Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201408158/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Hart voor Diessen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408158/2/R6.

Datum uitspraak: 17 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te Diessen, gemeente Hilvarenbeek,

en

de raad van de gemeente Hilvarenbeek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Hart voor Diessen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 december 2014, waar [verzoekers], bijgestaan door P.J.M. van Leest, en de raad, vertegenwoordigd door ing. T.A.B.M. de Kousemaeker, werkzaam bij Compositie 5 stedenbouw bv, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], bijgestaan door mr. L.P.F. Warnier, en Woonstichting Leystromen, vertegenwoordigd door ir. A.W.F.M. Janssen, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ter zitting hebben [verzoekers] hun grond over het bodemonderzoek ingetrokken.

3. [verzoekers] voeren aan - samengevat weergegeven - dat hen onvoldoende inspraak is geboden bij de totstandkoming van het plan.

Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Een eventuele schending van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

4. [verzoekers] betogen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) niet van toepassing is op het plan. Zij voeren aan dat de raad over de toepasselijkheid van de Chw geen besluit heeft genomen. Daarnaast voeren [verzoekers] aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van de Chw, omdat het plangebied wordt doorkruist door het zogenoemde Pastoorspaadje en het om die reden niet gaat om een aaneengesloten gebied.

4.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge onderdeel 3.1 van bijlage I behorende bij de Chw wordt onder ruimtelijke en infrastructurele projecten verstaan ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

4.2. De toepasselijkheid van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op een besluit is in de Chw bepaald. Anders dan [verzoekers] blijkbaar veronderstellen is het niet aan de raad om daarover een besluit te nemen.

Het plan voorziet in de nieuwbouw van meer dan 11 woningen in een gebied dat wordt omsloten door de Heuvelstraat, de Kerkstraat, de Kerksingel en de pastorietuin. Het zogenoemde Pastoorspaadje maakt deel uit van het plangebied en kan er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan afdoen dat het hier gaat om woningbouw in een aaneengesloten gebied. Gelet op het vorenstaande is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op het besluit tot vaststelling van het plan.

5. [verzoekers] betogen dat het plan zich niet verdraagt met het Masterplan "Hart voor Diessen". Zij voeren aan dat in het plan de nadruk ligt op de woonfunctie, terwijl volgens hen ingevolge het Masterplan de zorgfunctie voorop moet staan.

5.1. Het Masterplan geeft een integrale gemeentelijke visie op de functionele en ruimtelijke inrichting van het centrum van Diessen. Blijkens de plantoelichting kent het Masterplan onder meer als uitgangspunten dat maatschappelijke functies worden versterkt en dat wordt gestreefd naar functiemenging en multifunctioneel gebruik van voorzieningen. In de plantoelichting is uiteengezet dat met het bestemmingsplan een passende invulling wordt gegeven aan die uitgangspunten. Daarbij is onder meer toegelicht dat plan voorziet in een concentratie van maatschappelijke voorzieningen. Er is ruimte voor medische voorzieningen zoals een huisartsenpraktijk, een consultatiebureau en een apotheek, maar ook voor een bankfiliaal. Daarmee wordt een sterk maatschappelijk en dienstverlenend centrum gerealiseerd. De centrumfunctie wordt volgens de toelichting verder versterkt door de combinatie met woningbouw waarbij primair wordt ingezet op de huisvesting van ouderen maar ook op levensloopbestendige woningen zodat kan worden voorzien in de behoefte van verschillende doelgroepen.

Hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd geeft voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in overeenstemming met het Masterplan heeft kunnen achten.

6. [verzoekers] vrezen dat de voorziene woningen niet zullen worden gerealiseerd. Volgens hen is onzeker of het plan haalbaar is.

[verzoekers] hebben hun stellingen niet met concrete argumenten onderbouwd. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad er niet van heeft mogen uitgaan dat de in het plan opgenomen bestemmingen binnen de planperiode van 10 jaar zullen worden verwezenlijkt.

7. [verzoekers] vrezen dat zich parkeerproblemen zullen voordoen. Zij betwisten de juistheid van de berekening van de parkeerbehoefte, onder meer wat betreft de gehanteerde parkeernormen en aanwezigheidspercentages. Daarnaast betwisten zij dat het benodigde aantal parkeerplaatsen in het plangebied met inachtneming van de minimale afmetingen kan worden gerealiseerd.

7.1. In de plantoelichting is vermeld dat de totale parkeerbehoefte in het plangebied 49 parkeerplaatsen bedraagt. De raad heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormering die overeenkomt met de normering van het CROW. [verzoekers] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid van die normering heeft kunnen uitgaan. Verder geeft ook hetgeen [verzoekers] overigens naar voren hebben gebracht voorshands onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van een parkeerbehoefte van 49 plaatsen heeft kunnen uitgaan.

