Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
201404690/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:3048, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404690/1/V3.

Datum uitspraak: 19 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 mei 2014 in zaak nr. 13/21125 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 augustus 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij zelfstandig had dienen te beoordelen of de vreemdeling aan zijn opvolgende aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd en dat eerst indien en voor zover daarvan sprake is, zij tot toetsing van het besluit van 12 augustus 2013 had kunnen overgaan.

1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 13 november 2006, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken ingediend. Bij besluit van 28 maart 2008 is deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 december 2008 ongegrond verklaard. Het besluit van 25 juni 2013, zoals gehandhaafd bij besluit van 12 augustus 2013, is van gelijke strekking als het besluit van 28 maart 2008, zoals gehandhaafd bij besluit van 15 december 2008, zodat op het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2013 het onder 1.1. weergeven beoordelingskader van toepassing is.

1.4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 28 juni 2013 in zaak nr. 201202685/1/V2) dient de bestuursrechter direct - dat wil zeggen ter bepaling van de vraag of hij het besluit van gelijke strekking kan toetsen - en ambtshalve - dat wil zeggen los van de standpunten van partijen - te beoordelen of de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond. De rechtbank had, zoals de staatssecretaris terecht heeft betoogd, dan ook direct dienen te treden in de vraag of aan de opvolgende aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, dan wel of uit het aldus door de vreemdeling aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Door zich te beperken tot toetsing van het standpunt van de staatssecretaris daarover, heeft de rechtbank dat niet onderkend.

De grief slaagt reeds hierom.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

3. Aan de opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling onder meer ten grondslag gelegd dat hij in het bezit is van een nationaliteitsverklaring en een geboortecertificaat en dat de Sierraleoonse autoriteiten desondanks geen reisdocument aan hem hebben verstrekt. Om die reden kan hij buiten zijn schuld niet uit Nederland vertrekken, aldus de vreemdeling.

3.1. Het geboortecertificaat is op 8 november 2012 door de vreemdeling ontvangen nadat het op zijn verzoek, met tussenkomst van een advocaat in Sierra Leone, is opgesteld. De vreemdeling heeft geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom hij dit certificaat niet al had kunnen en derhalve behoren over te leggen in de eerdere procedure. Ook bij de nationaliteitsverklaring heeft de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom hij deze niet eerder heeft kunnen laten opstellen en overleggen. De omstandigheid dat de Sierraleoonse autoriteiten pas zijn overgegaan tot afgifte van deze verklaring nadat drie getuigen hebben verklaard dat de vreemdeling uit Sierra Leone komt, is niet een zodanige verklaring. Een nationaliteitsverklaring betreft immers een stuk op aanvraag en niet valt in te zien waarom de vreemdeling deze verklaring niet voorafgaande aan de eerdere aanvraag al had kunnen verkrijgen.

Het geboortecertificaat en de nationaliteitsverklaring - en de omstandigheid dat de Sierraleoonse autoriteiten ondanks deze documenten nog geen reisdocument aan de vreemdeling hebben verstrekt - vormen derhalve geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld onder 1.2. Ook uit de overige stukken die de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, blijkt niet dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de hier bedoelde zin, nu de vreemdeling ook bij deze stukken geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven dat het voor hem niet mogelijk was deze in de eerdere procedure over te leggen.

4. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, is er voor toetsing van het besluit van 12 augustus 2013 geen plaats.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 mei 2014 in zaak nr. 13/21125;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Den Dulk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014

345-750.