Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201405140/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:8447, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405140/1/V3.

Datum uitspraak: 16 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 mei 2014 in zaak nr. 12/1887 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen geslaagd beroep kan doen op artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: besluit nr. 1/80), omdat hij niet legaal in Nederland verblijft.

Daartoe betoogt de vreemdeling onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2010, C-92/07, Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden, punt 49, (curia.europa.eu) volgt dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 ook van toepassing is op de eerste toelating. Uit het arrest van 7 november 2013, C-225/12, Demir, punt 42, (curia.europa.eu) volgt dat de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 neergelegde standstillbepaling niet buiten toepassing mag worden gelaten om het doel van het vereiste om te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste) te verwezenlijken. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat hij geen beroep op deze bepaling kan doen, zodat hem het mvv-vereiste niet mocht worden tegengeworpen, aldus de vreemdeling.

2.1. De in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 30 april 2014 in zaak nr. 200805487/1/V3 beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling aan artikel 13 van besluit nr. 1/80 geen rechten kan ontlenen.

De grief slaagt in zoverre.

3. Hetgeen de vreemdeling overigens in grief 1 en in grief 2 heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

5. In het besluit van 13 januari 2012 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 niet op de vreemdeling van toepassing is. Uit hetgeen is overwogen in voormelde uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014 volgt dat deze motivering geen stand kan houden. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 januari 2012 daarom gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

6. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 mei 2014 in zaak nr. 12/1887;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 13 januari 2012, V-nummer 274.192.6409;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 402,00 (zegge: vierhonderdtwee euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Laar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014

551.