Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201403445/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het algemeen bestuur aan Trend Invest bouwvergunning en op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ontheffing verleend voor het oprichten van een kapverdieping met bestemming hiervan tot één woning op het perceel Brederodestraat 17 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/669
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403445/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Trend Invest B.V. en [appellant sub 1], beide gevestigd te Amsterdam (hierna tezamen en in enkelvoud te noemen: Trend Invest),

2. [appellant sub 2A] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2014 in zaken nrs. 13/519, 13/3487 en 13/4815 in het geding tussen:

[appellant sub 2A] e.a.,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West (thans: het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het algemeen bestuur aan Trend Invest bouwvergunning en op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ontheffing verleend voor het oprichten van een kapverdieping met bestemming hiervan tot één woning op het perceel Brederodestraat 17 te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij onderscheiden besluiten van 18 december 2012 heeft het algemeen bestuur naar aanleiding van het door [appellant sub 2A] e.a. daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 11 oktober 2011 herroepen en met toepassing van artikel 3.23 van de Wro en artikel 1.11 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kapverdieping met bestemming hiervan tot één woning op het perceel (hierna: besluit I).

Bij besluit van 14 september 2012 heeft het algemeen bestuur aan Capital Investments BV (de rechtsvoorganger van [appellant sub 1]) omgevingsvergunning verleend voor het maken van een kapverdieping met de bestemming daarvan tot wonen op het perceel (hierna: besluit II).

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft het algemeen bestuur het daartegen door [appellant sub 2A] e.a. gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 september 2012 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij besluit van 28 december 2012 heeft het algemeen bestuur aan Trend Invest omgevingsvergunning verleend voor het maken van een dakterras en een dakhuisje op het perceel (hierna: besluit III).

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het algemeen bestuur het door [appellant sub 2A] e.a., [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 14 maart 2014 heeft de rechtbank de door [appellant sub 2A] e.a. daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 18 december 2012, 21 mei 2013 en 16 juli 2013 vernietigd en bepaald dat het algemeen bestuur binnen zes weken nieuwe besluiten neemt op het bezwaar met inachtneming met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Trend Invest en [appellant sub 2A] e.a. hoger beroep ingesteld. Tevens hebben zij beide een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het algemeen bestuur, voor zover hier van belang, opnieuw beslist op de door [appellant sub 2A] e.a. gemaakte bezwaren en de besluiten van 11 oktober 2011 en 28 december 2012 herroepen. Voorts heeft het onder aanvulling van de motivering de vergunningen voor het oprichten van een kapverdieping met bestemming hiervan tot één woning en, naar aanleiding van een op 8 mei 2014 gewijzigde aanvraag, voor het maken van een dakterras en een dakhuisje op het perceel, opnieuw vastgesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2014, waar Trend Invest, vertegenwoordigd door [bestuurder] van Capital Group B.V., en bijgestaan door mr. A. van Balen, advocaat te Amsterdam, en [appellant sub 2A] e.a., vertegenwoordigd door mr. C. de Wal en [gemachtigde] en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. H.J. de Groot, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

Besluit I

1. Het bouwplan waarvoor bij besluit I ontheffing en bouwvergunning is verleend ziet op het oprichten van een kapverdieping op het gebouw waarbij de kap aan de voorzijde een schuine zijde heeft en aan de achterzijde een rechte wand.

2. Gelet op artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft, omdat de aanvraag is ingediend voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) op 1 oktober 2010, het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van het besluit op die aanvraag.

3. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120.

Ingevolge het bepaalde onder d, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 3.23 van de Wro, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan het college ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.4.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover van belang, komen voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking: een uitbreiding van of bijgebouw bij een woning, mits het aantal woningen gelijk blijft.

4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oud-West" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woongebied 1" met de nadere aanduiding "4 bouwlagen met kap".

Ingevolge artikel 1, aanhef, van de planvoorschriften wordt onder bouwlaag verstaan: een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkanten van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,50 m in hoogte verschillen. Bij de bepaling van het aantal bouwlagen wordt de bouwlaag, die grotendeels in de kap is gelegen (zogenaamde zolder) evenals de bouwlagen die (grotendeels) onder de begane grond zijn gelegen (zogenaamde kelder/souterrain) niet meegerekend.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder d, gelden voor het bouwen van gebouwen de aanduidingen op de plankaart alsmede dat het aantal bovengrondse bouwlagen maximaal het op de plankaart aangegeven aantal bedraagt, met dien verstande dat de maximale hoogte van de begane grond (eerste bouwlaag) 4 m en de maximale hoogte van de overige bouwlagen 3 m bedraagt.

Ingevolge het bepaalde onder f dient, indien het maximaal aantal bouwlagen wordt gebouwd, ter plaatse van de aanduiding kap de dakhelling en de vorm van de kap aan te sluiten bij de kap aanwezig ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerp van het plan of de kap van de belendende panden met dien verstande dat de dakhelling niet minder mag bedragen dan 50° en niet meer dan 80° en de maximale hoogte van de kap 3 m bedraagt.

5. Het algemeen bestuur heeft overwogen dat vanwege het recht optrekken van de gevel aan de achterzijde het bouwplan in strijd is met artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften. Om bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het met toepassing van artikel 3.23 van de Wro in samenhang gelezen met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro ontheffing verleend.

