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Gelet op artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels laat de bestemming "Wonen" parkeervoorzieningen binnen deze bestemming toe. Uit de verbeelding volgt dat op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig is voor minimaal twee parkeerplaatsen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene ontwikkeling niet tot een onaanvaardbare toename van parkeerdruk zal leiden.

Over de verkeersintensiteit overweegt de Afdeling dat niet te verwachten is dat door het wijzigingsplan een onaanvaardbare toename van verkeer zal optreden in de directe nabijheid van de woning van [appellant]. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het wijzigingsplan voorziet in de bouw van slechts één woning en dat als ondergeschikte activiteit de uitoefening van een aan huis verbonden beroep is toegestaan op een vloeroppervlakte van beperkte omvang. Voorts is van belang dat de woning van [appellant] niet aan de Van Schaiklaan ligt en dat de voorziene bouwlocatie via verscheidene ontsluitingsroutes bereikbaar is.

De plantoelichting vermeldt dat de Van Schaiklaan deel uitmaakt van een gebied waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 februari 2013 in zaak nr. 201203237/1/R4 hoeft het geluid van het verkeer op wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt op grond van artikel 74, tweede lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) niet mee te worden geteld bij de berekening van de geluidbelasting. De omstandigheid dat op grond van de Wgh akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai op de Van Schaiklaan niet verplicht is, laat echter onverlet dat moet worden beoordeeld of het plan in zoverre uit het oogpunt van geluidbelasting in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de niet onaanvaardbare toename van verkeer als gevolg van het wijzigingsplan, is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk geworden dat het aantal verkeersbewegingen zodanig zal zijn, dat dit leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant].

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft het college in redelijkheid geen aanwijzing hoeven zien om in het wijzigingsplan een aanvullende regeling op te nemen vanwege een onaanvaardbare toename van parkeerdruk en verkeersbewegingen.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Helder w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

408.