Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4712

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201403926/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college de raad van de gemeente Oss een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 20 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Lith 2013" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/587
JBO 2015/32 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403926/1/R4.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college de raad van de gemeente Oss een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 20 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Lith 2013" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad van de gemeente Oss een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door ing. R.J.M.B. Derks, en het college, vertegenwoordigd door A.J. Vos en F.M. Jeths, beiden werkzaam bij het college, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad van de gemeente Oss, vertegenwoordigd door mr. J.J. Witte en mr. R.W.M. van den Broek, beiden werkzaam bij de gemeente.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Bij het bestreden besluit heeft het college een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" voor het perceel aan de [locatie] te Lith zoals aangeduid op de bij de aanwijzing behorende verbeelding, voor zover het plan ter plaatse een mestverwerking met een maximale oppervlakte van 1500 m² mogelijk maakt. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat mestverwerking een niet-agrarische activiteit is, die in milieucategorie 3 of hoger valt. Het is volgens het college in strijd met artikel 11.6, eerste lid, onder c, van de Verordening ruimte 2012, om op gronden buiten bestaand stedelijk gebied, waartoe het perceel aan de [locatie] behoort, een niet-agrarische activiteit in milieucategorie 3 of hoger mogelijk te maken.

3. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening ruimte 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits:

[…]

c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger.

4. In het plan is aan het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor Agrarisch met waarden - Landschap" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf, daaronder begrepen hobbymatig agrarisch grondgebruik.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder o, sub 3 zijn in het doel ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf’ uitsluitend binnen het agrarisch bouwvlak aan de [locatie] de volgende activiteiten, met een maximale oppervlakte van gebouwen van 6.000 m², mede begrepen: mestverwerking met een maximale oppervlakte van 1.500 m².

5. [appellante], die op het perceel aan de [locatie] zowel een agrarisch bedrijf als een agrarisch-technisch hulpbedrijf exploiteert, betoogt dat het college geen belang meer heeft bij de reactieve aanwijzing. Hiertoe voert zij aan dat inmiddels de Verordening ruimte 2014 in werking is getreden, welke verordening rechtstreeks werkende regels bevat die eraan in de weg staan dat een omgevingsvergunning wordt verleend in strijd met de verordening. Gelet hierop zijn de belangen van de provincie afdoende beschermd, aldus [appellante].

5.1. De Afdeling vat dit betoog op als een betoog dat de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing met de inwerkingtreding van de Verordening ruimte 2014 is komen te vervallen. Hierover overweegt de Afdeling dat de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing wordt beoordeeld naar de omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit. Gelet daarop komt aan wijzigingen van de Verordening ruimte nadien - wat daar verder ook van zij - bij die beoordeling geen betekenis toe. In hetgeen Maatschap van Amstel heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hiertoe voert zij aan dat het plan weliswaar voorziet in de mogelijkheid om ter plaatse een installatie voor mestverwerking te realiseren, maar [appellante] wenst slechts op een beperkt deel van haar perceel uitsluitend een biomassavergisting- en digestaatverwerkingsinstallatie op te richten. In dat kader wijst zij erop dat mestverwerking slechts een onderdeel vormt van het biomassavergistingsproces. Het college heeft volgens [appellante] te kennen gegeven dat de realisering van deze installatie ter plaatse niet in strijd is met de Verordening ruimte 2012. Voor zover het college meent dat een biomassavergisting- en digestaatverwerkingsinstallatie ter plaatse niet toelaatbaar is vanwege geur- en geluidsaspecten, voert [appellante] aan dat geluid als gevolg van deze installatie niet waarneembaar is. Verder wijst zij erop dat uit de Handreiking "Monovergisting van mest" van augustus 2013 (hierna: de handreiking) volgt dat wat geur en veiligheid betreft een richtafstand van 50 meter volstaat, aan welke richtafstanden is voldaan. Gelet hierop kan het college gemotiveerd afwijken van de richtafstand van 100 meter die volgens de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure) geldt voor de afstand tussen installaties voor covergisting en verbranding en vergassing enerzijds en gevoelige functies anderzijds, zo betoogt [appellante].

6.1. [appellante] is voornemens uitsluitend een installatie voor biomassavergisting- en digestaatverwerking op te richten. Het plan voorziet ter plaatse echter in de oprichting van een installatie voor mestverwerking. Ter zitting is vast komen te staan dat een installatie voor mestverwerking meer kan omvatten dan alleen een biomassavergisting- en digestaatverwerkingsinstallatie. Uit pagina 34 van de toelichting bij de Verordening ruimte 2012 volgt dat met milieucategorie is bedoeld: milieucategorie zoals beschreven in de VNG-brochure. Nu een installatie voor mestverwerking volgens de VNG-brochure tot categorie 3.2 behoort, is het plan in zoverre in strijd met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening ruimte 2012, zodat het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan.

Dat het college heeft medegedeeld dat een installatie voor biomassavergisting- en digestaatverwerking past binnen de ruimte die de Verordening ruimte 2012 daartoe laat, maakt het voorgaande niet anders, omdat moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.

Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

472-786.