6. [appellant sub 2A] e.a. betogen dat de rechtbank het algemeen bestuur ten onrechte bevoegd heeft geacht om met toepassing van artikel 3.23 van de Wro in samenhang bezien met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen. Zij voeren daartoe aan dat met het realiseren van het bouwplan het aantal woningen toeneemt.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor een antwoord op de vraag of sprake is van een gelijkblijvend aantal woningen als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro aansluiting moet worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Zij heeft voorts terecht overwogen dat het bestemmingsplan geen beperkingen stelt aan het maximum aantal te realiseren wooneenheden en dat met het realiseren van het bouwplan het aantal woningen derhalve niet toeneemt als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro. [appellant sub 2A] e.a. hebben niet aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank op dit punt onjuist is.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 2A] e.a. betogen dat de rechtbank door te overwegen dat het algemeen bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat het maximaal aantal bouwlagen niet wordt overschreden en het bouwplan op dit punt niet in strijd met het bestemmingsplan is, heeft miskend dat het pand reeds vijf bouwlagen omvat. Zij voeren daartoe aan dat het verschil in hoogte tussen de begane grond en de tussenverdieping meer dan 1,50 m is en er derhalve, gelet op de definitie van bouwlaag in artikel 1 van de planvoorschriften, op de 1e verdieping twee bouwlagen aanwezig zijn.

Trend Invest betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet relevant is of het pand de maximaal toegestane hoeveelheid bouwlagen wordt overschreden, nu de aanvraag alleen ziet op het oprichten van een kapverdieping en de kap niet wordt meegerekend bij de bepaling van het aantal bouwlagen.

7.1. Aangevraagd is het bouwen van een verdieping met een kap. Trend Invest betoogt terecht dat de kap niet meetelt voor het bepalen van de hoeveelheid maximaal toegestane bouwlagen, maar voor de toepasselijkheid van het hier aan de orde zijnde artikel 5, vijfde lid, aanhef, onder d en f, is het aantal bouwlagen echter wel van belang. Op een gedeelte van de begane grond van het pand is een verhoogde vloer aangebracht waarbij het verschil in hoogte tussen de bovenkanten van de afgewerkte vloeren meer dan 1,50 m is. Anders dan [appellant sub 2A] e.a. betogen is hiermee geen sprake van een bouwlaag als bedoeld in artikel 1 van de planvoorschriften, omdat het verhoogde gedeelte geen doorlopend gedeelte van het gebouw betreft. De begane grond bestaat derhalve uit één bouwlaag en het pand heeft in totaal vier bouwlagen. Het bouwplan is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog van [appellant sub 2A] e.a. faalt. Het betoog van Trend Invest slaagt.

8. [appellant sub 2A] e.a. betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de maximaal toegestane bouwhoogte op het perceel met 1,51 m wordt overschreden. Zij stellen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2010, (zaak nr. 200906364/1, dat de maximaal toegestane hoogte op het perceel 16 m bedraagt. Voorts verwijzen zij naar artikel 5, aanhef, achtste lid, onder i, van het Paraplubestemmingsplan Stadsdeel West waaruit volgens hen volgt dat er een maximum bouwhoogte op het perceel geldt en dat deze wordt overschreden. [appellant sub 2A] e.a. betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag mede ziet op de 3e verdieping van het pand en dat de hoogte van die bouwlaag in strijd met het bestemmingsplan 3,32 m bedraagt.

8.1. Ingevolge artikel 5, aanhef, achtste lid, onder i, van het Paraplubestemmingsplan Stadsdeel West mag de op de plankaart aangegeven maximaal toelaatbare hoogte worden overschreden door dakterrassen en toegangsopbouwen met dien verstande dat (…).

8.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bestemmingsplan geen maximaal toegestane bouwhoogte voor het perceel kent. Artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften regelt weliswaar de maximum hoogte van het aantal toegestane bouwlagen, maar dat betekent niet dat deze toegestane meters bij elkaar opgeteld, de maximum toegelaten bouwhoogte is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de definitie van het begrip bouwlaag de mogelijkheid niet uitsluit dat een kelder/souterrain, dat volgens dezelfde definitie niet meetelt bij de berekening van het aantal bouwlagen, voor een klein gedeelte boven de begane grond uitsteekt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voornoemde uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2010, waar de vraag aan de orde was of een dakterrasonderdeel uitmaakt van de eerste bouwlaag, niet leidt tot een ander oordeel. De verwijzing van [appellant sub 2A] e.a. naar artikel 5, aanhef en achtste lid, onder i, van het Paraplubestemmingsplan Stadsdeel West kan hen niet baten, nu dat artikel toepassing mist omdat op de plankaart behorend bij het bestemmingsplan geen maximaal toelaatbare hoogte is weergegeven.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de aanvraag niet ziet op de 3e verdieping. Op de bij de vergunning behorende bouwtekening T-02 is met een grijze arcering aangegeven dat de 3e verdieping geen deel uitmaakt van de aanvraag. Op de constructietekeningen CT-02 en CT-04 is de 3e verdieping weergegeven met als doel om aan te geven dat de bestaande balklaag, het bestaande dak, verzwaard dient te worden omdat dat in de nieuwe situatie een 4e verdiepingsvloer wordt. Dat dat op de constructietekening is weergegeven maakt niet dat hiermee de aanvraag is uitgebreid tot de 3e verdieping.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 2A] e.a. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur voor het bouwplan in redelijkheid ontheffing kon verlenen, nu ten onrechte niet de gevolgen van het realiseren van het gehele bouwplan in de afweging is betrokken, maar alleen de gevolgen van de rechte achterzijde.

