Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201403730/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het dagelijks bestuur geweigerd ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de voor-, achter-, en zijgevel van een berging op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/673

Uitspraak

201403730/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2014 in zaak nr. 13/4797 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum, thans het algemeen bestuur van stadsdeel Centrum.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2012 heeft het dagelijks bestuur geweigerd ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van de voor-, achter-, en zijgevel van een berging op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2014, waar [appellant], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E. Bouma, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 3 november 2009 heeft [appellant] ter legalisering van een bestaande situatie een bouwvergunning aangevraagd voor het gedeeltelijk vernieuwen van de voor-, achter- en zijgevel van een berging op het perceel.

Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Prinseneiland" op het perceel rustende bestemming "Tuinen en erven II".

2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal eerdere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

3. Ter zitting heeft [appellant] zijn hogerberoepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur de bouwvergunning had moeten verlenen, omdat op deze bouwwerkzaamheden de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan van toepassing is, ingetrokken.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen weigeren ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening te verlenen. Daartoe voert hij aan dat de berging niet meer dan 3 m² groter is dan de voorheen op het perceel aanwezige berging. Volgens hem had het dagelijks bestuur daarnaast bij haar oordeel moeten betrekken dat [appellant] het voorheen verwaarloosde perceel waarop de berging aanwezig is heeft opgeknapt, waarmee is voldaan aan de doelstelling en het beleid van het dagelijks bestuur om tuinen zo open en groen mogelijk te houden. Daarbij komt dat van bezwaren van omwonenden tegen de aanwezigheid van de schuur niet is gebleken, aldus [appellant].

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid ontheffing voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Het dagelijks bestuur hanteert, gelet op recent vastgestelde bestemmingsplannen, het beleid dat tuinen zo open en groen mogelijk moeten worden gehouden. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de desbetreffende berging in de bestaande omvang niet past in dat beleid, nu de berging zichtbaar is vanaf het water. Dat de berging niet veel groter is dan de voorheen op het perceel aanwezige berging is geen reden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen weigeren, nu dat door het dagelijks bestuur gevoerde beleid slechts gebouwen met een beperkte omvang mogelijk maakt en het daaraan wil vasthouden. Dat omwonenden, als gesteld, geen bezwaren hebben tegen de berging op het perceel en dat met de berging een voorheen verwaarloosd perceel zou zijn opgeknapt, is evenmin reden voor een ander oordeel. Die bezwaren nemen niet weg dat het gemeentebestuur in het algemeen belang de tuinen en het groen zo open mogelijk wil houden.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014

357-776.