In de plantoelichting is vermeld dat conform het stedenbouwkundig plan zeven parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd in het zuidelijk deel van het plangebied en dat de overige 42 plaatsen zullen worden gerealiseerd in het noordelijk deel van het plangebied. De raad heeft toegelicht dat hierbij rekening is gehouden met de richtlijnen van het CROW over minimale afmetingen. De enkele verwijzing van [verzoekers] naar een tekening in het akoestisch onderzoek waarop voor het noordelijk deel 40 plaatsen zijn ingetekend geeft de voorzieningenrechter onvoldoende grond om er aan te twijfelen dat in het noordelijk deel met inachtneming van de minimale afmetingen 42 plaatsen kunnen worden gerealiseerd. [verzoekers] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat het plangebied voldoende ruimte biedt om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren.

8. [verzoekers] vrezen voor geluidhinder. Zij voeren als belangrijkste bezwaar aan dat in het akoestisch onderzoek van Agel Adviseurs onder meer wat betreft verkeersbewegingen onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd, zodat moet gevreesd dat de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode van 60 dB(A) ter plaatse van hun woning zal worden overschreden.

8.1. Het in opdracht van de raad uitgevoerde akoestisch onderzoek ziet op de geluidbelasting vanwege het gebruik van de in het plangebied voorziene parkeerterreinen op bestaande woningen in de omgeving, waaronder de woning van [verzoekers] aan de [locatie]. Het toetsingskader voor geluid van paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is daarbij als uitgangspunt gehanteerd. De door [verzoekers] bedoelde grenswaarde behoort tot stap 2 van dat toetsingskader waarbij geldt dat een ontwikkeling mogelijk wordt geacht indien die gepaard gaat met een piekgeluidniveau op woningen in een gemengd gebied van ten hoogste 60 dB(A) in de nachtperiode. Uit tabel 2 van het onderzoek blijkt dat het piekgeluidniveau in de nachtperiode op de woning van [verzoekers] 60 dB(A) bedraagt en aldus de grenswaarde niet overschrijdt. De raad heeft de geluidbelasting op de woning van [verzoekers] om die reden aanvaardbaar geacht. De raad heeft ter zitting verder toegelicht dat hij een hogere piekgeluidbelasting op de woning van [verzoekers] - voor zover zich die zou voordoen - op grond van stap 3 van het toetsingskader eveneens aanvaardbaar zou achten. Daartoe heeft de raad uiteengezet dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de hoge piekgeluiden worden veroorzaakt door het dichtslaan van portieren van aan- en afrijdend verkeer en dat het bij stap 3 van het toetsingskader is toegestaan om juist dat type piekgeluiden buiten beschouwing te laten. Bovendien doet het dichtslaan van portieren zich in de nachtperiode volgens de raad slechts sporadisch voor.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het gebruik van de in het plan voorziene parkeerterreinen geen onaanvaardbare geluidbelasting voor [verzoekers] gepaard gaat.

9. [verzoekers] vrezen voor schaduwwerking vanwege de nieuwe bebouwing.

9.1. De raad heeft ten behoeve van de vaststelling van het plan onderzoek laten doen naar de gevolgen van de voorziene nieuwbouw voor de bezonning van de woning en de tuin van [verzoekers] op het perceel [locatie]. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Bezonningsstudie Hart voor Diessen". In dat rapport is de zogenoemde waarderingsrichtlijn van TNO als uitgangspunt gehanteerd. De conclusie in het rapport is dat de nieuwbouw geen invloed heeft op de bezonning van de maatgevende gevel van de woning en dat de schaduwwerking in de tuin verwaarloosbaar toeneemt. Er is voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op basis van dit rapport in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het plan voor [verzoekers] in zoverre geen onaanvaardbare gevolgen zijn gemoeid.

10. [verzoekers] vrezen voor wateroverlast. Volgens [verzoekers] blijkt uit hun eigen schatting aan de hand van Google Earth dat de toename van het verhard oppervlak in het plangebied groter is dan waarvan de raad in de watertoets is uitgegaan.

10.1. In de plantoelichting is onder verwijzing naar het onderzoeksrapport van Ecoconsultancy uiteengezet dat er vanuit waterhuishoudkundig oogpunt geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. De enkele schatting van [verzoekers] aan de hand van Google Earth van het verhard oppervlak in de bestaande situatie geeft de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het onderzoeksrapport. [verzoekers] hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet van het onderzoeksrapport heeft mogen uitgaan.

11. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Timmerman

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014

431.