9.1. [appellant sub 2A] e.a. hebben ter toelichting op dit punt volstaan met een verwijzing naar hun betoog en de argumenten in beroep. De rechtbank is op deze gronden en argumenten ingegaan. [appellant sub 2A] e.a. hebben niet uiteengezet waarom het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel niet juist of onvolledig is.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2A] e.a betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur heeft kunnen oordelen dat de bij de aanvraag overgelegde gegevens aannemelijk maken dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2003. Volgens hen had het algemeen bestuur ten tijde van het besluit van 18 december 2012 geen inzicht in de hoofdlijn van de constructie en het constructieprincipe van het bouwwerk. Zij stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar een niet bestaand rapport van bureau Interconcept van 11 mei 2011 en dat er relevante gegevens om de toets aan het Bouwbesluit 2003 uit te kunnen voeren, ontbraken. Daarnaast is het algemeen bestuur bij de beoordeling van de belastingtoename op de muren en de fundering ten onrechte uitgegaan van houtskeletbouw, nu het pand een gemetselde topgevel en achtergevel heeft, aldus [appellant sub 2A] e.a.. Zij hebben het betoog onderbouwd met een rapport van Bartels Ingenieursbureau B.V. van 23 oktober 2013. Zij stellen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de beoordeling van de constructieve veiligheid in besluit II op gelijke wijze heeft plaatsgevonden als de beoordeling in besluit I en de rechtbank daarom ten onrechte niet ook besluit I op dit punt heeft vernietigd.

10.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: Biab), voor zover hier van belang, in samenhang gelezen met paragrafen 1.1 en 1.2 van de bijlage bij het Biab, zoals deze luidden ten tijde van belang, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, voor zover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het desbetreffende bouwen voldoet aan de bij of krachtens de wet voor dat bouwen geldende eisen, de gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot constructieve veiligheid.

In paragraaf 1.2.3 van de voornoemde bijlage staan als gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot constructieve veiligheid vermeld, de gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel en de gestelde eisen in relatie tot de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen van de bouwconstructie, kwaliteitsverklaringen en CE-markeringen als bedoeld in paragraaf 1.4 van het Bouwbesluit 2003 en gegevens en bescheiden ten behoeve van een beroep op de gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Biab in samenhang gelezen met paragraaf 1.5, onderdeel 1, onder a, van de bijlage, zoals deze luidden ten tijde van belang, behoeft de aanvrager van een reguliere bouwvergunning de gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft, eerst uiterlijk drie weken voor de aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden te verstrekken. Wanneer de aanvrager daaraan toepassing geeft, geven burgemeester en wethouders in de bouwvergunning aan welke gegevens en bescheiden het betreft.

10.2. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar het in opdracht van Trend Invest opgestelde rapport van VBC Ingenieursbureau B.V. van 1 juli 2011, waarin is berekend in hoeverre de bestaande fundering extra zal worden belast vanwege de dakopbouw, overwogen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het algemeen bestuur geen inzicht had in de hoofdlijn van de constructie. Zij heeft daarbij terecht mede tekening nr. CT-01 van 14 maart 2011, gestempeld met gezien op 11-5-2011 waarop geschreven is ‘constructie acc’, tekening nr. CT-02 van 8 juli 2010, gestempeld voor gezien op 11-5-2011 en met de handmatige aantekening "acc", tekening nr. CT-03 van 14 maart 2011, gestempeld voor gezien en constructie goedgekeurd op 12 juli 2011, tekening CT-04 van 5 juli 2011, gestempeld voor gezien en constructie goedgekeurd op 12 juli 2011 en tekening nr. CT-05 van 8 april 2011, gestempeld voor gezien op 11 mei 2011 in aanmerking genomen. Voor zover de rechtbank heeft verwezen naar het positieve advies van bureau Interconcept van 11 mei 2011 heeft de rechtbank bedoeld te verwijzen naar voornoemde tekening met nrs. CT-01 en CT-02 met daarop de handmatige aantekening "constructietekeningen met stempel Interconcept" en "constructie akkoord". De conclusies in het rapport van Bartels Ingenieursbureau waarnaar [appellant sub 2A] e.a. verwijzen leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat in dit rapport getoetst is aan het ten tijde van belang niet van toepassing zijnde Bouwbesluit 2012. De door [appellant sub 2A] e.a. voorgestane vergelijking met besluit II gaat voorts niet op, reeds omdat op besluit II ander en niet gelijkluidend recht van toepassing is.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 2A] e.a. betogen verder tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte hun betoog inzake de trap van de 3e naar de 4e verdieping buiten beschouwing heeft gelaten omdat deze trap geen deel uitmaakt van de aanvraag. Uit tekening T-01, die de bestaande situatie weergeeft, blijkt dat de 3e verdieping is voorzien van een trap. Deze trap is ook weergegeven op tekening nr. T-02, die de nieuwe situatie weergeeft. Zoals onder 8.2 overwogen maakt de 3e verdieping geen onderdeel uit van de aanvraag.

12. Trend Invest betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur het welstandsadvies van de Commissie Welstand en Monumenten (hierna: CWM) van 6 april 2011 niet aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat niet valt uit te sluiten dat als de CWM had beschikt over tekeningen met de juiste maatvoering, het tot een ander advies zou zijn gekomen wat betreft de verhouding van het aangevraagde bouwwerk tot de omgeving. Volgens Trend Invest is dat niet aan de orde nu de rechtbank ten aanzien van besluit II heeft overwogen dat de CWM heeft geadviseerd aan de hand van de juiste tekeningen en het besluit op dat punt in stand heeft gelaten. Daarnaast maakt het bestemmingsplan de hoogte van de kap reeds mogelijk, zodat de vraag of het pand 78 cm hoger of lager wordt voor de beoordeling van het bouwplan op redelijke eisen van welstand niet relevant is, aldus Trend Invest, nu het welstandsadvies de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan niet mag beperken.

