Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201403858/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:1431, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de korpschef van de nationale politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de daarbij behorende munitie (hierna: het verlof) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403858/1/A3.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2014 in zaak nr. 13/4912 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de korpschef van de nationale politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de daarbij behorende munitie (hierna: het verlof) ingetrokken.

Bij besluit van 2 september 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 februari 2013 vernietigd en in de plaats daarvan opnieuw het verlof ingetrokken.

Bij uitspraak van 28 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.Th.M. Zusterzeel, advocaat, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) zijn de bepalingen betreffende munitie mede van toepassing op onderdelen van die munitie, voorzover geschikt om munitie van te maken.

Ingevolge artikel 6 kunnen verloven onder beperkingen worden verleend en kunnen er voorschriften aan worden verbonden.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, kunnen de in deze wet genoemde verloven door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door de minister voor Veiligheid en Justitie worden ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, kan een verlof worden ingetrokken bij het niet in achtnemen van een daaraan verbonden beperking of voorschrift.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II of III voorhanden te hebben.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het eerste lid niet van toepassing op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, voor zover dit verlof reikt.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.

1.1. Volgens onderdeel A, paragraaf 1.2.4 'Onderdelen van munitie', van de Circulaire Wapens en Munitie 2013 (hierna: de Circulaire) worden onder meer de volgende onderdelen van munitie geschikt geacht om munitie voor geweren, pistolen en revolvers te maken: kogels, hulzen en slaghoedjes voor gebruik in hulzen.

Volgens onderdeel B, paragraaf 1.1, zijn 'vrees voor misbruik' en 'het niet langer kunnen toevertrouwen' twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen in de Circulaire is vermeld met betrekking tot de invulling van het criterium 'vrees voor misbruik', kan daarom analoog worden toegepast, indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet of niet langer kan worden toevertrouwd.

Volgens dit onderdeel, paragraaf 1.2, vormen wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarom wordt een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium 'geen vrees voor misbruik' betreft. Degene aan wie een vergunning is verleend voor het voorhanden hebben van wapens of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemeen wettelijk verbod om wapens of munitie voorhanden te hebben, geldt. Die positie brengt met zich dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Volgens deze paragraaf, ad b, kan de vrees voor misbruik onder meer worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid. Voorts kan een door de huisgenoot van de aanvrager (de houder) van een vergunning begaan strafbaar feit of anderszins verwijtbaar gedrag, afhankelijk van onder meer de ernst van die feiten en de datum waarop zij zijn gepleegd, vrees voor misbruik van de vergunning, dan wel van wapens of munitie opleveren.

Volgens dit onderdeel, paragraaf 2.4.8, moet aan het verlof het voorschrift worden verbonden dat het wapen en de munitie worden bewaard in afzonderlijke deugdelijk afgesloten en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. Voorts moet aan het verlof het voorschrift worden verbonden dat de houder van het verlof zich strikt houdt aan de bepalingen, gesteld bij of krachtens de Wwm, alsmede aan de in het verlof vermelde voorschriften en beperkingen.

Volgens dit onderdeel, paragraaf 8, dient de persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, indien de wapens en de bijbehorende munitie thuis voorhanden worden gehouden, ervoor te zorgen dat deze worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.

Volgens dat onderdeel, paragraaf 9.1, dient, bij lichtere onregelmatigheden, zoals kleine onjuistheden of slordigheden, een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene te worden gegeven, waarin hem wordt medegedeeld, welke onjuistheden of slordigheden zijn geconstateerd en hij wordt gemaand om die in de toekomst te voorkomen.

2. Het verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van de categorie III vermeldt onder de daaraan verbonden voorschriften onder meer dat de houder ervan zich strikt aan de bepalingen, gesteld in de Wwm, Regeling wapens en munitie en de Circulaire houdt en dat de voorschriften en beperkingen, gesteld in de Circulaire, op het verlof van toepassing zijn.

