Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201404654/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college een aanvraag van de maatschap om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/580
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404654/1/A2.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de maatschap], gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2014 in zaak nr. 13/2434 in het geding tussen:

de maatschap

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college een aanvraag van de maatschap om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2014 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2014, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.G.J. Woltjer, werkzaam bij de gemeente Súdwest-Fryslân, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak als bedoeld in het eerste lid.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze de planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het voordien geldende planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling of sprake is van een planologisch nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging, zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant.

3. De maatschap exploiteert een melkveebedrijf te [plaats] en is pachter van drie percelen grasland, kadastraal bekend gemeente Woudsend, sectie C, nrs. […], die zij gebruikt als weideplaats voor vee, hooiland en mestplaatsingsruimte. De maatschap bereikt deze percelen door het Prinses Margrietkanaal over te steken met een, door een sleepboot getrokken, praam.

4. De raad heeft op 23 juni 2011 het bestemmingsplan "Reidskar 5 te Hommerts" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) vastgesteld. Dit plan maakt het mogelijk de noordwestelijke bocht in de vaarweg van de Jeltesleat/Prinses Margrietkanaal nabij Hommerts, overeenkomstig de wens van de provincie Fryslân hiertoe, te verruimen. Voor de verruiming van de bocht in de vaarweg dienen de woonboerderij met bijbehorende opstallen en de bestaande haven in het plangebied te worden gesloopt. Het nieuwe bestemmingsplan maakt de, door de eigenaar van Reidskar 5 gewenste, vervangende nieuwbouw van een woonboerderij met opstallen en de aanleg van een nieuwe haven mogelijk.

5. Op 26 januari 2012 heeft de maatschap een aanvraag bij het college ingediend om een tegemoetkoming in planschade die zij stelt te lijden ten gevolge van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. Aan de aanvraag heeft de maatschap ten grondslag gelegd dat de verruiming van de bocht in de vaarweg ertoe leidt dat sneller wordt gevaren, waardoor meer golfslag optreedt. Volgens de maatschap is de overtocht met de praam, een relatief traag vaartuig, daardoor niet meer veilig en wordt het aanleggen aan de oever en het laden en lossen van vee, waarvoor het vaartuig stil moet liggen, daardoor bemoeilijkt, zodat de door haar voorgestane exploitatie van de percelen niet langer mogelijk is en zij schade lijdt in de vorm van inkomensderving. Zij verzoekt het college daarom om een tegemoetkoming in deze schade van € 203.886,40.

6. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag een advies van Langhout & Wiarda Juristen en Rentmeesters (hierna: Langhout) van 18 december 2012 ten grondslag gelegd. Langhout heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het nieuwe bestemmingsplan en het daarvoor ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het oude bestemmingsplan) en het college geadviseerd de maatschap geen tegemoetkoming in planschade toe te kennen, nu de door haar beschreven gevolgen niet in redelijkheid aan de wijziging van het bestemmingsplan kunnen worden toegerekend en zij dus niet in een planologisch nadeliger situatie is gebracht. Bij nader advies van 15 april 2013 is Langhout op verzoek van het college ingegaan op het bezwaarschrift van de maatschap. Bij het besluit van 13 augustus 2013 heeft het college, op advies van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Súdwest-Fryslân (hierna: de bezwaarschriftencommissie) van 12 juni 2013, de afwijzing gehandhaafd.

7. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het advies van Langhout van 18 december 2012, geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, voor zover de verruiming van de bocht al tot gevolg heeft dat boten sneller en anders gaan varen, dit in redelijkheid niet aan het nieuwe bestemmingsplan kan worden toegerekend.

8. De maatschap betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat dit advies van Langhout onvoldoende is gemotiveerd en het besluit van 13 augustus 2013 niet kan dragen. Zij voert hiertoe aan dat in dit advies een referentie-object en een vergelijkbare situatie ontbreekt en uit dit advies niet blijkt dat Langhout deskundig is op het gebied van planologische wijzigingen in vaarwegen. De maatschap betoogt voorts dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de maatschap voorafgaand aan de planologische en feitelijke wijziging minstens 80 keer per jaar de overtocht naar haar percelen maakte en na de wijziging maar gemiddeld 15 keer per jaar. Volgens de maatschap volgt reeds daaruit dat zij, anders dan Langhout heeft geconcludeerd, door de planologische wijziging inkomsten heeft gederfd.