12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in uitspraak van 5 februari 2014 in zaak nr. 201304338/1/A1), mag het algemeen bestuur, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het algemeen bestuur dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting.

12.2. Op tekening nr. 104, laatstelijk gewijzigd op 18 februari 2011, op grondslag waarvan de CWM zijn advies heeft uitgebracht, is het gebouw 78 cm lager weergegeven dan op tekening nr.104, laatstelijk gewijzigd op 16 augustus 2012, behorend bij besluit II. Zowel Trend Invest als het algemeen bestuur hebben aangegeven dat de hoogte van het pand zoals weergegeven op tekening nr. 104 van 18 februari 2011 niet juist was. Volgens de hermeting van 6 juli 2012 is het gebouw 78 cm hoger dan op voornoemde tekening 104 was aangegeven. De CWM heeft op basis van de tekening van 18 februari 2011 op 6 april 2011 advies uitgebracht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat nu de CWM niet beschikte over tekeningen met de juiste maatvoering het niet valt uit te sluiten dat, als de CWM had beschikt over tekeningen met de juiste maatvoering, het tot een ander advies zou zijn gekomen wat betreft de verhouding van het aangevraagde bouwwerk tot de omgeving. Dat de CWM ten aanzien van besluit II wel beschikte over de juiste tekeningen, maakt dat niet anders, nu het daar gaat om een ander bouwplan. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat het bestemmingsplan de hoogte van de kap mogelijk maakt, niet maakt dat een juiste maatvoering op de tekening niet van belang is voor een oordeel over de verhouding van het aangevraagde bouwplan tot de omgeving, nu de kapverdieping wat betreft vorm afwijkt van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

13. Het betoog van [appellant sub 2A] e.a. dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het door hen in beroep aangevoerde dat de maatvoering op de bouwtekeningen niet correct is weergegeven en volgens hen het pand op het perceel 78 cm hoger is dan op de tekening aangegeven, faalt. Zoals onder 12.2 is overwogen is de rechtbank op dit punt ingegaan.

Besluit II

14. In het in bezwaar gehandhaafde besluit II is omgevingsvergunning verleend voor het maken van een kapverdieping met de bestemming daarvan tot wonen. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een kap met twee schuine dakhellingen.

15. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, wordt de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet.

Ingevolge het bepaalde onder d, voor zover hier van belang, wordt de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft zowel op zich zelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet.

Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), voor zover hier van belang, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 2.2 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor) verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.

1. uit het oogpunt van veiligheid:

a. t/m h.

Ingevolge artikel 2.5 verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a van de Woningwet:

a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, wordt in de vergunning voor een bouwactiviteit, indien de aanvrager een verzoek tot latere levering heeft ingediend, bepaald dat de volgende gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van 3 weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling wordt overgelegd:

a. gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft.

16. Voor zover Trend Invest betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet relevant is of het pand de maximaal toegestane hoeveelheid bouwlagen overschrijdt, nu de aanvraag alleen ziet op het oprichten van een kapverdieping en de kap niet wordt meegerekend bij de bepaling van het aantal bouwlagen, wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 7.1.

Het betoog slaagt.

17. Voor zover [appellant sub 2A] e.a. betogen dat de rechtbank het algemeen bestuur ten onrechte in de gelegenheid heeft gesteld nader te motiveren dat het maximum aantal bouwlagen niet wordt overschreden wordt eveneens verwezen naar hetgeen is overwogen in 7.1. Voor zover [appellant sub 2A] e.a. betogen dat de rechtbank heeft miskend dat een maximum bouwhoogte is voorgeschreven, dat de maximaal toegestane bouwhoogte van de 3e verdieping wordt overschreden en dat de rechtbank ten onrechte hun betoog inzake de trap van de 3e verdieping buiten beschouwing heeft gelaten, wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 8.2 en 11.

De betogen falen.

18. [appellant sub 2A] e.a. betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het algemeen bestuur het advies van de CWM van 29 augustus 2012 niet aan zijn besluit ten grondslag kon leggen. Volgens hen heeft de CWM ten onrechte geen beoordeling gegeven over de ruimtelijke invloed van het vergunde bouwwerk op de omgeving en leidt het tot aantasting van het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan. Voorts geeft tekening nr. 104 van 16 augustus 2012 in strijd met artikel 2.5, aanhef, onder a, van het Mor een onjuiste weergave van de bestaande situatie omdat volgens [appellant sub 2A] e.a. de belendende panden hoger zijn weergegeven dan zij in werkelijkheid zijn. Verder ontbreekt inzicht op basis van welke gegevens de CWM advies heeft uitgebracht, aldus [appellant sub 2A] e.a..

18.1. De CWM heeft op 29 augustus 2012 positief geadviseerd over het bouwplan. Het heeft overwogen dat een kap een logische beëindiging van het 19e-eeuwse pand vormt. In zijn toelichting op dit advies van 20 maart 2013 heeft het - samengevat - aangegeven dat het bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning gebruik maakt van de door het algemeen bestuur op grond van het Mor beschikbaar gestelde stukken. Voorts stelt het dat het veelal gebruik maakt van de streetview functie van google maps en/of de cyclorama functie van de applicatie Atlas Amsterdam. Het heeft op basis van de ingediende plangegevens in relatie tot het straatbeeld aangegeven dat de ophoging van het pand in deze situatie voorstelbaar is. Uiteindelijk heeft de CWM geconcludeerd dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf beschouwd en in relatie tot zijn omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dat geldt zowel voor het initiële plan als het gewijzigde plan, aldus de toelichting van 20 maart 2013.