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van aangifte van de politie-eenheid Limburg van 18 februari 2013 vermeldt dat een bij [appellant] inwonende zoon van diens broer (hierna: de neef) op diezelfde dag [appellant], die net thuis was gekomen van het uitlaten van de hond, met een zwaard op het hoofd heeft geslagen en hem daarbij dusdanig heeft verwond, dat hij direct naar het ziekenhuis moest worden overgebracht. Volgens de eveneens bij [appellant] inwonende aangever was de neef duidelijk onder invloed van drugs en gedroeg hij zich, zoals vaker gebeurt, agressief, omdat hij geen geld van haar kreeg. Volgens de aangever was het zwaard, dat naast de wapenkluis van [appellant] stond, eigendom van de neef.

Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de politie-eenheid Limburg van 15 maart 2013 vermeldt dat de verbalisant op 19 februari 2013 met toestemming van [appellant], die toentertijd in het ziekenhuis verbleef, en met hulp van een broer van [appellant] de wapens en munitie uit de woning van [appellant] heeft gehaald. Verder vermeldt dit proces-verbaal dat de verbalisant in deze woning een kluis heeft aangetroffen die aan de bovenzijde van een afsluitbaar vak was voorzien waarin munitie lag, maar dat in het beneden compartiment van deze kluis drie geweren, drie pistolen en ongeveer 2.000 stuks munitie van het kaliber .22 LR bij elkaar lagen. Voorts vermeldt dit proces-verbaal dat de verbalisant met toestemming van de broer van [appellant] de zolder van deze woning, die voor het herladen van munitie was ingericht, heeft betreden, dat deze zolder op geen enkele wijze was afgesloten, dat evenmin voorzieningen daarvoor aanwezig waren en dat op deze zolder vele honderden hulzen van het kaliber .308 Win. en 6mm BR Rem. lagen met afgeschoten slaghoedjes, met nieuwe slaghoedjes en zonder slaghoedjes. Tevens lagen daar vele honderden kogelpunten en vele honderden nieuwe slaghoedjes.

4. Aan het besluit van 2 september 2013 heeft de staatssecretaris de inhoud van voormeld proces-verbaal van 18 februari 2013 ten grondslag gelegd. Tevens heeft hij daarin gewezen op de mogelijkheid dat de neef zich in de toekomst weer gewelddadig zal gedragen en daarbij een wapen van [appellant] kan bemachtigen. De staatssecretaris heeft hierbij in aanmerking genomen dat de neef, in weerwil van diens verblijf in voorlopige hechtenis, blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: de basisregistratie personen), ten tijde van dit besluit, nog immer op hetzelfde adres als [appellant] stond ingeschreven en dat [appellant], blijkens een op 31 mei 2013 in De Limburger gepubliceerd artikel, de neef heeft medegedeeld dat deze weer bij hem kan komen wonen. Verder heeft de staatssecretaris de inhoud van voormeld proces-verbaal van 15 maart 2013 aan dit besluit ten grondslag gelegd en zich op het standpunt gesteld dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met de volgens de Circulaire geldende vereisten voor het opbergen van munitie en met de aan het verlof verbonden voorschriften. Voorts heeft de staatssecretaris aan dit besluit ten grondslag gelegd dat, gezien de ernst van de voorvallen, in dit geval niet met het verbinden van aanvullende beperkingen en voorschriften aan het verlof kan worden volstaan en dat de belangen van [appellant] niet tegen het algemeen belang van veiligheid van de samenleving opwegen.

5. Het hogerberoepschrift van [appellant], voor zover hij daarin verwijst naar hetgeen hij in administratief beroep en in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd, zonder daarbij toe te lichten waarom hij zich, gezien hetgeen hij aldus eerder heeft aangevoerd, niet met de aangevallen uitspraak kan verenigen, behoeft geen bespreking.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de verbalisant van voormeld proces-verbaal van 15 maart 2013 geen toestemming heeft gegeven de zolder van zijn woning te betreden, zodat de staatssecretaris dit proces-verbaal, voor zover daarin staat wat de verbalisant op de zolder heeft aangetroffen, ten onrechte aan het besluit van 2 september 2013 ten grondslag heeft gelegd.