8.1. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 26 juni 2013 in zaak nr. 201210305/1/A2) mag een bestuursorgaan, indien uit een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit op een verzoek om een tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

8.2. In het advies van Langhout van 18 december 2012 is vermeld dat de voorziene verruiming van de bocht in de vaarweg, waarvoor de bestaande woonboerderij met opstallen en haven zullen worden gesloopt, mede is ingegeven uit veiligheidsoverwegingen en dat de zichtbaarheid op de drukke kruising Prinses Margrietkanaal en de Jeltesleat daardoor zal toenemen. De stelling van de maatschap dat als gevolg van de verruiming van de bocht in de vaarweg sneller zal worden gevaren, waardoor de oversteek over het Prinses Margrietkanaal onuitvoerbaar wordt en het aanleggen wordt bemoeilijkt, kan volgens dit advies niet in alle redelijkheid worden toegerekend aan de planologische maatregel. Langhout wijst er in dit verband op dat de ter plaatse geldende vaarsnelheid ongewijzigd blijft. Voorts wijst Langhout op de omstandigheid dat de zichtbaarheid vanuit het Prinses Margrietkanaal naar de Jeltesleat en vice versa toeneemt waardoor de veiligheid zal toenemen en eerder kan worden geanticipeerd op de aanwezigheid van schepen. Voorts stelt Langhout dat de verruiming van de bocht geen of een te verwaarlozen invloed heeft op de frequentie van de scheepvaart. Tot slot stelt hij dat voor en na de planologische wijziging eenzelfde golfslag ter plaatse kan optreden. Langhout heeft daarom geconcludeerd dat geen planologische verslechtering voor de maatschap optreedt. Naar aanleiding van de door de maatschap gestelde overtreding van de maximale vaarsnelheid door schippers, heeft Langhout in het nadere advies van 15 april 2013 vermeld dat dit niet kan worden toegerekend aan het nieuwe bestemmingsplan maar wordt veroorzaakt door onrechtmatig gedrag. Verder heeft Langhout in het nadere advies vermeld dat de door de maatschap gestelde toename van het scheepvaartverkeer in de afgelopen jaren evenmin aan het nieuwe bestemmingsplan kan worden toegerekend.

8.3. De maatschap heeft geen deskundigenrapport overgelegd waarin deze motivering is bestreden, noch concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel hieraan. Deze motivering kan de conclusie van de adviezen van Langhout dragen dat het nieuwe bestemmingsplan geen planologische verslechtering voor de maatschap inhoudt ten opzichte van het daarvoor geldende planologische regime. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het vaargedrag van schippers en de mogelijke overlast die zij daarbij veroorzaken, een oorzaak van feitelijke aard en biedt artikel 6.1. van de Wro geen grondslag voor een tegemoetkoming in de daardoor veroorzaakte schade.

Een referentieobject en een vergelijkbare situatie, waaraan de maatschap refereert, kunnen eerst een rol spelen bij de bepaling van de hoogte van een toe te kennen tegemoetkoming, nadat is vastgesteld dat een in artikel 6.1. van de Wro genoemde planologische maatregel daadwerkelijk tot een verslechtering heeft geleid. Aangezien Langhout heeft geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingsplan geen planologische verslechtering inhoudt voor de maatschap, behoefde hij de hoogte van de tegemoetkoming niet te bepalen en dus evenmin te verwijzen naar een referentieobject en een vergelijkbare situatie. Dat deze ontbreken maakt derhalve niet dat de adviezen van Langhout onvolledig zijn.

Het ter zitting gehouden betoog van de maatschap, dat niet alle van belang zijnde omstandigheden in aanmerking zijn genomen bij beantwoording van de vraag welke schade binnen het normale maatschappelijke risico valt, richt zich tegen opmerkingen ten overvloede in het advies van Langhout van 18 december 2012. De betreffende opmerkingen over het normaal maatschappelijk risico zijn niet dragend voor het besluit van 13 augustus 2013. Zoals ook uit dit advies volgt, is het vraagstuk van het normale maatschappelijke risico eerst aan de orde als is vastgesteld dat de in artikel 6.1. genoemde planologische maatregel heeft geleid tot een planologisch nadeliger situatie, hetgeen hier niet het geval is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen dat Langhout een ruime ervaring heeft op het gebied van planschade, wordt de maatschap niet gevolgd in haar stelling dat Langhout de benodigde kennis ontbeert.

Het betoog biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat het college de besluitvorming niet op de adviezen van Langhout mocht baseren.