De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de CWM geen juist beeld heeft gehad van het pand in relatie tot zijn omgeving en dat niet is gebleken van gebreken in de totstandkoming van het advies van de CWM van 29 augustus 2012. [appellant sub 2A] e.a. hebben slechts aangegeven dat de belendende panden te hoog op de tekening zijn weergegeven, maar niet duidelijk gemaakt in welke mate en wat daar het gevolg van is. Dat de CWM zelf geen archief bijhoudt en de dossiers na afhandeling terugstuurt naar het algemeen bestuur heeft niet tot gevolg dat het advies gebrekkig tot stand is gekomen. De CWM toetst het bouwplan aan de hand van de criteria in de destijds geldende Welstandsnota van stadsdeel Oud West aan de redelijke eisen van welstand. Daarbij heeft het zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het bestemmingsplan staat de aangevraagde kapverdieping toe. Dat het vergunde bouwplan stedenbouwkundig volgens [appellant sub 2A] e.a. niet wenselijk is, kan geen grondslag zijn voor een negatief welstandsoordeel.

Het betoog faalt.

19. Trend Invest betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2013 niet in stand heeft gelaten. Zij voert daartoe aan dat zij weliswaar in strijd met artikel 4.4, eerste lid, van het Bor niet reeds bij de aanvraag om omgevingsvergunning detailtekeningen van de constructie heeft gevoegd, maar dat deze gegevens alsnog met het rapport van VBC Ingenieursbureau van 3 oktober 2013 zijn verstrekt en het algemeen bestuur daaraan een deelgoedkeuring heeft gegeven op 8 oktober 2013.

19.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2013 in stand te laten in verband met de mogelijke strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan. Nu, zoals onder 7.1 is overwogen het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, is deze motivering van de rechtbank niet toereikend. Trend Invest heeft aan het algemeen bestuur een rapport van VBC Ingenieursbureau van 3 oktober 2013, genummerd 10, met constructieberekeningen, inclusief een gewaarmerkte tekening nummer 12, overgelegd. Uit dit rapport volgt dat de gemiddelde toename van de belasting op de fundering 4,97% bedraagt en de bestaande fundering deze toename kan dragen. Het algemeen bestuur heeft aan de constructieberekeningen bij besluit van 8 oktober 2013 zijn goedkeuring gegeven. Door het overleggen van deze constructiegegevens heeft Trend Invest alsnog de ingevolge het Mor vereiste gegevens overgelegd en kon het algemeen bestuur tot de conclusie komen dat aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De opmerkingen in het rapport van Bartels Ingenieurs van 23 oktober 2013 maken deze conclusie niet anders. Los van de omstandigheid dat in dit rapport niet is vermeld dat in de beoordeling de constructieberekeningen van VBC Ingenieursbureau van 3 oktober 2013, rapportnummer 10, zijn meegenomen, heeft VBC Ingenieursbureau in opdracht van Trend Invest op 29 oktober 2013 op dit rapport gereageerd. Volgens dat laatste stuk van VBC Ingenieursbureau zijn de opmerkingen van Bartels Ingenieurs gedeeltelijk niet meer relevant gelet op het nieuwe rapport van VBC Ingenieursbureau van 3 oktober 2013. Voorts wordt door VBC Ingenieursbureau gesteld dat in het rapport van Bartels Ingenieurs terecht is opgemerkt dat de gemetselde topgevel aan de voorzijde ten onrechte niet is meegenomen in de berekening, maar dat dat aan de conclusie dat de palen voldoende draagvermogen hebben om de belasting van het aangevraagde bouwwerk te dragen, niet afdoet. Hierbij is tevens ingegaan op de opbouw van de fundering en is met meetgegevens gemotiveerd geconcludeerd dat alle muren op voldoende palen staan. Het algemeen bestuur heeft ter zitting nog toegelicht dat de bij de vergunningverlening betrokken constructeur, in dienst van de gemeente Amsterdam, gelet op zijn deskundigheid op het gebied van houten funderingen in de gemeente Amsterdam, het pas later overgelegde palenplan niet nodig had om de constructieberekeningen van VBC Ingenieursbureau te beoordelen. De stelling van [appellant sub 2A] e.a. dat de reactie van VBC Ingenieursbureau van 29 oktober 2013 op de opmerkingen van Bartels Ingenieurs niet afdoende is, is onvoldoende voor de conclusie dat de constructiegegevens naar het oordeel van het algemeen bestuur niet aannemelijk maken dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.

Nu Trend Invest alsnog de benodigde constructiegegevens heeft overgelegd en het algemeen bestuur daaraan zijn goedkeuring heeft verleend, had de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2013 in stand dienen te laten.

Het betoog slaagt.

Besluit III

20. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit III heeft het algemeen bestuur omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een dakterras met dakhuisje op de te realiseren kapverdieping.

20.1. Trend Invest betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 5, aanhef, achtste lid, onder i, van het Paraplubestemmingsplan Stadsdeel west.

20.2. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, aanhef, achtste lid, onder i, van het Paraplubestemmingsplan Stadsdeel West. Zoals onder 8.2 reeds is overwogen is op de plankaart geen maximaal toelaatbare bouwhoogte weergegeven en mist dat artikel derhalve toepassing.

Het betoog slaagt.

21. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 2A] e.a. niet in aanmerking komen voor de door hen opgevoerde proceskosten van rechtsbijstandverlening. De enkele stelling in hoger beroep dat rechtsbijstand is verleend, is daartoe onvoldoende. Uit de door [appellant sub 2A] e.a. overgelegde stukken is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De in dat kader geclaimde reiskosten van Assen naar Amsterdam komen om die reden evenmin voor vergoeding in aanmerking. [appellant sub 2A] e.a. voeren echter terecht aan dat de rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend voor zover het betreft het opstellen van het rapport van 23 oktober 2013 door Bartels Ingenieursbureau.

Het betoog slaagt.

22. Het bouwplan is derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in strijd met het bestemmingsplan. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank door [appellant sub 2A] e.a. aangevoerde beroepsgronden tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit III behandelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

23. [appellant sub 2A] e.a. betogen dat het algemeen bestuur ten onrechte heeft overwogen dat het uiterlijk of plaatsing van het dakterras en -huisje voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens hen bestaat er geen positief advies van de CWM. Daarnaast is het gevraagde dakterras en -huisje in strijd met de criteria opgenomen in paragraaf 8.15.2 van de destijds geldende Welstandsnota van stadsdeel Oud-West omdat het terras zichtbaar is vanaf straat.

23.1. In de ten tijde van het besluit op bezwaar geldende welstandsnota staat vermeld dat dakopbouwen en dakterrassen, wanneer deze zichtbaar zijn vanaf de straat, het straatbeeld kunnen beïnvloeden en zelfs het straatbeeld kunnen verstoren. Oud-West is echter een dichtbebouwd stadsdeel, waar slechts weinig bewoners over een tuin beschikken; het vergroten van groen en buitenruimten door middel van dakterrassen dient daarom volgens de welstandsnota onder voorwaarden mogelijk te zijn, maar dient het straatbeeld niet te schaden. De welstandsnota vermeldt voorts dat het dakterras en/of de dakopbouw niet zichtbaar dient te zijn vanaf de straat of zo min mogelijk zichtbaar vanaf het binnenterrein. Dit betekent volgens de welstandsnota dat de hekken van een dakterras aan de voorzijde minimaal zover teruggelegd moeten worden aangebracht dat zij onder een denkbeeldige lijn, onder 45 graden gerekend vanuit de snijlijn met de gevel(s) of het schuine dakvlak, blijven. Een dakopbouw ten behoeve van het dakterras dient minimaal 2 m terugliggend van de voorzijde te worden aangebracht, aldus de welstandsnota.

23.2. In het verslag van de CWM van 12 december 2012 is ten aanzien van een bouwplan op het perceel Brederodestraat 17 met OLO-nummer 462345 het volgende opgenomen: "Gewijzigd plan. Geen bezwaar. Betreft realisatie van een dakterras. Dit voldoet aan de geldende criteria."

Ondanks dat in het verslag ten onrechte het OLO-nummer van het bouwplan als bedoeld besluit II is opgenomen, worden [appellant sub 2A] e.a. niet gevolgd in hun betoog dat de CWM geen advies omtrent het gevraagde dakterras heeft uitgebracht. Het vermelden van het onjuist OLO-nummer moet worden beschouwd als een verschrijving. Ook de in het verslag opgenomen zinsnede "gewijzigd plan" maakt niet dat de CWM geen advies heeft gegeven over het bouwplan als aan de orde. Het realiseren van het dakterras en -huisje is immers een wijziging ten opzichte van de eerdere bouwplannen van het enkel realiseren van een kapverdieping.

Het algemeen bestuur heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de in de welstandsnota genoemde criteria. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het algemeen bestuur het advies van de CWM van 12 december 2012 niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen

Het betoog faalt.

24. Voor zover [appellant sub 2A] e.a. betogen dat de door het algemeen bestuur veroorzaakte procedurele fouten in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wordt overwogen dat niet is gebleken dat [appellant sub 2A] e.a. hierdoor zijn benadeeld, zodat om die reden geen grond bestaat om de in bezwaar gehandhaafde vergunning te vernietigen.

Het betoog faalt.

25. [appellant sub 2A] e.a. betogen verder dat het algemeen bestuur ten onrechte heeft geoordeeld dat de door Trend Invest verstrekte gegevens en bescheiden aannemelijk maken dat het bouwen van het gevraagde dakterras en dakhuisje voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Zij voeren daartoe aan dat uit de verstrekte gegevens niet blijkt dat de houten fundering op palen geschikt is om het dakterras en het dakhuisje te dragen. De extra belasting die het te realiseren terras en het huisje met zich brengt is volgens [appellant sub 2A] e.a. niet in de berekeningen meegenomen. Ook is ten onrechte de gemiddelde toename van de belasting berekend in plaats van belastingtoename per muur of gevel. Bovendien zijn de bij de aanvraag om omgevingsvergunning behorende tekening en rapport met constructieve berekening later komen te vervallen, zodat volgens hen voor het nemen van het besluit van 28 december 2012 niet inzichtelijk was of werd voldaan aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012.

25.1. In het besluit van 28 december 2012 staat vermeld dat het aanvraagformulier van 13 november 2012 en de tekeningen T01 en T02 van de bestaande en nieuwe situatie onderdeel uitmaken van de vergunning. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning is onder meer vermeld dat rapport nr. 8 "constructieve veiligheid complexere bouwwerken" is bijgevoegd alsmede een tekening met nr. 10. Als voorwaarde aan de vergunning is onder meer opgenomen dat met de uitvoering van de werkzaamheden niet mag worden gestart voordat constructieve detailtekeningen en berekeningen van de gewijzigde of toegevoegde constructie onderdelen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de werkzaamheden zijn aangeleverd en door het stadsdeel West zijn goedgekeurd.

