Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201404103/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van randbeplanting en een (nood)uitrit ten behoeve van zijn camping en agrarische grond op de percelen, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Terschelling.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/584
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404103/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Terschelling,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 april 2014 in zaak nr. 13/3106 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van randbeplanting en een (nood)uitrit ten behoeve van zijn camping en agrarische grond op de percelen, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Terschelling.

Bij uitspraak van 8 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2014, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door H.F. Sinnema, is verschenen. Voorts is ter zitting het college vertegenwoordigd door mr. L. Buren en H.T. Smit, beiden in dienst van de gemeente, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van [camping] aan de [locatie] te [plaats] alsmede van twee aangrenzende percelen. [appellant] heeft omgevingsvergunning aangevraagd om rondom en op deze percelen beplanting aan te brengen ten behoeve van een toekomstige uitbreiding van zijn camping. Daarnaast heeft hij verzocht om een omgevingsvergunning voor het maken van een extra uitrit vanaf zijn camping over deze percelen naar het Hoddepad. De aanvraag ziet niet op het uitbreiden van zijn camping.

2. Ingevolge het bestemmingsplan "Poldergebied 1994" rust op de percelen de bestemming "agrarisch gebied B".

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Ingevolge het bepaalde onder c, is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef, kan, voor zover hier van belang en voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Terschelling 2011 (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Ingevolge het derde lid kan de vergunning, voor zover hier van belang, worden geweigerd in het belang van de verkeersveiligheid en het waarborgen van het voor het betreffend gebied gangbare kleur- en materiaalbeeld.

3. Het aanleggen van de gevraagde uitrit en het aanbrengen van beplanting betreffen activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Wabo. Het aanleggen van de uitrit betreft tevens een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de uitrit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, heeft kunnen weigeren, heeft miskend dat de verkeersveiligheid op het Hoddepad en de kruising Hoddepad/Duinweg door de aanleg van de uitrit niet negatief zal worden beïnvloed. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat aan de weigering niet ten grondslag kan worden gelegd dat door de gevraagde uitrit het gangbare kleur- en materiaalgebruik niet wordt gewaarborgd. De weilanden gaan volgens hem in dit gebied zonder enige vorm van verharding over in de uitrit en deze in onverharde zandpaden. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft geweigerd voor het aanbrengen van beplanting rondom en dwars op de percelen. Hij stelt dat het aanbrengen van de beplanting geen afbreuk doet aan de landschappelijke-, natuurwetenschappelijke- en cultuurhistorische waarden van het omliggende gebied en om die reden alsnog omgevingsvergunning verleend dient te worden voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.

4.1. Het college heeft op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang bezien met artikel 2.12, eerste lid, aanhef, geweigerd omgevingsvergunning te verlenen nu de activiteiten in strijd zijn met de agrarische bestemming en het vergunningverlening niet mogelijk acht vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het aan de weigering omgevingsvergunning te verlenen de belangen van verkeersveiligheid als bedoeld in artikel 2:12, derde lid, van de APV ten grondslag gelegd en het waarborgen van het gangbare kleur- en materiaalbeeld in het gebied. Daarnaast heeft het geweigerd omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, omdat de aangevraagde activiteiten onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke-, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en de uitvoering van de activiteiten niet dringend noodzakelijk is.

4.2. [appellant] heeft geen beroepsgronden ingediend tegen het oordeel van de rechtbank dat het aanleggen van randbeplanting en het aanleggen van een uitrit in strijd is met de agrarische bestemming van de percelen en dat het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om niet af te wijken van het bestemmingsplan vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Nu het aangevraagde reeds in strijd is met het bestemmingsplan en [appellant] dat niet heeft bestreden en evenmin het standpunt van het college heeft bestreden dat de activiteiten in strijd met een goede ruimtelijke ordening zijn, wordt aan de door hem aangevoerde beroepsgronden niet toegekomen. Immers ook al zouden die gronden slagen, dan heeft het college de aanvraag omgevingsvergunning te verlenen voor de uitrit en de randbeplanting terecht geweigerd vanwege de strijd met van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang bezien met artikel 2.12, eerste lid, aanhef.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Driel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

414.