Het betoog faalt.

9. De maatschap betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij voert hiertoe aan dat aan de door de eigenaar van de Reidskar 5 te Hommerts gestelde schade tegemoet is gekomen met een nieuwe woning en een nieuwe haven, die voor recreatieve doeleinden wordt gebruikt, terwijl het college de aanvraag om een tegemoetkoming van de maatschap, die van belang is voor het voortbestaan van haar bedrijf, heeft afgewezen.

Voorts is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat in het nieuwe bestemmingsplan is erkend dat overlast bestaat door wind en golfoploop, hetgeen niet alleen opgaat voor het perceel aan de Reidskar 5 te Hommerts, maar ook voor haar percelen, aldus de maatschap.

9.1. In het nieuwe bestemmingsplan is vermeld dat de eigenaar van het perceel aan de Reidskar 5 te Hommerts te kennen heeft gegeven dat hij medewerking wil verlenen aan de plannen van de provincie Fryslân om de woonboerderij met opstallen en haven te slopen om de verruiming van de bocht in de vaarweg mogelijk te maken en de wens kenbaar heeft gemaakt om, ter vervanging van de huidige bebouwing, langs de Jeltesleat nieuwbouw te willen plegen. Aangezien dit een wezenlijk verschil is met de situatie van de maatschap, bij wie een dergelijke afbraak en vervangende nieuwbouw niet aan de orde is, wordt de maatschap niet gevolgd in haar betoog dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de aanvraag van de maatschap af te wijzen. Het betoog faalt in zoverre.

9.2. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is vermeld dat sprake is van een ‘windlijn’ op het perceel Reidskar 5 te Hommerts, vanwege golfoploop vanaf de Kûfurd (hierna: het Koevordermeer). Uit de staat van wijzigingen, behorend bij het raadsbesluit van 23 juni 2011 omtrent het vast te stellen nieuwe bestemmingsplan, volgt dat de bewoners van dat perceel de windlijn met bebouwing en opgaande beplanting mogen overschrijden, maar de mogelijke overlast van wind en golfoploop die voorbij de windlijn kan bestaan, dan voor hun risico is. Tevens volgt uit de staat van wijzigingen dat de bewoners van dat perceel te kennen hebben gegeven dit risico te willen nemen, om de nieuwe woonbebouwing zo dicht mogelijk bij de oude bebouwing op te kunnen trekken. Uit de toelichting van het nieuwe bestemmingsplan volgt voorts dat de ligging van de oude bebouwing op het perceel Reidskar 5 ongunstig is, mede omdat als gevolg van de grote strijklengte vanaf het Koevordermeer, dat wil zeggen de lengte waarover de wind vrij over het meer waait en golven maakt, problemen met wateroverlast kunnen ontstaan, met als resultaat dat het buiswater tegen de ramen slaat en de tuin van dat perceel vol water staat.

Gelet op deze toelichtingen en de staat van wijzigingen heeft de door de maatschap aangehaalde overlast van wind en golfoploop uitsluitend betrekking op het perceel Reidskar 5 te Hommerts in geval de eigenaar hiervan de vervangende nieuwbouw situeert voorbij de windlijn. Voorts volgt hieruit dat de oorzaak van die overlast niet is gelegen in de verruiming van de bocht in de vaarweg. In het betoog van de maatschap wordt dan ook geen aanleiding gezien voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

10. De maatschap betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de maatschap tevens schade lijdt doordat het beleid van de plaatselijke overheid is gewijzigd, in die zin dat landbouw en veeteelt plaats moeten maken voor recreatie, en dat zij schade lijdt ten gevolge van artikel 5.4. van het nieuwe bestemmingsplan, nu uit die bepaling volgt dat zij niet meer mag aanleggen aan de oever van haar percelen, maar uitsluitend aan gronden met de aanduiding ‘haven’.

10.1. De wijziging van het plaatselijke overheidsbeleid is geen schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1., tweede lid, van de Wro, zodat de door de maatschap gestelde schade niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in planschade.

Het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan betreft de gronden van het perceel Reidskar 5 te Hommerts en de direct aangrenzende gronden in de gemeente Súdwest-Fryslân. Het college heeft terecht aangevoerd dat de percelen van de maatschap niet binnen dit plangebied liggen. Artikel 5.4. van het nieuwe bestemmingsplan staat er dus niet aan in de weg dat de maatschap aan haar percelen aanlegt. Ook dit betoog biedt dus geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

615.