Gelet op artikel 2.7, eerste lid, van het Mor is uitstel van het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 2.2 alleen mogelijk op verzoek van de aanvrager. Niet is gebleken dat Trend Invest een dergelijk verzoek heeft gedaan. Dat betekent dat bij de aanvraag om vergunning alle in artikel 2.2 van het Mor voorgeschreven bescheiden moeten zijn overgelegd. Dat is niet gebeurd. Het algemeen bestuur had ten tijde van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 december 2012 derhalve geen inzicht tot in detail of werd voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.

Het betoog slaagt.

26. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, het besluit van 16 juli 2013 vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

26.1. Trend Invest heeft in een later stadium alsnog in detail constructieberekeningen aan het algemeen bestuur overgelegd, in de vorm van rapportnummer 11 van VBC Ingenieursbureau van 3 oktober 2013. Hierin is de in verband met de uitvoering van het bouwplan benodigde balklaag berekend. Volgens de conclusie in het rapport, waarin de procentuele toename van de belasting op de verschillende muren en gevels is berekend alsmede de gemiddelde toename op de fundering, is de gemiddelde toename akkoord. Het algemeen bestuur heeft op 3 oktober 2013 aan de constructieberekeningen zijn goedkeuring gegeven. In hetgeen [appellant sub 2A] e.a. hebben aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze overgelegde gegevens niet aannemelijk maken dat het algemeen bestuur kon oordelen dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Er is immers een nieuw rapport met berekeningen en een tekening terwijl per gevel of muur de toename van de belasting is berekend alsmede de gevolgen van het realiseren van het bouwplan voor de fundering in de berekeningen zijn verwerkt.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 16 juli 2013, waaronder begrepen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep van [appellant sub 2A] e.a., [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E], in stand te laten.

Besluit van 23 oktober 2014

27. Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het algemeen bestuur, voor zover hier van belang, opnieuw beslist op de door [appellant sub 2A] e.a. gemaakte bezwaren en de besluiten van 11 oktober 2011 en 28 december 2012 herroepen. Voorts heeft het onder aanvulling van de motivering de vergunning opnieuw vastgesteld voor het oprichten van een kapverdieping met bestemming hiervan tot één woning en, naar aanleiding van een op 8 mei 2014 gewijzigde aanvraag, voor het maken van een dakterras en een dakluik op het perceel. Het besluit van 23 oktober 2014 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

28. [appellant sub 2A] e.a. betogen dat het besluit, voor zover dat ziet op het oprichten van een kapverdieping met aan de voorzijde van de kap een schuine zijde, niet duidelijk is nu daaruit niet blijkt wat is vergund, omdat bij het besluit geen gewaarmerkte bouwtekeningen zijn gevoegd en een wettelijk kader ontbreekt. Voorts voeren ze aan dat nu het algemeen bestuur geen ontheffing heeft verleend voor de afwijking van de hoek van de kap, het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is.

28.1. De in het besluit van 23 oktober 2014 opgenomen zinsnede dat "de vergunning voor de dakverdieping opnieuw wordt vastgesteld" in combinatie met de zinsnede dat "het vonnis van 17 maart 2014 in acht wordt genomen" dient zo te worden gelezen dat het algemeen bestuur opnieuw bouwvergunning en ontheffing heeft verleend voor het bouwplan met de bij de aanvraag overgelegde gewaarmerkte bouwtekeningen, behoudens tekening nr. 104 van 18 februari 2011. Op zichzelf was het duidelijker geweest als het algemeen bestuur dat als zodanig had geformuleerd alsook het wettelijk kader had vermeld, maar het ontbreken daarvan maakt het besluit niet onrechtmatig.

Het betoog faalt.

29. Voor zover [appellant sub 2A] e.a. betogen dat het algemeen bestuur heeft miskend dat het maximaal toegestane aantal bouwlagen wordt overschreden, faalt dat betoog gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen.

30. [appellant sub 2A] e.a betogen voorts dat het algemeen bestuur in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7:9 en 7:2 van de Awb door hen niet te horen voorafgaande aan het besluit van 23 oktober 2014. Zij voeren aan dat het algemeen bestuur hen aldus de mogelijkheid heeft ontzegd om nader te reageren op het aanvullend advies van de CWM van 14 oktober 2014. [appellant sub 2A] e.a. betogen verder dat het algemeen bestuur het nieuwe advies van de CWM van 14 oktober 2014 niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen. Uit dit advies blijkt volgens hen ten onrechte niet of de juiste tekeningen aan de CWM zijn verstrekt. Daarnaast is in het advies ten onrechte niet ingegaan op de ruimtelijke invloed van het bouwwerk op de omgeving en het historisch straatbeeld, aldus [appellant sub 2A] e.a..

30.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 maart 2007 in zaak no. 200603485/1 is in artikel 7:2 van de Awb niet een algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de rechtbank, waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Onder omstandigheden kan het uit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om een belanghebbende bij het nemen van een besluit op bezwaar opnieuw te horen. Zodanige omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Het advies van de CWM van 14 oktober 2014 bouwt voort op en is gegeven in het licht van het naar aanleiding van het eerder door de CWM gegeven advies van 6 april 2014, door het algemeen bestuur ingenomen standpunt dat het bouwplan niet in strijd met redelijke eisen van welstand is. Niet valt in te zien dat een nieuwe hoorzitting uit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk was.