6.1. Dit betoog faalt, omdat niet in geschil is dat onderdelen van munitie, geschikt om munitie van te maken, op zolder lagen en [appellant] erin heeft toegestemd dat de verbalisant wapens en munitie uit zijn woning zou halen.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat intrekking van het verlof onevenredig is en dat de staatssecretaris met een officiële waarschuwing had moeten volstaan. Daartoe voert [appellant] aan dat hij voormelde 2.000 stuks munitie, die hij voor een medelid van de schietvereniging in zijn woning had opgeslagen, wegens een defect slot van zijn munitiekluis, tijdelijk noodgedwongen in zijn wapenkluis heeft moeten opslaan, en dat hij dit defecte slot, door hetgeen op 18 februari 2013 is voorgevallen, niet meer heeft kunnen repareren. Verder voert hij aan dat de neef niet meer bij hem in zijn woning zal komen wonen, dat hij een onberispelijke staat van dienst heeft en dat hij nu de dupe lijkt te worden van de maatschappelijke onrust die de laatste jaren over het voorhanden hebben van wapens is ontstaan. Voorts voert hij aan dat volgens de beleidsregels van de korpschef van politieregio Limburg-Noord, neergelegd in de Richtlijn bestuurlijke handhaving bijzondere wetten, regiopolitie Limburg-Noord (hierna: de Richtlijn), met een officiële waarschuwing had moeten worden volstaan.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 april 2013 in zaak nr. 201209407/1/A3), strekt de in artikel 7, tweede lid, van de Wwm neergelegde bevoegdheid tot het treffen van een maatregel ter bescherming van de veiligheid van de samenleving en niet tot het opleggen van een strafrechtelijke sanctie. Tegen de achtergrond van dat grote maatschappelijke veiligheidsbelang is reeds in geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het verlof voldoende reden gelegen om een verlof in te trekken, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.

7.2. Niet in geschil is dat [appellant] ongeveer 2.000 stuks munitie en zes vuurwapens in hetzelfde compartiment van een kluis heeft bewaard, en onderdelen van munitie, geschikt om munitie van te maken, onbeheerd heeft achtergelaten op de niet afsluitbare zolder van zijn woning, zodat [appellant] in strijd met de volgens de Circulaire geldende vereisten voor het opbergen van munitie en de aan het verlof verbonden voorschriften heeft gehandeld. De juistheid van de inhoud van voormeld proces-verbaal van 18 februari 2013, alsmede hetgeen hiervoor onder 4 over de basisregistratie personen en het op 31 mei 2013 in De Limburger gepubliceerd artikel is vermeld, is evenmin in geschil. Dat [appellant] zich thans op het standpunt stelt dat de neef niet meer bij hem in zijn woning zal komen wonen, doet niet af aan de feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit van 2 september 2013. Gelet hierop, alsmede gelet op de ernst van de gedragingen van de neef, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat twijfel bestaat aan het verantwoord zijn van het verlof en dat deze twijfel objectief toetsbaar is. Gezien voormelde uitspraak van de Afdeling van 3 april 2013 heeft de rechtbank evenzeer terecht geoordeeld dat de staatssecretaris het belang van de maatschappelijke veiligheid bij intrekking van het verlof in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij het achterwege laten daarvan. Voor zover het betoog van [appellant] tevens moet worden opgevat als een beroep op onderdeel B, paragraaf 9.1, van de Circulaire, faalt dit betoog, nu de staatssecretaris in redelijkheid kan oordelen dat de wijze waarop [appellant] zijn wapens en munitie bewaarde geen lichtere onregelmatigheid was. Het beroep van [appellant] op de Richtlijn faalt, reeds omdat de staatssecretaris bij de uitoefening van zijn bevoegdheden niet aan de Richtlijn is gebonden.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

610.