30.2. In het verslag van het welstandsoverleg van 14 oktober 2014 staat "Brederodestraat 17/ via de mail Heimen-Pepijn zie voorgeschiedenis: geen bezwaar". Voorts is vermeld dat "geconstateerd wordt dat de wijziging zich beperkt tot een correctie van peilmaten ten opzichte van de eerder beoordeelde voorstel(len). Dit heeft geen gevolgen voor het principe van de ingreep: een beëindiging van het 19e-eeuwse pand door middel van een kaplaag. Een kaplaag is een geëigend middel om een pand te beëindigen en doet daarmee dus geen afbreuk aan de karakteristiek van de bebouwing noch de hiërarchische verhoudingen van de bouwlagen. Conclusie is dan ook dat dit voorstel daarmee voldoet aan redelijk eisen van welstand, inclusief vanuit welstandsoogpunt ondergeschikte wijzigingen in de maatvoering."

Uit de tekst van het verslag kan worden opgemaakt dat de CWM beschikte over een aangepaste bouwtekening met gewijzigde peilmaten dan wel maatvoering. Ter zitting heeft het algemeen bestuur dat desgevraagd bevestigd en toegelicht dat het advies van de CWM is gebaseerd op de gewijzigde bouwtekening waarop het gebouw 78 cm hoger is aangegeven dan op de eerdere tekening nr. 104, gewijzigd op 18 februari 2011. Voorts is in de reeds eerder door de CWM gegeven toelichting op 20 maart 2013 door de CWM geconcludeerd dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk op zich zelf beschouwd en in relatie tot zijn omgeving voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

31. De Afdeling komt niet toe aan de beoordeling van de beroepsgrond tegen het besluit van 23 oktober 2014 voor zover dat ziet op het oprichten van een kapverdieping met twee schuine zijden, nu de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2013 in stand zal laten.

32. In het besluit van 23 oktober 2014 heeft het algemeen bestuur tevens de omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakterras opnieuw vastgesteld, met inachtneming van een op 8 mei 2014 gevraagde wijziging van de aanvraag. De wijziging bestaat daaruit dat het dakhuisje wordt vervangen door een dakluik.

33. [appellant sub 2A] e.a. betogen terecht dat deze wijziging van het bouwplan niet van ondergeschikte aard is. Doordat het dakhuisje wordt vervangen door een dakluik kan niet meer worden gesproken van hetzelfde bouwplan. Het dakhuisje vormde een belangrijk onderdeel van het eerste ingediende bouwplan, dat naast het dakhuisje een terras omvat.

34. Hetgeen [appellant sub 2A] e.a. voor het overige tegen hebben aangevoerd, behoeft gelet op hetgeen onder 33 is overwogen, geen bespreking meer.

Conclusie

35. De hoger beroepen van [appellant sub 2A] e.a. en van Trend Invest zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 mei 2013 daarbij niet in stand zijn gelaten en voor zover de rechtbank het algemeen bestuur niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van opgekomen proceskosten aan [appellant sub 2A] e.a.. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling alsnog de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2013 in stand laten en het algemeen bestuur veroordelen tot het vergoeden van bij [appellant sub 2A] e.a. opgekomen proceskosten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, nu de beslissing van de rechtbank in zoverre juist is, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. De Afdeling ziet aanleiding ook de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 juli 2013 in stand te laten, waaronder begrepen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep van [appellant sub 2A] e.a., [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E].

36. Het beroep van [appellant sub 2A] e.a. tegen het besluit van 23 oktober 2014 is gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij is beslist op het nieuw ingediende bouwplan van 8 mei 2014 voor het dakterras op het perceel.

37. Het algemeen bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de door Trend Invest gemaakte proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten ten behoeve van [appellant sub 2A] e.a. die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De kosten gemaakt door juridisch adviseur C. de Wal komen niet voor vergoeding in aanmerking reeds nu [appellant sub 2A] e.a. het hoger beroepschrift op eigen titel hebben ingediend. De kosten ten behoeve van het opstellen van het rapport van Bartels Ingenieurs B.V. komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, nu die kosten niet zijn gemaakt ten behoeve van voorliggend hoger beroep.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 2A] en anderen en van de besloten vennootschappen Trend Invest B.V. en [appellant sub 1]. gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2014 in zaken nrs. 13/519, 13/3487 en 13/4815, voor zover de rechtsgevolgen van het daarbij vernietigde besluit van 21 mei 2013 daarbij niet in stand zijn gelaten en voor zover de rechtbank het algemeen bestuur niet heeft veroordeeld tot het vergoeden van opgekomen proceskosten aan [appellant sub 2A] en anderen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2013, kenmerk 2012/0143.001 t/m 0.2012.0143.002, alsmede van het besluit van 16 juli 2013, kenmerk 2013/1701, waaronder begrepen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheidverklaring van het beroep van [appellant sub 2A] en anderen, [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E], in stand blijven;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en anderen tegen het besluit van 23 oktober 2014 gegrond;

VI. vernietigt het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West van 23 oktober 2014, kenmerk 2-14-03926, voor zover daarbij is beslist op het nieuw ingediende bouwplan van 8 mei 2014 voor het dakterras op het perceel;

VII. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 363,00 (zegge: driehonderdendrieënzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West tot vergoeding van bij de besloten vennootschappen Trend Invest B.V. en [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: viertienhonderdeneenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West aan [appellant sub 2A] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

X. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel West aan de besloten vennootschappen Trend Invest B.V. en [appellant sub 1] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 493,00 (zegge: vierhonderdendrieënnegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Driel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

414.